Strafrecht overig

MK Jeugdstraf. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van overtreding van artikel 6 WVW en veroordeelt de…

Rechtbank Noord-Holland, 7 april 2026

Zaakgegevens

Op 7 april 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
7 april 2026
Datum publicatie
2 juli 2026
Zaaknummer
15/292560-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:8046
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

MK Jeugdstraf. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van overtreding van artikel 6 WVW en veroordeelt de verdachte voor overtreding van artikel 5 WVW. De rechtbank oordeelt dat de verdachte onvoorzichtig heeft gehandeld, maar dat deze inschattingsfout, gezien de aard en de ernst van de concrete verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan, niet valt aan te merken als aannmerkelijk onvoorzichtig gedrag. Overwegingen over de vordering benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Haarlem

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/292560-25

Uitspraakdatum: 7 april 2026

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting met gesloten deuren van 24 maart 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] .

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:

  • de verdachte en zijn raadsman, mr. V. Mes, advocaat te Hoorn,

  • [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad),

naar voren hebben gebracht.

Verder waren aanwezig de vader van de verdachte, [de gemachtigde van de benadeelde partij] , gemachtigde van de benadeelde partij, en de partner ( [de partner] ) en zoon ( [de zoon] ) van de benadeelde partij.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 25 april 2025 te Hoorn
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een fiets, daarmede rijdende over de weg, [weg] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- dichtbij de rechtst gelegen splitsing met de [straat] een voor hem rijdende fietsster in te halen en/of
- (vervolgens) abrupt en/of zonder richting aan te geven rechtsaf te slaan die [straat] in en/of
- (daarbij) in aanraking te komen met die rechtdoor rijdende fietsster die daardoor met grote impact ten val komt en waardoor aan die fietsster (genaamd [de benadeelde partij] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten traumatisch bloed in het hoofd en een schedelbreuk, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 25 april 2025 te Hoorn als bestuurder van een voertuig (fiets), daarmee rijdende op de weg, [weg] , dichtbij de splitsing met de [straat] een voor hem rijdende fietsster is gaan inhalen en meteen daarna rechtsaf die [straat] is ingeslagen en bij dat afslaan in aanraking is gekomen met die rechtdoor rijdende fietsster die daardoor ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is – voor zover hier van belang – vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Feiten en omstandigheden

De verdachte, bekend met de verkeerssituatie ter plaatse, fietste op 25 april 2025 omstreeks 12:46 uur op [weg] in Hoorn, in de richting van de [straat] . Het slachtoffer fietste ook op [weg] , in dezelfde richting als de verdachte. Voor het kruispunt met de [straat] haalde de verdachte het slachtoffer in. Op het kruispunt met de [straat] sloeg de verdachte rechtsaf, de [straat] in. Het achterwiel van de fiets van de verdachte en het voorwiel van de fiets van het slachtoffer raakten elkaar daarbij. Hierdoor kwam het slachtoffer ten val en heeft zij (ernstig) letsel opgelopen.

De rechtbank heeft de camerabeelden van het ongeval op de zitting afgespeeld en bekeken. Op deze camerabeelden (genaamd: Clip (April 25 2025 at 1244 PM)) heeft de rechtbank het volgende waargenomen.

De verdachte fietst aan de linkerzijde van het slachtoffer om haar in te halen. De verdachte maakt bij de kruising met de [straat] een ruimere bocht en slaat rechtsaf. De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte voor/bij het afslaan omkijkt. De rechtbank kan evenmin vaststellen dat de verdachte daarbij zijn hand(en) uitsteekt. Het slachtoffer lijkt rechtdoor te willen fietsen en komt op de kruising ten val op het moment dat haar voorwiel de achterzijde van de fiets van de verdachte aan de rechterzijkant raakt. Op dat moment staat het stuur van de fiets van de verdachte (nog) niet recht en bevindt hij zich (nog) niet volledig in de [straat] .

3.3.2.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of zij wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden met (zwaar) lichamelijk letsel als gevolg, zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna te noemen: WVW).

