Strafrecht overig

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee bedreigingen en een brandstichting. De verdachte heeft op…

Rechtbank Noord-Holland, 4 november 2026

Zaakgegevens

Op 4 november 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Alkmaar
Datum uitspraak
4 november 2026
Datum publicatie
5 november 2026
Zaaknummer
15/071680-26, 15/069051-26, 15/253446-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:15090
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee bedreigingen en een brandstichting. De verdachte heeft op verschillende momenten medewerkers van de woningbouwvereniging bedreigd. Daarnaast heeft de verdachte een elektrische auto van de woningbouwvereniging in brand gestoken. Gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 131 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Oplegging van bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/071680-26, 15/069051-26, 15/253446-25 (gev ttz) (P)

Uitspraakdatum: 4 november 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 22 juni 2026 en 21 oktober 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres 1] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.P. Peters en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Snel, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

De rechtbank heeft de zaken die bij afzonderlijke dagvaardingen met de bovengenoemde parketnummers zijn aangebracht op de terechtzitting van 22 juni 2026 gevoegd. De rechtbank heeft de in deze dagvaardingen opgenomen feiten ten behoeve van de leesbaarheid van doorlopende nummers voorzien.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

(Parketnummer 15/071680-26)

Feit 1

hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Heiloo opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof, althans een vloeistof, ten gevolge waarvan die auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een laadpaal en/of nabij geparkeerde auto, te duchten was;

subsidiair
hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Heiloo opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 1] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

(Parketnummer 15/069051-26)

Feit 2

hij op of omstreeks 6 maart 2026 te Heiloo, althans in Nederland, [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 2] dreigend de woorden toe te voegen
- "Ik maak je af", en/of
- " [benadeelde 2] RIP, rest in peace", en/of
- "Heb jij die film Caviar gezien? Dan snij ik net als in de film in je kut", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(Parketnummer 15/253466-25)

Feit 3

hij op of omstreeks 17 juni 2025 te Heiloo Woningbouwvereniging [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die Woningbouwvereniging [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen "De emmer is vandaag of morgen een keer helemaal vol. Dan is er helemaal geen [adres 2] meer, en ook geen [adres 2] meer. Dan is er helemaal geen [adres 2] meer. Zo ver kan het gaan bij mij en de woningbouw kan ik ook opblazen hoor", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle (primair) ten laste gelegde feiten.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de onder feit 1 primair ten laste gelegde brandstichting niet bewezen kan worden, omdat er geen gemeen gevaar voor goederen is geweest. Zij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de onder feit 1, subsidiair ten laste gelegde vernieling. De rechtbank zal hierna, voor zover van belang, op het standpunt van de raadsvrouw ingaan.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Bewijsmiddelen

Feit 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair ten laste gelegde brandstichting op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het vonnis gehecht.

Feit 2 en feit 3

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Door of namens de verdachte is ook geen vrijspraak bepleit. Gelet daarop zal voor deze feiten worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen.

3.3.2

Bewijsoverweging feit 1, primair (brandstichting)

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting door het in brand steken van een auto, waarbij gevaar voor goederen te duchten is geweest. Dit wordt hierna nader toegelicht.

De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden. De verdachte heeft op 7 maart 2026 over een geparkeerd staande auto, aan de voorzijde van de auto, spiritus gegooid. Daarna heeft hij deze vloeistof aangestoken met een aansteker. Er heeft een ontbranding plaatsgevonden en de voorzijde van de auto heeft vlamgevat. Op korte afstand van de achterkant van de auto stonden twee laadpalen en op enige afstand van de auto stond een andere auto geparkeerd. De brandweer heeft de door de verdachte in de brand gestoken auto relatief snel kunnen blussen, waardoor de brandschade beperkt bleef tot de voorkant van de auto. Enige beschadiging of vernieling in de nabije omgeving heeft de brandstichting dan ook niet daadwerkelijk gerealiseerd. Niettemin kan ook in een dergelijk geval sprake zijn van gemeen gevaar van goederen. Als de brand later was ontdekt en de auto, inclusief het accupakket, volledig tot ontbranding zou zijn gekomen, zou de dichtst bij de auto staande laadpaal door de hitte vrijwel zeker ernstig zijn beschadigd en onherstelbaar zijn vernield. Het is dan ook voorzienbaar geweest dat het in brand steken van de auto tot gemeen gevaar voor goederen zou (kunnen) leiden. Van enige tegenstrijdigheid over dit punt is, anders dan de raadsvrouw heeft gesteld, de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het gemeen gevaar voor een goed, te weten de dichtstbijzijnde laadpaal, kan worden bewezen.

Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de omvang van de brand zodanig zou zijn geweest dat hiervan ook het gemeen gevaar voor de ten laste gelegde nabij geparkeerde auto te duchten is geweest. De rechtbank zal de verdachte hiervan dan ook partieel vrijspreken.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1 primair:

hij op 7 maart 2026 te Heiloo opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare vloeistof, ten gevolge waarvan een auto gedeeltelijk is verbrand terwijl daarvan gemeen gevaar voor een goed, te weten een laadpaal, te duchten was.

Feit 2:

hij op 6 maart 2026 te Heiloo [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [benadeelde 2] dreigend de woorden toe te voegen
- "Ik maak je af", en/of
- " [benadeelde 2] RIP, rest in peace", en/of
- "Heb jij die film Caviar gezien? Dan snij ik net als in de film in je kut", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Feit 3:

hij op 17 juni 2025 te Heiloo Woningbouwvereniging [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die Woningbouwvereniging [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen "De emmer is vandaag of morgen een keer helemaal vol. Dan is er helemaal geen [adres 2] meer, en ook geen [adres 2] meer. Dan is er helemaal geen [adres 2] meer. Zo ver kan het gaan bij mij en de woningbouw kan ik ook opblazen hoor", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Feit 2 en feit 3: telkens, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 131 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen volgens de officier van justitie de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld. Daarnaast heeft zij verzocht dat de rechtbank het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte bij einduitspraak op zal heffen.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, onder meer gelet op de in positieve zin gewijzigde houding van de verdachte ten opzichte van hulp en interventie van de reclassering, verzocht om een straf op te leggen gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en daar een voorwaardelijke gevangenisstraf van beperkte duur aan te koppelen, zodat de reclassering in dat kader met de verdachte aan de slag kan.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee bedreigingen en een brandstichting. De verdachte heeft op verschillende momenten medewerkers van de woningbouwvereniging bedreigd, nadat hij was aangesproken over overlastmeldingen. Daarnaast heeft de verdachte een elektrische auto van de woningbouwvereniging in brand gestoken. Dit zijn ernstige feiten. Kennelijk kon de verdachte op die momenten niet adequaat omgaan met zijn emoties en enkel reageren met (verbale) agressie. Met de bedreigingen en brandstichting heeft de verdachte voor angst en overlast gezorgd bij de medewerkers die hun werkzaamheden voor de woningbouwvereniging uitoefenden. Dit soort feiten doen afbreuk aan het veiligheidsgevoel in het algemeen en van de slachtoffers in het bijzonder. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [benadeelde 2] blijkt dat de specifieke uitlatingen van de verdachte bij haar en haar gezin gevoelens van angst en stress teweeg hebben gebracht. Bovendien zorgen deze feiten voor gevoelens van onbehagen en onveiligheid in de maatschappij.

