Strafrecht overig

Veroordeling voor het medeplegen van diefstal van een bestelbus met daarin een lading pakketten. De rechtbank…

Rechtbank Noord-Holland, 6 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Alkmaar
Datum uitspraak
6 augustus 2026
Datum publicatie
7 augustus 2026
Zaaknummer
15/082583-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:10140
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor het medeplegen van diefstal van een bestelbus met daarin een lading pakketten. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 177 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de dagen die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaren. Ook legt de rechtbank een taakstraf van 180 uur aan de verdachte op.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/082583-26 (P)

Uitspraakdatum: 6 augustus 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 juli 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1],

ter terechtzitting opgegeven post- en correspondentieadres:

[adres 2].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R. Visser en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 17 maart 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- een bestelbus, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of

- meerdere pakketten (met een totale waarde van ongeveer 1,4 miljoen euro),

toebehorende aan [benadeelde 2], in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 De standpunten

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

4. Het oordeel van de rechtbank

4.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de

volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank, nu de verdachte dit feit heeft bekend

en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal volstaan met een opsomming van de

bewijsmiddelen, te weten:

  • de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 23 juli 2026 heeft afgelegd;

  • een proces-verbaal van aangifte gedaan door [aangever] namens [benadeelde 3] op 17 maart 2026 (dossierpagina p. 53 e.v.).

Het hiervoor vermelde proces-verbaal is in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoet ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

4.2

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op 17 maart 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

- een bestelbus, toebehorende aan [benadeelde 1] en

- meerdere pakketten,

toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader(s), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

7 De motivering van de sanctie

7.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een

gevangenisstraf voor de duur van negen maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 13 juli 2026, te worden verbonden.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van de inverzekeringstelling. De raadsman wijst daarbij op de persoonlijke omstandigheden, de proceshouding van de verdachte, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en op het feit dat de verdachte op het gebied van vermogensdelicten een first offender is. De raadsman heeft de rechtbank daarnaast verzocht om ambtshalve kritisch te kijken naar de geadviseerde oplegging van de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden als bijzondere voorwaarde.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een bestelbus met daarin een lading pakketten. Diefstal van voertuigen met goederen vormen voor de transportsector een grote bron van schade. Dit levert niet alleen directe schade op, maar ook indirecte schade zoals verhoogde verzekeringspremies en het moeten nemen van steeds verdergaande, kostbare maatregelen ter voorkoming van deze criminaliteit. Dergelijke feiten verstoren de rechtsorde en brengen in de maatschappij gevoelens van onrust en ergernis naar boven.

De rechtbank gaat ervan uit dat hierbij sprake was van een vooropgezet plan en niet – zoals de verdachte heeft verklaard – van elkaar opvolgende impulsieve beslissingen. Dit plan blijkt onder meer uit het feit dat de verdachte als bijrijder naar Haarlem reed, hij de bedrijfskleding van [benadeelde 2] toen al bij zich had, gedurende enige tijd bij het bedrijventerrein van [bedrijf] in Haarlem is gaan posten totdat de bestelbus van [benadeelde 2] daar aankwam en werd ingeladen met goederen van [bedrijf] en hij vervolgens de bestelbus van [benadeelde 2] met lading – waarbij de verdachte wist dat er waardevolle goederen in werden vervoerd en waarvan hij het kenteken had genoteerd – naar het depot van [benadeelde 2] is gevolgd. Hij heeft zich ondertussen in de auto omgekleed en is bij het depot van [benadeelde 2] uit de auto gestapt in de bedrijfskleding van [benadeelde 2]. De verdachte is daarna – met een smoes – het terrein van [benadeelde 2] opgekomen. In het depot liep hij gericht naar de betreffende bus, controleerde nog het kenteken, stapte in en reed hier direct mee weg. De verdachte heeft in elk geval eerder die dag contact met zijn neef die hem later in Haarlem opwachtte met eigen vervoer om de waardevolle lading uit de [benadeelde 2] bus over te nemen.

