Strafrecht overig
Veroordeling voor gekwalificeerde opzetverkrachting. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan…
Rechtbank Noord-Holland, 4 november 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:15092 · Rechtbank Noord-Holland · 4 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnho-2026-15092
Zaakgegevens
Op 4 november 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Alkmaar
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Datum publicatie
- 5 november 2026
- Zaaknummer
- 15/015167-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:15092
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor gekwalificeerde opzetverkrachting. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd door geweld. Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Oplegging bijzondere voorwaarden.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/015167-26 (P)
Uitspraakdatum: 4 november 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 oktober 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R.P. Peters en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M. van der Himst, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.
1 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 27 december 2024 te Den Helder, althans in Nederland, met een persoon, te weten [benadeelde], een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het met zijn, verdachtes, penis de vagina van die [benadeelde] te penetreren terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [benadeelde] één of meermaals
- tegen het hoofd te slaan en/of stompen en/of
- aan haar haren te trekken en/of
- in haar gezicht te bijten en/of
- (tegen de muur) te gooien en/of duwen
- een kussen op/tegen haar gezicht en/of hoofd te duwen.
2 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3 Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. Het seksuele contact zou met wederzijdse instemming hebben plaatsgevonden en daarbij zou de verdachte geen geweld hebben gebruikt. De raadsman heeft de betrouwbaarheid van de aangeefster betwist en een alternatief scenario geschetst voor het ontstaan van het letsel. Op het standpunt van de raadsman wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsoverweging
Juridisch kader
In zedenzaken zijn doorgaans maar twee personen betrokken: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In de kern gaat het dan ook vaak om het woord van het vermeende slachtoffer tegenover de ontkenning van de verdachte. Het is de rechtbank volgens de wet niet toegestaan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, uitsluitend te baseren op de verklaring van één getuige (in dit geval de aangeefster). Er moet altijd ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten.
Er moet zorgvuldig en behoedzaam worden omgegaan met verklaringen van (vermeende) slachtoffers in zedenzaken, zeker als de verdachte het ten laste gelegde feit ontkent en er geen directe getuigen zijn. De rechtbank beoordeelt daarom eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster, waarbij onder meer wordt gelet op de consistentie en de gedetailleerdheid van die verklaring en of sprake is van omstandigheden die een contra-indicatie opleveren voor de betrouwbaarheid van haar verklaring.
Als de rechtbank de verklaring van de aangeefster betrouwbaar vindt, beoordeelt de rechtbank vervolgens of de verklaring in voldoende mate steun vindt in ander bewijs.
Seksuele handelingen
De verdachte heeft bekend dat hij de ten laste gelegde seksuele handelingen heeft verricht met de aangeefster. De aangeefster heeft verklaard dat de seksuele handelingen tegen haar wil en met geweld hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft ontkend dat hij geweld heeft gebruikt. Hij heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat sprake was van consent over de seksuele handelingen.
Gezien het voorgaande staat dus niet ter discussie dat de verdachte de seksuele handelingen heeft verricht met de aangeefster, maar moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de verdachte seksuele handelingen heeft verricht met de aangeefster terwijl hij wist dat de wil daartoe bij aangeefster ontbrak en dat hij daarbij geweld heeft gebruikt.
Verklaring aangeefster
De aangeefster heeft – samengevat – verklaard dat zij de verdachte al enige jaren kent. Op enig moment heeft zij zijn telefoonnummer geblokkeerd. Omdat hij bleef bellen en sms-en, deblokkeerde zij hem in de nacht van 26 op 27 december 2024 om te vragen waarom hij dat deed. De verdachte vroeg of hij langs mocht komen en de aangeefster zei dat zij dat niet wilde en dat zij geen gedoe wilde. De verdachte is desondanks naar haar woning gegaan. Toen de deurbel ging kon de aangeefster niet zien wie er voor de deur stond. Toen zij de deur opende bleek het de verdachte te zijn. De aangeefster heeft hem gezegd dat hij weg moest gaan. De verdachte heeft de aangeefster aan de kant geduwd en mee naar binnen getrokken. Daarna zijn zij naar boven gegaan en hebben daar wat gedronken. De verdachte heeft op enig moment gevraagd of zij aan hem wilde zitten, maar dat wilde ze niet. Toen heeft hij haar bij de keel vastgepakt, bij haar haren vastgepakt en in haar wang gebeten. Ook heeft hij haar in haar gezicht geslagen. De aangeefster heeft hem geprobeerd weg te duwen en te slaan, maar werd door de verdachte meegetrokken naar de slaapkamer en op het bed gegooid. Vervolgens heeft de verdachte de aangeefster zo hard in haar gezicht geslagen, dat haar onderste kunstgebit is gebroken. De aangeefster heeft de verdachte gesmeekt te stoppen. Daarna heeft de verdachte de aangeefster met haar buik op het bed gepositioneerd, zodat hij haar van achteren vaginaal kon penetreren. Hierbij heeft hij een kussen op haar hoofd gedrukt. Toen heeft zij zich niet meer verzet. Zij kon alleen nog maar huilen. Nadat de verdachte is klaargekomen heeft hij de aangeefster opnieuw geslagen, waardoor zij buiten bewustzijn is geraakt. Toen de aangeefster weer bij kwam, had de verdachte de woning verlaten.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster over de gebeurtenissen van 27 december 2024 betrouwbaar is. De aangeefster heeft op 21 januari 2025 een uitgebreide verklaring afgelegd bij de politie. Er zijn ook 112-meldingen van de aangeefster. Zij heeft concreet en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die de verdachte bij haar heeft verricht en het geweld dat daarbij is gebruikt. Zij heeft ook verklaard over de aanleiding daarvan en de omstandigheden waaronder de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Haar verklaring is naar het oordeel van de rechtbank consistent en komt de rechtbank bovendien authentiek over. Ook de 112-meldingen van de aangeefster komen overeen met haar verklaring. Zij heeft direct na het incident 112 gebeld en ook in dat gesprek verklaard dat de verdachte haar heeft verkracht en mishandeld. Haar verklaring wordt bovendien ondersteund in andere bewijsmiddelen.