Persoonlijke omstandigheden

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, van 9 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor brandstichting en bedreigingen onherroepelijk is veroordeeld. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het door GGZ Fivoor over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 7 oktober 2026. Hieruit volgt dat, na de eerdere reclasseringsadviezen van 7 april 2026 en 3 juni 2026 strekkende tot afdoening zonder oplegging van bijzondere voorwaarden, GGZ Fivoor toch mogelijkheden ziet om de verdachte na een eventuele veroordeling te begeleiden. Die omslag is teweeggebracht door een gewijzigde houding van de verdachte. De verdachte heeft namelijk op 23 juli 2026 op eigen initiatief contact gezocht met GGZ Fivoor. Hij zegt klaar te zijn met zijn oude leven en wil meewerken met het plan van de reclassering, ook als dat een (langdurige) klinische opname betekent. Uit het reclasseringsadvies volgt verder dat de verdachte dakloos is geraakt, geen dagbesteding heeft en zijn alcohol- en sporadische harddrugsgebruik zorgen baren. Het risico op algemene recidive wordt dan ook ingeschat als hoog. De reclassering ziet aanknopingspunten om de verdachte te begeleiden onder de volgende bijzondere voorwaarden:

  • meldplicht bij de reclassering;

  • opname in een zorginstelling;

  • ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;

  • verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

  • dagbesteding; en

  • beheersing van het middelengebruik.

Ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte is aangemeld voor een detoxificatieperiode bij de Piet Roorda Kliniek in Zutphen en dat hij vervolgens – na afstemming tussen de klinieken – kan instromen bij de FPA Heiloo. De verdachte heeft aangegeven zich aan de voorwaarden te zullen houden en zich bovendien bewust getoond van de noodzaak van een gemotiveerde houding binnen het voorgestelde reclasseringstraject.

De op te leggen straf

De rechtbank meent dat gelet op de ernst en aard van de bewezenverklaarde feiten in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Niettemin ziet de rechtbank in het door de reclassering geadviseerde kader een kans voor de verdachte om met behulp en onder begeleiding een positieve wending aan zijn leven te geven. Nu de verdachte op korte termijn kan worden opgenomen voor detoxificatie en klinische behandeling, vindt de rechtbank het niet langer passend een straf op te leggen als gevolg waarvan hij weer terug naar de gevangenis zou moeten. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen opleggen. De rechtbank zal daarbij echter bepalen dat 131 dagen daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden worden verbonden.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal gelet op de op te leggen straf het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen.

7 Vorderingen benadeelde partijen

7.1

Benadeelde partij [benadeelde 2]

Namens de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft mr. B.W.C.J. de Bruijn een vordering tot schadevergoeding van € 1.200,- aan immateriële schade ingediend, welke schade zij als gevolg van de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit geestelijk letsel. Daarnaast heeft de benadeelde partij proceskosten tot een bedrag van € 1.042,- gevorderd.

7.1.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht dat de rechtbank de vordering in zijn geheel toewijst, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde proceskosten kunnen ook worden toegewezen.

7.1.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gemotiveerd verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, omdat er geen grond is waarop het recht tot vergoeding van schade kan worden gebaseerd. Ten aanzien van de gevorderde proceskosten heeft de raadsvrouw primair aangevoerd dat de benadeelde partij zich ook gratis juridisch had kunnen laten bijstaan. Subsidiair meent zij dat de berekening van de proceskosten te hoog is ingeschat.

7.1.3

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. De benadeelde partij heeft daartoe gesteld dat zij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte langdurig gevoelens van angst en onveiligheid heeft ervaren.

De rechtbank stelt voorop dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel zal de benadeelde moeten onderbouwen met objectieve stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om aannemelijk te achten dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde (de bedreiging). De benadeelde partij heeft geen stukken verstrekt waaruit blijkt dat zij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor haar heeft gehad. Van een uitzonderlijke situatie, waarin geen onderbouwing nodig is, is geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad. Meer of minder sterk psychisch onbehagen, zoals in het onderhavige geval, is geen geestelijk letsel en levert (op zichzelf) geen grond op voor vergoeding van immateriële schade. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij daarom afwijzen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de benadeelde partij gevorderde proceskosten ook afwijzen.