Tot slot is er sprake van medeplegen met in elk geval de neef van de verdachte (en een mogelijke niet nader door de verdachte genoemde derde persoon) en had de lading een hoge waarde (de pakketten van [bedrijf] alleen al vertegenwoordigden een waarde van ongeveer € 350.000). Doordat de politie de [benadeelde 2] bus op tijd op het spoor was, is de verdachte met zijn neef door de politie betrapt bij het overladen van de lading in Haarlem en zijn zowel de bus als de pakketten teruggegaan naar de rechthebbenden.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van 4 juni 2026 van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor vermogensfeiten. De rechtbank zal het strafblad van de verdachte daarom niet in zijn nadeel meewegen.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 13 juli 2026. Omdat de verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven, heeft de reclassering het recidiverisico niet kunnen inschatten. Wel maakt de reclassering zich zorgen over de schulden van de verdachte, zijn huisvesting en zijn sociale netwerk. De reclassering maakt in het rapport melding van een belast verleden, waarbij hij op jonge leeftijd abrupt op straat is komen te staan. De reclassering adviseert om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, zodat het risico op recidive kan worden beperkt. De verdachte heeft op de zitting van 23 juli 2026 verklaard dat hij bereid is om zich te houden aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Ook heeft hij zelf al hulp gezocht bij de gemeente en zijn er verschillende trajecten gestart om zijn leven op de rit te krijgen. Daarnaast heeft de verdachte ervoor gezorgd dat hij werk heeft en heeft hij inmiddels een contract voor onbepaalde tijd. De motivatie van de verdachte is op de rechtbank oprecht overgekomen. Gelet op de ingezette trajecten, adviseert de reclassering om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit zonder meer een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank weegt hierbij ook mee dat de verdachte de diefstal in vereniging heeft gepleegd en dat hij bij de diefstal een planmatige werkwijze heeft gehanteerd. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat het een lading betrof met daarin in elk geval elektronica met een verkoopwaarde van ongeveer € 350.000,-, die aan de rechthebbende is geretourneerd.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten zoals vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Volgens deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt bij een first offender voor ladingdiefstal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. Hetzelfde geldt voor diefstal van een vrachtwagen. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de door hemzelf ingezette hulptrajecten, zijn jonge leeftijd, belaste verleden, zijn arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en zijn bereidheid om zich aan de door de reclassering adviseerde voorwaarden te houden (inclusief de geadviseerde gedragsinterventie), aanleiding om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om zo de ingezette hulptrajecten niet te doorkruizen en er voor te zorgen dat de verdachte ervan wordt weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 177 dagen voorwaardelijk passend, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de dagen dat de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering, zodat de verdachte met hulp van de reclassering kan werken aan meer stabiliteit op de verschillende leefgebieden. Gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies ziet de rechtbank aanleiding om ook de door de reclassering geadviseerde gedragsinterventie cognitieve vaardigheden als bijzondere voorwaarde op te leggen. Om de ernst van het feit te benadrukken, legt de rechtbank daarnaast een taakstraf voor de duur van 180 uren op.

8 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die het bedrijf als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank kan niet vaststellen welk bedrag aan schadevergoeding de benadeelde partij vordert, omdat er geen bedragen in de vordering zijn genoemd en de vordering is verder bovendien niet onderbouwd. Daarnaast is er geen uittreksel van de Kamer van Koophandel en geen volmacht van de directie/bestuurder van [benadeelde 3] toegevoegd, waaruit zou blijken dat [aangever] het bedrijf mag vertegenwoordigen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 weergegeven.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit de hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdtachtig (180) dagen.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot honderdzevenenzeventig (177) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. Meldplicht bij de reclassering

de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 te Utrecht.

2. Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden

de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.

3. Dagbesteding

de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

4. Inzicht in financiën

de verdachte inzicht geeft in zijn financiën en zich laat begeleiden op financieel gebied zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van honderdtachtig (180) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 90 dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vorderingen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.K. Korteweg, voorzitter,

mr. I.A. Groenendijk en mr. R.V. Loeve, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.T. Golstein,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 augustus 2026.