De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster en zal deze daarom als uitgangspunt nemen voor het bewijs. In deze conclusie ligt besloten dat de rechtbank de verklaring van de verdachte – voor zover die tegenover de verklaring van de aangeefster staat – als ongeloofwaardig terzijde schuift.
Steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster niet op zichzelf staat, maar steun vindt in de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft immers zelf ook verklaard dat hij seksuele handelingen bij de aangeefster heeft verricht. Hij is met zijn penis de vagina van de aangeefster binnen gedrongen.
De verklaring van de aangeefster vindt verder steun in de uitgewerkte gesprekken met het alarmnummer 112 die zij kort na het incident tweemaal heeft gevoerd. Het eerste gesprek vond plaats op 27 december 2024 om 05.05 uur. Tijdens dit gesprek huilde de aangeefster hevig en kon zij slechts uitbrengen dat zij was verkracht. Om 07.19 uur nam zij opnieuw contact op met 112. Ook toen was zij zeer emotioneel en verklaarde zij dat zij door de verdachte was verkracht en mishandeld. De verbalisanten die om 07:33 uur ter plaatse kwamen zagen dat de aangeefster erg emotioneel was en huilde. Deze waarnemingen zijn gedaan kort na de seksuele handelingen die de verdachte bij de aangeefster heeft verricht. De waarnemingen over de emotionele toestand van de aangeefster van zowel de centralist als de verbalisanten dragen dan ook bij aan het steunbewijs.
Daarnaast vindt haar verklaring steun in de verklaring van getuige [getuige] over het letsel dat hij bij de aangeefster in haar gezicht heeft waargenomen, alsmede in de bevindingen van de verbalisanten ter plaatse. Zij zagen letsel in haar gezicht, waaronder een rode plek onder haar rechteroor (bijtwond), geronnen bloed bij haar oor en een rode striem in haar nek. Uit de bijgevoegde letselfoto’s blijkt voorts dat het kunstgebit van aangeefster is gebroken. Dit letsel past bij het geweld dat de aangeefster in haar verklaring heeft beschreven.
De rechtbank ziet in deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende steun voor de verklaring van de aangeefster.
Alternatief scenario
De rechtbank is van oordeel dat het door de raadsman geschetste alternatieve scenario over de oorzaak van het letsel onvoldoende steun vindt in het dossier. Dat het letsel mogelijk na het vertrek van de verdachte door een ander is veroorzaakt, acht de rechtbank niet aannemelijk, gelet op de korte tijdsspanne tussen het vertrek van de verdachte en de komst van getuige [getuige] en de politie. Het verweer wordt daarom verworpen.