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW in de eerste plaats een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval en vervolgens ook tussen het ongeval en het ontstane letsel (dubbele causaliteit). Van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW is verder pas sprake bij minimaal een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of sprake is van een dergelijke (mate van) schuld hangt volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het moet gaan om een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid van de verdachte. Een lichtere vorm van schuld is onvoldoende. Niet elk tekortschieten, oftewel niet elke verkeersovertreding, is voldoende voor het aannemen van schuld. Bij het vaststellen van onvoorzichtigheid gaat het om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel zijn rijgedrag (aanmerkelijk) onder de maat is gebleven in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. In de rechtspraak van de Hoge Raad over schuld is verder tot uitdrukking gebracht dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in voornoemde zin.

De rechtbank komt op grond van de onder 3.3.1. beschreven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel dat uit het strafdossier niet kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

De verdachte, destijds werkzaam als fietsbezorger in Hoorn en bekend met de verkeerssituatie ter plaatse, wist dat hij bij de kruising tussen [weg] en de [straat] rechtsaf moest slaan. Kort na het inhalen van het slachtoffer, is de verdachte met een ruime bocht de [straat] ingeslagen. Pas aan het einde van de afslaande gedraging is de verdachte met het slachtoffer in botsing is gekomen, als gevolg waarvan het slachtoffer is gevallen. De verdachte heeft – achteraf bezien ten onrechte – in de veronderstelling verkeerd dat hij het slachtoffer na het inhalen voldoende was gepasseerd, zodat hij met zijn fiets rechtsaf kon slaan zonder daarmee het slachtoffer in gevaar te brengen. Door zo te handelen heeft de verdachte onvoorzichtig gehandeld. De rechtbank is echter van oordeel dat deze inschattingsfout van een (15-jarige) fietser, gezien de aard en de ernst van de concrete verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan, niet valt aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag. Dat de verdachte mogelijk niet zijn hand heeft uitgestoken naar rechts, doet hier niet aan af en heeft geen invloed (gehad) op de verwijtbaarheid van het plaatsvinden van het verkeersongeval. Van andere gedragingen van de verdachte die, in combinatie met de genoemde inschattingsfout en bezien in de gegeven omstandigheden ter plaatse, zijn aan te merken als zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend gedrag, is de rechtbank niet gebleken. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.

3.3.3.

Bewijsoverweging bij het subsidiair ten laste gelegde feit

Op grond van de bewijsmiddelen die bij dit vonnis in de bijlage zijn vervat komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt daartoe dat de verdachte door zijn handelen concreet gevaar op de weg heeft veroorzaakt, welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:

hij op 25 april 2025 te Hoorn als bestuurder van een fiets, daarmee rijdende op de weg, [weg] , dicht bij de splitsing met de [straat] een voor hem rijdende fietsster is gaan inhalen en meteen daarna rechtsaf die [straat] is ingeslagen en bij dat afslaan in aanraking is gekomen met die rechtdoor rijdende fietsster die daardoor ten val is gekomen, door welke gedragingen van de verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging zijn verbeterd. Volgens wat op de zitting is besproken, is de verdachte hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders aan de verdachte ten laste is gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden, waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 60 (zestig) uren.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit de verdachte schuldig te verklaren voor het subsidiair ten laste gelegde feit zonder oplegging van enige straf of maatregel.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beslissing over het al dan niet opleggen van een straf rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals uit het onderzoek op de zitting is gebleken.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft gevaar op de weg veroorzaakt, waardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden en het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen. Dit is voor alle betrokkenen een ingrijpende gebeurtenis geweest, in het bijzonder voor het slachtoffer. Zoals blijkt uit de slachtofferverklaring is haar leven sinds 25 april 2025 volledig veranderd.

De rechtbank houdt rekening met het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 februari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dit betekent dat de verdachte is aan te merken als een first offender.

Ook houdt de rechtbank rekening met het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 17 maart 2026 van de Raad. Uit dit rapport blijkt onder meer dat de verdachte zich leeftijdsadequaat ontwikkelt. Er zijn geen zorgen over zijn thuissituatie, schoolgang en vrijetijdsbesteding. Het herhalingsgevaar wordt daarom als (heel) laag ingeschat. Mocht de verdachte worden veroordeeld, dan adviseert de Raad tot oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf.

De Raad heeft het advies op de zitting gehandhaafd.

Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit komt, zal de rechtbank een andere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank houdt daarbij rekening met straffen die in (tot op zeker hoogte) vergelijkbare gevallen doorgaans worden opgelegd.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren moet worden opgelegd.