7.2

Benadeelde partij [benadeelde 1]

Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft mr. B.W.C.J. de Bruijn een vordering tot schadevergoeding van € 7.111,87,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde brandstichting zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit:

  1. Beveiliging [bedrijf 1] ter hoogte van € 2.223,38;

  2. Beveiliging [bedrijf 2] ter hoogte van € 4.642.49;

  3. Camerasysteem bij [benadeelde 2] ter hoogte van € 246,-.

Daarnaast heeft de benadeelde partij proceskosten ter hoogte van € 1.042,- gevorderd.

7.2.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht dat de rechtbank de vordering in zijn geheel toewijst. De gevorderde proceskosten kunnen ook worden toegewezen.

7.2.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gemotiveerd verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze niet voldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde proceskosten heeft de raadsvrouw primair aangevoerd dat de berekening van de proceskosten te hoog is ingeschat.

7.2.3

Oordeel van de rechtbank

Schadepost 1: Beveiliging door [bedrijf 1]

De benadeelde partij heeft ten aanzien van deze post naar voren gebracht dat de in de periode van 9 tot en met 11 maart 2026 gemaakte kosten noodzakelijk waren voor het waarborgen van de veiligheid van haar medewerkers. De rechtbank volgt deze redenering niet. De verdachte bevond zich immers in voorlopige hechtenis gedurende de periode dat de benadeelde partij dit beveiligingsbedrijf heeft ingehuurd. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

Schadepost 2: Beveiliging door [bedrijf 2]

De benadeelde partij heeft ook ten aanzien van deze post naar voren gebracht dat de gemaakte kosten noodzakelijk waren voor het waarborgen van de veiligheid van haar medewerkers. Hiertoe hebben ze nader aangevoerd dat de vrijlating van de verdachte – de verdachte werd op 24 juni 2026 geschorst onder voorwaarden – risico’s op confrontaties en verdere intimiderende gedragingen met zich meebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd waarom de genomen nadere veiligheidsmaatregelen noodzakelijk waren. De rechtbank heeft in haar schorsingsbeslissing juist aangegeven dat gelet op de te verbinden algemene en bijzondere voorwaarden het recidiverisico voldoende ingeperkt was. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Schadepost 3: Camerasysteem bij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft ten behoeve van werknemer [benadeelde 2] een camerasysteem aangeschaft en laten installeren op haar privéadres. Het camerasysteem is aangeschaft op 27 mei 2026. Deze veiligheidsmaatregel werd door de benadeelde partij noodzakelijk geacht vanwege de specifieke en nadrukkelijke focus die de verdachte op werknemer [benadeelde 2] zou hebben ontwikkeld.

De rechtbank stelt voorop dat alleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij haar vordering heeft gegrond op de bewezenverklaarde brandstichting. De benadeelde partij heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen de gevorderde kosten voor de aanschaf van een camerasysteem en die brandstichting. Daarnaast gaat het om een juridisch complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die niet-ontvankelijk zijn, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de benadeelde partij gevorderde proceskosten ook afwijzen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- 14a, 14b, 14c, 57, 63, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de onder 3.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) dagen;

beveelt dat van deze gevangenisstraf 131 (honderdeenendertig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- Meldplicht

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering GGZ Reclassering Fivoor, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering neemt contact op met de veroordeelde voor de eerste afspraak.

- Opneming in een zorginstelling

dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling.

De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

- Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door GGZ en Brijder Verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/

crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

- Dagbesteding

dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

- Beheersing middelengebruik

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.;

geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot vergoeding van schade van benadeelde partij [benadeelde 2] af;

wijst de vordering ten aanzien van de gevraagde proceskosten van benadeelde partij [benadeelde 2] af;

wijst de vordering tot vergoeding van gevorderde schade van benadeelde partij [benadeelde 1] , voor zover het betreft de gevorderde schade tot een bedrag van € 2.223,38, af;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

wijst de vordering ten aanzien van de gevraagde proceskosten van benadeelde partij [benadeelde 1] af; en

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Mac Donald, voorzitter,

mr. G.M.G. Hink en mr. J.F. van Halderen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.J.A. Krips,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 november 2026.