Conclusie
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de seksuele handelingen bestonden uit het binnendringen van de vagina van de aangeefster met de penis van de verdachte. Uit de verklaring van de aangeefster volgt dat dit tegen haar wil heeft plaatsgevonden en dat de verdachte daarbij geweld heeft gebruikt. Gelet op deze omstandigheden kan de conclusie niet anders zijn dan dat de verdachte wist dat bij de aangeefster de wil ontbrak toen hij seks met haar had. De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting, voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd door geweld.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij, op 27 december 2024 te Den Helder met [benadeelde] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het met zijn, verdachtes, penis de vagina van die [benadeelde] te penetreren terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door geweld, door die [benadeelde] één of meermaals
- tegen het hoofd te slaan en
- aan haar haren te trekken en
- in haar gezicht te bijten en
- te duwen en
- een kussen op haar hoofd te duwen.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
gekwalificeerde opzetverkrachting
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
5 Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6 Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen volgens de officier van justitie de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld en een contactverbod met aangeefster.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, voor het geval niet tot vrijspraak wordt gekomen, verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In dat verband heeft hij voorgesteld een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, onder de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, alsmede een contactverbod met de aangeefster.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting. Hij heeft het slachtoffer met gebruik van dwang en geweld verkracht in haar eigen woning, een plek waar zij bij uitstek veilig zou moeten zijn. De verdachte heeft daarmee een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Slachtoffers van dit soort feiten kunnen daarvan nog langdurig nadelige psychische gevolgen ondervinden. Uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding blijkt dat het slachtoffer nog dagelijks de psychische gevolgen ondervindt van het handelen van de verdachte. De verdachte heeft slechts oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer daaraan ondergeschikt gemaakt.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van 10 september 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het door Reclassering Nederland over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 3 juli 2026. Hieruit volgt dat er geen aanwijzingen zijn voor een seksuele deviatie. Wel zijn enkele risicofactoren aanwezig, met name het alcoholgebruik rondom het ten laste gelegde feit en de relatie met het slachtoffer. Daartegenover staan beschermende factoren. Sinds het feit zijn de leefomstandigheden van de verdachte verbeterd, waaronder de huidige stabiele partnerrelatie, de vrijwillige ggz-behandeling en de motivatie om te werken aan meer psychische stabiliteit en vermindering van het wietgebruik. Het recidiverisico wordt daarom als gemiddeld ingeschat. Ter verdere ondersteuning van de verdachte heeft de reclassering geadviseerd om bij een veroordeling een straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:
-
meldplicht bij de reclassering;
-
ambulante behandeling.
Ter terechtzitting heeft de verdachte aangegeven zich aan de voorwaarden te zullen houden en heeft hij daarnaast zelf verzocht om een contactverbod met het slachtoffer.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, acht de rechtbank enkel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere tijd gerechtvaardigd. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die uit de stukken zijn gebleken en op de zitting naar voren zijn gebracht, ziet de rechtbank aanleiding om een groter deel van de straf voorwaardelijk op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat 18 maanden daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van 2 jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden worden verbonden. Daarnaast acht de rechtbank een contactverbod met het slachtoffer als bijzondere voorwaarde noodzakelijk. Het contactverbod houdt in dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer.
7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft mr. M.A. Docter een vordering tot schadevergoeding van € 13.125,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit zowel lichamelijk (€ 500,-) als geestelijk (€ 10.000,-) letsel. Gelet op de verwijtbaarheid wordt verzocht om de maximale opslag van 25% over genoemde bedragen toe te passen. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht dat de rechtbank de vordering in zijn geheel toewijst, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering te beperken tot € 8.000,- en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Daarbij is ten aanzien van het onderdeel dat ziet op geestelijk letsel verzocht dit te stellen op € 7.500,-, gelet op het tijdsverloop en het ontbreken van actuele informatie over de toestand van de benadeelde partij. Ten aanzien van het bedrag van € 500,- wegens fysiek letsel is geen verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en gelet op de Rotterdamse schaal, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding voor het lichamelijk letsel van € 500,- billijk is.
Daarnaast is om vergoeding van immateriële schade verzocht op grond van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van seksueel geweld langdurige nadelige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en gelet op de Rotterdamse schaal, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding voor het geestelijk letsel van € 9.500,- billijk is.
De rechtbank volgt de raadsvrouw van de benadeelde partij niet in haar standpunt dat aanleiding bestaat de schadevergoeding op grond van aanbeveling 3 van de Rotterdamse schaal met 25% te verhogen. De omstandigheden die zij heeft aangevoerd ter onderbouwing van de ernstige verwijtbaarheid, zijn reeds betrokken bij de vaststelling van de toepasselijke categorie en het daarbij behorende bedrag. Een extra verhoging zou daarom neerkomen op een dubbele waardering van dezelfde omstandigheden. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen zonder toepassing van de gevraagde verhoging.
De rechtbank wijst van de vordering van de benadeelde partij in totaal een bedrag van
€ 10.000,- toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 december 2024 tot aan de dag de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 10.000,- aan de Staat moet betalen.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht.
9 Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;
beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 18 (achttien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
Meldplicht bij reclassering
de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Ambulante behandeling
de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de forensische ggz, de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling moet nog starten. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek.
Contactverbod
de veroordeelde zich gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer, [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2].
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Vordering benadeelde partij [benadeelde]
wijst de vordering van [benadeelde] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 10.000,- (tienduizend euro);
veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
verklaart [benadeelde] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat
€ 10.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 75 dagen gijzeling;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M.G. Hink, voorzitter,
mr. S. Mac Donald en mr. J.F. van Halderen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.J.A. Krips,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 november 2026.