De rechtbank zal daarbij bepalen dat deze werkstraf binnen een termijn van negen maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1.

Vordering van [de benadeelde partij]

Namens de benadeelde partij [de benadeelde partij] is door haar gemachtigde [de gemachtigde van de benadeelde partij] een vordering tot schadevergoeding van € 42.127,53 tegen de verdachte ingediend, bestaande uit materiële schade en affectieschade, die de benadeelde partij en haar naasten als gevolg van het ten laste gelegde feit zouden hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De gestelde materiële schade van € 7.127,53 bestaat uit:

Fietsschade:

€ 255,34

Kosten opname:

€ 779,-

opname ziekenhuis

€ 304,-

opname Heliomare

€ 475,-

Medische kosten:

€ 589,69

slaapmedicatie partner

€ 43,11

littekencrème

€ 32,23

nota tandarts

€ 514,35

Mobiliteitsschade:

€ 1.285,85

bezoeken ziekenhuis

€ 290,73

parkeerkosten AMC

€ 60,-

Dijklander ziekenhuis

€ 83,16

bezoeken Heliomare

€ 580,80

Zwaag Heliomare

€ 181,50

reiskosten Heliomare

€ 72,60

Dijklander en parkeerkosten

€ 17,06

Huishoudelijke hulp:

€ 1.900,-

Diversen:

€ 2.317,65

kledingschade

€ 275,-

besteld eten

€ 147,32

kosten zonder nut

€ 447,90

ketting

€ 62,48

geboortefotograaf

€ 1.195,-

geluiddempers

€ 189,95

De gestelde affectieschade van € 35.000,- bestaat uit:

affectieschade partner: [de partner]

€ 17.500,-

affectieschade stiefzoon: [de zoon]

€ 17.500,-

Naast deze posten heeft de benadeelde partij nog een aantal schadeposten pro memorie opgegeven.

7.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij, kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de officier van justitie twijfelt of de kosten voor de geboortefotograaf rechtstreeks verband houden met het strafbare feit.

7.3.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is, met uitzondering van de posten met betrekking tot de fietsschade en de kosten voor opname in het ziekenhuis, gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering tot schadevergoeding. Waar nodig zal de rechtbank hierna ingaan op de door de verdediging gevoerde verweren.

7.4.

Oordeel van de rechtbank

Fietsschade en opname ziekenhuis

De vordering tot vergoeding van de fietsschade en de kosten van de opname in het ziekenhuis zijn voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van deze schadeposten daarom volledig toe.

Opname Heliomare

Uit het dossier en het onderzoek op de zitting blijkt dat de benadeelde partij tijdens de opname bij Heliomare twee weekenden thuis heeft verbleven, in het kader van verlof. Met de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat de vordering tot vergoeding van de kosten van de opname in Heliomare moet worden gematigd tot € 399,- (te weten: 21 dagen x € 19,-). De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van deze schadepost tot dit bedrag toe en wijst de vordering tot vergoeding van deze schadepost voor het meerdere af.

Slaapmedicatie partner, tandarts en ketting

De vordering tot vergoeding van de deze schadeposten is door de verdediging betwist. Gelet op deze betwisting is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.

Littekencrème

Het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de littekencrème (€ 14,99 + € 11,25 = € 26,24) is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van deze schade daarom toe tot een bedrag van € 26,24. De rechtbank verklaart dat de benadeelde partij in het andere deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat onvoldoende is aangetoond en wel gemotiveerd is betwist, dat deze schadepost in rechtstreeks verband staat tot het bewezen verklaarde feit.

Mobiliteitsschade

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende vast is komen te staan dat deze schade door de benadeelde partij is geleden. Evenmin is onderbouwd of, en zo ja, welk deel van de gevorderde schade als verplaatste schade kan worden aangemerkt. Daargelaten dat de vordering op dit punt door de raadsman is betwist. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering.

Huishoudelijke hulp

De benadeelde partij heeft haar vordering op dit punt gebaseerd op De Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp van de Letselschade Raad. Op grond van voornoemde richtlijn is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij een vergoeding van € 1.165,- (te weten: 50% x € 233,- x 10 weken) toekomt. Nu niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat sprake is van een gezin met inwonende kinderen ouder dan vijf jaar, heeft de rechtbank zich gebaseerd op het normbedrag voor een tweepersoonshuishouden. De vordering zal daarom voor het overige worden afgewezen.

