Strafrecht overig

Verstek. Diefstal, gevolgd van geweld tegen twee personen. De verdachte heeft goederen gestolen uit de…

Rechtbank Noord-Holland, 23 juni 2026

Zaakgegevens

Op 23 juni 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Alkmaar
Datum uitspraak
23 juni 2026
Datum publicatie
23 juni 2026
Zaaknummer
15/039103-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:7501
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verstek. Diefstal, gevolgd van geweld tegen twee personen. De verdachte heeft goederen gestolen uit de supermarkt. Toen hij door een medewerker van de supermarkt daarop werd aangesproken, heeft hij de medewerker met meerdere vuistslagen op het hoofd geraakt. Zelfs toen deze medewerker weerloos op de grond lag, bleef hij slaan. Een andere medewerker heeft geprobeerd de verdachte weg te trekken bij haar collega. De verdachte heeft toen ook haar geslagen, waardoor zij is gevallen. Oplegging ISD-maatregel voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van voorarrest. Vorderingen benadeelde partijen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/039103-26

Uitspraakdatum: 23 juni 2026

Verstek

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 18 mei en 9 juni 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres],

nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad (PPC).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. R. Funke Küpper.

1 Tenlastelegging

De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij een diefstal heeft gepleegd in de gemeente Dijk en Waard op 4 februari 2026, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2].

De volledige tekst van de tenlastelegging is in bijlage I bij dit vonnis opgenomen.

2 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2

Oordeel van de rechtbank

3.2.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen.

3.3

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 4 februari 2026 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard, verschillende winkelgoederen die aan de Aldi toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2];
- tegen het oor te slaan en/of;
- meerdere malen tegen het hoofd en het lichaam te slaan.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) op te leggen voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan alle vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel is voldaan en de maatregel is ook passend. De officier van justitie houdt bij haar vordering rekening met het omvangrijke strafblad van de verdachte en dat het recidivegevaar hoog is.

6.2

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van het feit

De verdachte heeft goederen gestolen uit de supermarkt. Toen hij door een medewerker van de supermarkt daarop werd aangesproken, heeft hij de medewerker met meerdere vuistslagen op het hoofd geraakt. Zelfs toen deze medewerker weerloos op de grond lag, bleef hij slaan. Een andere medewerker heeft geprobeerd de verdachte weg te trekken bij haar collega. De verdachte heeft toen ook haar geslagen, waardoor zij is gevallen. De verdachte is vervolgens over de twee op de grond liggende medewerkers heengestapt en de winkel uitgegaan.

De verdachte heeft puur uit eigen gewin gehandeld en daarbij fysiek geweld niet geschuwd. Hij heeft zich op geen enkel moment bekommerd om het welzijn van zijn slachtoffers en de staat waarin hij hen heeft achtergelaten.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad van 26 mei 2026, waaruit blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar veelvuldig is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Dat dit de verdachte er niet van heeft weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen, rekent de rechtbank hem aan.

Hiernaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 1 april 2026 van [reclasseringswerker]. In dit rapport adviseert de reclassering om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaar. De verdachte is niet met de reclassering in gesprek gegaan. Vanwege de weigerende houding van de verdachte is het voor de reclassering onmogelijk om een plan van aanpak op te stellen. Ook uit eerdere trajecten volgt dat verdachte nauwelijks heeft willen meewerken met de reclassering. De reclassering schat het recidiverisico en het risico op onttrekken aan voorwaarden als hoog in. De reclassering acht het van belang dat de verdachte – gelet op zijn psychische en verslavingsproblematiek – opnieuw diagnostisch wordt onderzocht, zodat voor hem een passend (klinisch) hulpverleningstraject kan worden ingezet.

De rechtbank heeft [reclasseringswerker] op zitting als deskundige gehoord. Zij heeft het advies om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, gemotiveerd gehandhaafd.

Oplegging onvoorwaardelijke ISD-maatregel

De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de reclassering en acht oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar passend en geboden.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Immers betreft het door de verdachte begane feit (diefstal met geweld) een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is de afgelopen vijf jaar ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen en de feiten zijn begaan na volledige tenuitvoerlegging hiervan. Er moet, zoals blijkt uit de rapportage van de reclassering, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Verder vereist de veiligheid van personen en goederen de oplegging van de maatregel. Eerdere, andere opgelegde strafmodaliteiten hebben niet kunnen voorkomen dat de verdachte blijft recidiveren en bovendien blijkt uit het reclasseringsrapport dat het gedrag van de verdachte steeds agressiever en onvoorspelbaarder lijkt te worden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen passende alternatieven voor de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, ook omdat de verdachte weigert om met de reclassering in gesprek te gaan.

Duur ISD-maatregel

Uit het advies van de reclassering en de toelichting daarop blijkt dat het van belang is dat er bij de verdachte opnieuw diagnostisch onderzoek plaatsvindt, zodat er voor hem een passend (klinisch) hulpverleningstraject wordt ingezet, wat zou kunnen bijdragen aan stabilisatie van zijn leefsituatie en ter voorkoming van recidive. Het is daarom van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. De rechtbank zal de onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen, zonder aftrek van voorarrest.

7. De vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte van in totaal € 1.500 aan immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

Het oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde geweld, nu uit de aangifte blijkt dat hij diverse vuistslagen in het gezicht heeft gehad en een stijve nek had. Gelet op (i) de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en (ii) de bedragen genoemd in de Rotterdamse Schaal, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.100 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij tot dat bedrag toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van de diefstal met geweld reden om voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

7.2

De vordering van [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte van in totaal € 450,00 aan materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit een bril die de verdachte van de benadeelde partij haar hoofd zou hebben geslagen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Uit het dossier blijkt niet dat de benadeelde partij al een nieuwe bril heeft aangeschaft, waardoor toepassing van de wettelijke rente achterwege dient te blijven.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. De verdachte heeft de benadeelde partij op het oor geslagen, waardoor haar bril van haar hoofd is gevallen. Ondanks dat niet kan worden vastgesteld of en wanneer de benadeelde partij een nieuwe bril heeft aangeschaft, staat op grond van het dossier vast dat haar bril op 4 februari 2026 is beschadigd en zij per die datum schade heeft geleden. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van de diefstal met geweld reden om voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 38m, 38n en 312 Sr.

9 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit de hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;

Benadeelde partij [benadeelde 1]

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van € 1.100 (zegge: duizendhonderd euro), bestaande uit immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.100 (zegge: duizendhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij geldt dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

Benadeelde partij [benadeelde 2]

wijst de vordering van [benadeelde 2] geheel toe tot een bedrag van € 450,00 (zegge: vierhonderdvijftig euro), bestaande uit materiële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 450,00 (zegge: vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij geldt dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.M. Hendriks, voorzitter,

mr. I.A.M. Tel en mr. F.H.B. Budde, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 juni 2026.

Bijlage I – de tenlastelegging

hij, op of omstreeks 4 februari 2026 te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard verschillende winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Aldi, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2];
- een of meerdere malen tegen het oor en/of in het gezicht te slaan en/of te stompen en/of;
- een of meerdere malen tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen.