Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBNHO:2026:6757

Op 9 June 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15/054003-26 en 15/249688-24 (tul), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:6757. De plaats van zitting was Haarlem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15/054003-26 en 15/249688-24 (tul)
Datum uitspraak:
9 June 2026
Datum publicatie:
9 June 2026

Indicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren voor diefstal in een woning en een poging daartoe, diefstal van geld met gestolen bankpas en vernieling van een raam. Vanwege het recidiverisico en de persoonlijke problematiek van de verdachte, vindt de rechtbank het van belang dat hij hulp en begeleiding krijgt, waaronder het ondergaan van een klinische behandeling in een zorginstelling. Verlenging proeftijd met een jaar van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/054003-26 en 15/249688-24 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 9 juni 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 en 26 mei 2026 in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboortedatum] (Somalië),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. R. Visser, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.W. Kuijpers, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 hij op of omstreeks 5 februari 2026 te Haarlem, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten [adres A] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een jas, een telefoon en twee bankpassen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer A] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 2 hij op of omstreeks 5 februari 2026 te Haarlem geld (EUR 28,-), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer A] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door geld te pinnen met de gestolen bankpas;

feit 3 hij op of omstreeks 15 februari 2026 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres B] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een rugzak, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer B] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen- zich toegang heeft verschaft tot de berging van de woning, en/of- (vervolgens) de fietstassen en/of rugzak heeft doorzocht,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

feit 4 hij op of omstreeks 20 februari 2026 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk het glas van een deur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Basisschool [naam school] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

2
Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich voor de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu de verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

feiten 1 en 2

de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 mei 2026 afgelegd;

een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] opgemaakt op 5 februari 2026 (dossierpagina 8 t/m 10).

feit 3

de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 mei 2026 afgelegd;

een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B] opgemaakt op 15 februari 2026 (dossierpagina 42 t/m 43).

feit 4

de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 mei 2026 afgelegd;

een proces-verbaal van aangifte van [aangever C] opgemaakt op

20 februari 2026 (dossierpagina 67 t/m 69).

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat

feit 1 hij op 5 februari 2026 te Haarlem, in een woning, [adres A] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond een jas, een telefoon en twee bankpassen die aan [slachtoffer A] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 2 hij omstreeks 5 februari 2026 te Haarlem geld (EUR 28,-) dat aan [slachtoffer A] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door geld te pinnen met de gestolen bankpas;

feit 3 hij op 15 februari 2026 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning, [adres B] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een rugzak, in elk geval enig goed, die/dat aan [slachtoffer B] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen- zich toegang heeft verschaft tot de berging van de woning, en - vervolgens de fietstassen en rugzak heeft doorzocht,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 4 hij op 20 februari 2026 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk het glas van een deur die aan Basisschool [naam school] toebehoorde heeft vernield.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt

feit 2

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

feit 3

poging diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt

feit 4

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6
Motivering van de sanctie
6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Bij zijn eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat de verdachte ten tijde van de uitspraak ongeveer 3,5 maand in detentie zal verblijven en er voor plaatsing van de verdachte in een (overbruggings)kliniek in het kader van de geadviseerde klinische opname zes weken nodig zijn.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw vindt het van belang dat de in het reclasseringsadvies genoemde bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Gelet op de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, heeft zij verzocht aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van 5 maanden en daarnaast nog een voorwaardelijk deel, waaraan de bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal uit een woning, waarbij hij meerdere goederen heeft weggenomen waaronder twee bankpassen (feit 1). Vervolgens heeft hij één van de weggenomen bankpassen gebruikt om een geldbedrag contactloos te pinnen (feit 2). Verder heeft de verdachte tijdens de nachtelijke uren een poging gedaan tot diefstal uit berging van een woning (feit 3) en is hij tijdens schooltijd een basisschool binnengegaan waarbij hij het glas van een deur heeft vernield (feit 4). Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendom en financiële schade veroorzaakt. Ook heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangevers van feiten 1 en 3 door zonder toestemming hun woning te betreden. Het betreden van een basisschool met minderjarigen waarbij vervolgens het glas van een deur door de verdachte is vernield, tast ook het gevoel van veiligheid aan.

Persoon van de verdachte

Uit het strafblad van de verdachte van 10 april 2026 volgt dat hij in de afgelopen vijf jaren eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Dit heeft de verdachte er niet van weerhouden zich wederom schuldig te maken aan strafbare feiten. Op het moment van het plegen van de onderhavige strafbare feiten liep de verdachte bovendien in een proeftijd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Fivoor van 7 mei 2026 waaruit naar voren komt dat de verdachte op verschillende leefgebieden problemen heeft. Hij heeft geen vaste woon- en verblijfplaats, staat onder bewind en er is sprake van een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis. Ook is de verdachte afhankelijk van cannabis, cocaïne en alcohol. Er is een lopende zorgmachtiging en hij heeft contact met de reclassering in het kader van een eerdere voorwaardelijke veroordeling. Zolang de verdachte middelen gebruikt worden de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden als hoog ingeschat. Dit beeld wordt bevestigd doordat de verdachte zich niet goed houdt aan de reeds geldende voorwaarden. Zo verzaakt hij zijn meldplicht en scoort hij positief bij middelencontroles.

De reclassering concludeert dat de huidige voorwaarden ontoereikend zijn en adviseert een langdurige klinische opname. Gelet op het risico op een terugval in het gebruik van middelen, schat de reclassering de kans van slagen van een klinische opname het grootst in wanneer de verdachte aansluitend aan detentie wordt opgenomen in een kliniek. Daarom adviseert de reclassering het voorwaardelijk strafdeel dat bij vonnis van 27 februari 2025 in de zaak met parketnummer 15/249688-24 is opgelegd ten uitvoer te leggen en de verdachte voor de onderhavige feiten een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hierdoor heeft de reclassering de mogelijkheid aansluitend aan detentie de langdurige klinische opname te realiseren.

Op te leggen straf

Gelet op de veelvuldige recidive, het recidiverisico en de persoonlijke problematiek van de verdachte zoals uit het reclasseringsadvies blijkt, vindt de rechtbank het van belang dat hij hulp en begeleiding krijgt. De rechtbank is daarom van oordeel dat opname in een zorginstelling noodzakelijk is. De verdachte heeft op zitting ook aangegeven dat hij hulp nodig heeft om zijn leven weer op de rails te krijgen en hij is gemotiveerd om hulp te aanvaarden. Daarbij verenigt de rechtbank zich met de inschatting van de reclassering dat de kans van slagen van een klinische opname het grootst is wanneer de verdachte aansluitend aan detentie wordt opgenomen in een kliniek.

Al het voorgaande overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 8 maanden passend en geboden. De rechtbank zal daarvan 2 maanden in voorwaardelijke vorm opleggen met een proeftijd van 2 jaar en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen wettelijke grondslag om, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, te bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Daarvoor is vereist dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte weer een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Anders dan de officier van justitie tijdens de zitting heeft gesteld kan het vierde feit dat bewezen is verklaard niet worden aangemerkt als een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dat feit ziet (enkel) op de vernieling van een goed.

7
Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 27 februari 2025 in de zaak met parketnummer 15/249688-24 heeft deze rechtbank de verdachte voor meerdere diefstallen veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Bij het voorwaardelijk strafdeel is de proeftijd op 2 jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De genoemde proeftijd is ingegaan op 14 maart 2025.

7.1

Standpunt van de officier van justitie

Op de zitting heeft de officier van justitie ten aanzien van de aangebrachte vordering tot tenuitvoerlegging verzocht de proeftijd met 1 jaar te verlengen, waarbij ook de bijzondere voorwaarden worden gewijzigd in die zin dat een klinische opname als bijzondere voorwaarde wordt toegevoegd.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht niet over te gaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel en zich voor de verlenging van de proeftijd en de wijziging van de bijzondere voorwaarden gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt nieuwe strafbare feiten, als bewezen verklaard in deze zaak en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De rechtbank ziet in de persoon van de verdachte en de aan hem op te leggen straf echter aanleiding de proeftijd met 1 jaar te verlengen en de bijzondere voorwaarden te wijzigen zoals door de officier van justitie gevorderd.

8
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9
Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 (twee) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. Meldplicht bij de reclassering

de verdachte zich meldt gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.

2. Opname in een zorginstelling

de verdachte zich tijdens de proeftijd voor maximaal een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

3. Ambulante behandeling

de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

4. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

5. Beheersing middelengebruik

de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verlengt de proeftijd die bij vonnis van deze rechtbank in de zaak met parketnummer 15/249688-24 is opgelegd, verbonden aan de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden, met 1 (één) jaar;

Wijzigt de bijzondere voorwaarden, verbonden aan de bij dat vonnis aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, in die zin door daaraan toe te voegen:

Opname in een zorginstelling

de verdachte zich tijdens de proeftijd voor maximaal een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.E.A. Chao, voorzitter,

mr. M. Hoendervoogt en mr. N. Culafic, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. L.P. van Os,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juni 2026.