Kledingschade

Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting blijkt in voldoende mate dat de benadeelde partij schade heeft gehad aan haar kleding als gevolg van het bewezen verklaarde feit. Omdat de benadeelde partij geen aankoopbewijzen heeft overgelegd, zal de rechtbank de geleden schade schatten op een bedrag van € 275,- en de vordering in zoverre, als onvoldoende betwist, toewijzen.

Besteld eten, kosten zonder nut en geboortefotograaf

De rechtbank merkt op dat alleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit voor vergoeding in aanmerking komt. In dit geval is voor deze schadeposten naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een rechtstreeks verband tussen het bewezen verklaarde feit en de gestelde schade. De rechtbank wijst de vordering daarom op deze onderdelen af.

Geluiddempers

De vordering tot vergoeding van de kosten voor de geluiddempers is door de benadeelde partij onder verwijzing naar een aankoopnota voldoende onderbouwd. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier en het onderzoek op zitting genoegzaam is gebleken dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden door het strafbare feit. De rechtbank wijst de vordering daarom toe tot het gevorderde bedrag van € 189,95.

Affectieschade

De rechtbank merkt op dat een verzoek tot vergoeding van affectieschade moet worden ingediend en ondertekend door of namens degene(n) die de schade hebben geleden. Uit het verzoek tot schadevergoeding leidt de rechtbank af dat [de benadeelde partij] zelf, via haar gemachtigde, om vergoeding van de affectieschade voor de twee getroffenen verzoekt. Nu niet is gebleken dat de schade is gevorderd door of namens de getroffenen zelf, te weten door of namens de heren [de partner en de zoon] , zal de rechtbank de benadeelde partij [de benadeelde partij] reeds hierom niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.

Pro memorie schadeposten

Deze posten zijn door de benadeelde partij op de zitting niet nader geconcretiseerd, daarom zal de vordering ten aanzien van deze posten niet-ontvankelijk worden verklaard.

Conclusie

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat een totaalbedrag van € 2.614,53 voor de geleden materiële schade moet worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum waarop de schade is geleden tot aan de dag der algehele voldoening. De ingangsdatum staat per schadepost vermeld onder 9. Beslissing. De rechtbank zal, zoals hiervoor overwogen, de vordering voor het meerdere afwijzen of de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt, worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994) aanleiding voor het toegewezen deel van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Van toepassing zijn de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m en 77n van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen een termijn van 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij] geleden materiële schade tot een bedrag van € 2.614,53, bestaande uit:

  • fietsschade € 255,34, ingangsdatum wettelijke rente 16 september 2025;

  • opname ziekenhuis € 304,-, ingangsdatum wettelijke rente 31 april 2025;

  • opname Heliomare € 399,-, ingangsdatum wettelijke rente 18 mei 2025;

  • littekencrème € 26,24, ingangsdatum wettelijke rente 23 september 2025;

  • huishoudelijke hulp € 1.165,-, ingangsdatum wettelijke rente 30 mei 2025;

  • kledingschade € 275,-, ingangsdatum wettelijke rente 25 april 2025;

  • geluidsdempers € 189,95, ingangsdatum wettelijke rente 25 juli 2025,

en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum zoals genoemd per schadepost tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering wat betreft:

  • het meer of anders gevorderde voor littekencrème;

  • het gevorderde voor slaapmedicatie partner;

  • het gevorderde voor tandarts;

  • het gevorderde voor mobiliteitsschade;

  • het gevorderde voor ketting;

  • het gevorderde voor affectieschade;

  • het gevorderde pro memorie.

Wijst af de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] wat betreft:

  • het meer of anders gevorderde voor opname Heliomare;

  • het meer of anders gevorderde voor huishoudelijke hulp;

  • het gevorderde voor besteld eten;

  • het gevorderde voor kosten zonder nut;

  • het gevorderde voor geboortefotograaf.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.614,53, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de ingangsdatum zoals hiervoor per post staat vermeld tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C.M. van Mierlo, voorzitter,

mr. J. van Beek en mr. A. Ghonedale, allen kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Inge,

en uitgesproken op de openbare zitting van 7 april 2026.

Mr. Ghonedale is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.