Strafrecht overig
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal in vereniging gevolgd door geweld en een…
Rechtbank Noord-Holland, 26 februari 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:8786 · Rechtbank Noord-Holland · 26 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnho-2026-8786
Zaakgegevens
Op 26 februari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 februari 2026
- Datum publicatie
- 15 juli 2026
- Zaaknummer
- 15-026726-24 en 15-079905-25 (gev. ttz.)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:8786
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal in vereniging gevolgd door geweld en een mishandeling. Art. 63 Sr van toepassing. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 130 dagen, met aftrek van het voorarrest. Toewijzen vordering bp.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15-026726-24 en 15-079905-25 (gev. ttz.) (P)
Uitspraakdatum: 26 februari 2026
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M. Lenderink, en van wat de raadsman van de verdachte, mr. M.M.J. Nuijten, advocaat te Haarlem, naar voren heeft gebracht.
1 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
15-026726-24
hij, op of omstreeks 23 januari 2024 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 20 pakken Douwe Egberts regular koffie en/of 16 pakken Douwe Egberts grove maling koffie, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn B.V., in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
-met een schaar een of meerdere stekende bewegingen in de richting van de buik en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te maken en/of
-met een schaar in de arm van die [slachtoffer 1] te steken en/of
-die [slachtoffer 1] te duwen en/of
-hardhandig te trekken aan de tas met daarin gestolen waren die [slachtoffer 1] vast houdt;
15-079905-25
hij op of omstreeks 14 maart 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meerdere malen
- met kracht bij de keel en/of nek vast te pakken en/of (vervolgens)
- de keel en/of nek dicht te knijpen en/of (vervolgens)
- de keel en/of nek gedurende enige tijd dicht geknepen te houden.
2 Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3 Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
15-026726-24
hij, op 23 januari 2024 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een ander, 20 pakken Douwe Egberts regular koffie en 16 pakken Douwe Egberts grove maling koffie, die aan Albert Heijn B.V., toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
-met een schaar stekende bewegingen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] te maken en
-met een schaar in de arm van die [slachtoffer 1] te steken en
-die [slachtoffer 1] te duwen en
-hardhandig te trekken aan de tas met daarin gestolen waren die [slachtoffer 1] vasthoudt;
15-079905-25
hij op 14 maart 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meerdere malen
- met kracht bij de keel en/of nek vast te pakken en
- de keel dicht te knijpen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
15-026726-24
diefstal door twee of meer verenigde personen, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
15-079905-25
mishandeling.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5 Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6 Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), en om aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen hoger dan het reeds ondergane voorarrest. Wat betreft de voorlopige hechtenis heeft de raadsman verzocht deze op te heffen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft samen met een ander op 23 januari 2024 bij een supermarkt meerdere pakken koffie weggenomen. Bij deze diefstal zijn zij op heterdaad betrapt. Een medewerker van de supermarkt die de verdachte tegen wilde houden, kon de tas met daarin een deel van de gestolen koffie vastgrijpen. De verdachte heeft vervolgens met een schaar stekende bewegingen gemaakt richting de medewerker en hem daarbij in de arm geraakt. Winkeldiefstallen zijn op zichzelf reeds vervelende feiten die voor de gedupeerden, naast financiële schade, vaak veel overlast en ergernis meebrengen. In dit geval is de winkeldiefstal bovendien gepaard gegaan met geweld. Ook nu, twee jaar later, zijn de littekens op de arm van het slachtoffer nog zichtbaar en wordt hij nog iedere dag geconfronteerd met het handelen van de verdachte. Een feit als dit roept gevoelens van angst en onveiligheid op. Bij omstanders die hiervan getuige zijn geweest maar vooral bij het slachtoffer. Hij zal immers bij zijn werk in de supermarkt, naar verwacht mag worden, ook in de toekomst, met winkeldiefstal te maken krijgen. Dat dan bij hem de vrees ontstaat dat hij daarbij opnieuw in een geweldsituatie terecht zal komen, ligt voor de hand.
Daarnaast heeft de verdachte zich op 14 maart 2025 schuldig gemaakt aan mishandeling van een destijds 15-jarige jongen door hem bij de keel vast te pakken. De verdachte, een volwassen man, heeft door zo te handelen wederom inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van een ander. Dit moet voor de minderjarige jongen een beangstigende gebeurtenis zijn geweest.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op
het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 19 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van vermogens- en geweldsdelicten onherroepelijk is veroordeeld.
Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet hierop en gezien de ernst van de feiten, in het bijzonder de winkeldiefstal met geweld, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur. Uit het strafblad van de verdachte blijkt echter dat hij op 10 juli 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren. Vanwege de hoogte van deze gevangenisstraf en omdat artikel 63 Sr van toepassing is, acht de rechtbank het niet opportuun om een gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest te boven gaat. Dat houdt in dat de rechtbank van oordeel is dat een vrijheidsbenemende straf moet worden opgelegd van 130 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank hecht eraan op te merken dat dit geenszins afdoet aan de ernst van de feiten waar de verdachte zich in deze strafzaak schuldig aan heeft gemaakt en de zeer ingrijpende gevolgen die de winkeldiefstal voor het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft gehad.
Gelet op de op te leggen straf wijst de rechtbank de door de officier van justitie gedane vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af.
7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Vordering [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder parketnummer 15-026726-24 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende onderbouwd is en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging bepleit de immateriële schadevergoeding te matigen tot een bedrag van 250 euro.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het onder parketnummer 15-026726-24 bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft letsel opgelopen waardoor gelet op artikel 6:106, eerste lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen ontstaat. Daarbij wordt opgemerkt dat het bewezen verklaarde feit tijdens de uitoefening van de werkzaamheden van de benadeelde partij heeft plaatsgevonden wat tot gevolg heeft dat de benadeelde partij tijdens zijn werk steeds weer geconfronteerd kan worden met (de vrees dat) soortgelijke situaties zich zouden kunnen voordoen. Vergoeding van de schade voor het bedrag van € 2.500,- komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Hierbij heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij De Rotterdamse Schaal. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden vastgesteld op nihil.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder parketnummer 15-026726-24 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 57, 63, 300, 312 van het Wetboek van Strafrecht.
9 Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 130 (honderddertig) dagen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Toewijzing vordering benadeelde partij hoofdelijk
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 2.500,-, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.500,-, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslissing over de voorlopige hechtenis
Heft op de reeds geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Rigter, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. K.I.E. Lammers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.D.C. Schoenmaker,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 februari 2026.