Materieel strafrecht

Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door…

Rechtbank Noord-Nederland, 18 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 18 augustus 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Assen
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Datum publicatie
19 augustus 2026
Zaaknummer
18/233103-24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3507
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door hoeveelheden 3-MMC, MDMA en xtc-pillen te verkopen, af te leveren, te verstrekken en te vervoeren. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van harddrugs. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 178 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en aftrek van het voorarrest. Daarnaast acht de rechtbank oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren, passend en geboden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/233103-24

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 18 augustus 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.B. Spoelstra, advocaat te Groningen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.

Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 18 augustus 2026.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 juni 2024 tot en met 17 juli 2024 te Musselkanaal en/of Sellingen en/of Emmen en/of Nieuw-Weerdinge en/of Stadskanaal en/of Ter Apel en/of Wildervank en/of Buinen en/of Haren, althans in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en)/eenhe(i)d(en) 3MMC

en/of MDMA en/of xtc-pillen (bevattende MDMA), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3MMC en/of MDMA, zijnde (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

2.

hij, op of omstreeks 17 juli 2024 te [plaats] , gemeente Stadskanaal, althans in

Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 92,33 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 8,34 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (telkens)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij, op of omstreeks 17 juli 2024 te [plaats] , gemeente Stadskanaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 17,22 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft zij daartoe het volgende aangevoerd. Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte] is op 17 juli 2024 drugs aangetroffen in een wasmand onder de overkapping buiten de woning en achter de bloempot bij de voordeur van de woning. Uit onderzoek naar de drugs bleek dat het ging om in totaal 17,22 gram amfetamine. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de drugs ook van verdachte zijn. De afnemers van de drugs hebben verklaard dat zij drugs kochten bij medeverdachte [medeverdachte] en verdachte en dat de woning van medeverdachte [medeverdachte] werd gebruikt als afhaallocatie. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte dat hij niets af wist van de aanwezigheid van de aangetroffen 17,22 gram amfetamine bij

de woning ongeloofwaardig.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelede bewezen kan worden verklaard, gelet op de bekennende verklaring van verdachte. De raadsman heeft ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde pleegplaats aangevoerd dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in drugs in Haren (Duitsland). Verdachte dient daarvan partieel te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde, omdat uit het dossier niet volgt dat verdachte wetenschap heeft gehad van de bij de woning aangetroffen 17,22 gram amfetamine. De drugs lagen verborgen en op niet zichtbare plekken.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 3

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Verdachte heeft verklaard dat de aangetroffen amfetamine niet van hem, maar van medeverdachte [medeverdachte] was. Uit het dossier blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] drugs vanuit en rondom haar woning verkocht. Afnemers konden de drugs ook afhalen aan de voor- en achterzijde van haar woning. De ten laste gelegde hoeveelheid amfetamine van in totaal 17,22 gram is aangetroffen op niet zichtbare plekken bij de woning, namelijk in een sigarettenpakje achter een bloempot bij de voordeur (7,94 gram) en in een sieradendoosje in een wasmand onder de overkapping buiten (9,28 gram). Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat deze amfetamine tot de handelsvoorraad van medeverdachte [medeverdachte] behoorde en dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van deze amfetamine bij haar woning. Van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking bij de machtsuitoefening over deze amfetamine is aldus geen sprake. De rechtbank acht daarom het tenlastegelegde medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van de drugs niet bewezen.

Veroordeling feit 1

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

  1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 juli 2026;

  2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 augustus 2024 (inclusief bijlage), opgenomen op pagina 145 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023316691 d.d. 26 augustus 2024, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] .

Veroordeling feit 2

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

  1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 juli 2026;

  2. een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 551

e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023316691 d.d. 26 augustus 20241;

3. een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 576

e.v. van voornoemd dossier;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 12 augustus 2024, opgenomen op pagina 299 e.v. van voornoemd dossier;

5. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.08.02.094 (aanvraag 005), d.d. 6 augustus 2024, opgemaakt door ing. P.H. Walinga op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 312 van voornoemd dossier;

6. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.08.02.094 (aanvraag 004), d.d. 6 augustus 2024, opgemaakt door ing. P.H. Walinga op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 314 van voornoemd dossier;

7. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.08.02.094 (aanvraag 002), d.d. 2 augustus 2024, opgemaakt door ing. C.M.M. Diever - Heezen op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 315 van voornoemd dossier.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 30 juni 2024 tot en met 17 juli 2024 te Musselkanaal en Sellingen en Emmen en Nieuw-Weerdinge en Stadskanaal en Ter Apel en Wildervank en Buinen, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid 3MMC en MDMA en xtc-pillen (bevattende MDMA), zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 17 juli 2024 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 92,33 gram van een materiaal bevattende MDMA en ongeveer 8,34 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

  2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 178 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit tot matiging van de strafeis van de officier van justitie. De raadsman heeft de rechtbank verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met het feit dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd en het tijdsverloop sinds de feiten. In dat verband heeft de raadsman er op gewezen dat verdachte zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis in september 2024 al bijna twee jaren aan de opgelegde schorsingsvoorwaarden heeft gehouden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 8 juli 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 september 2024, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door hoeveelheden 3-MMC, MDMA en xtc-pillen (bevattende MDMA) te verkopen, af te leveren, te verstrekken en te vervoeren. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van harddrugs.

Verdachte heeft zich daarmee begeven op het terrein van de handel in harddrugs en heeft daarmee een

bijdrage geleverd aan het in stand houden van het criminele drugscircuit. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs schadelijke gevolgen kan hebben voor de volksgezondheid en tot ernstige verslavingsproblematiek kan leiden met alle gevolgen van dien. Daarnaast ontstaat door het bezit van drugs, en de daarmee samenhangende handel daarin, schade en overlast voor de samenleving vanwege de andere vormen van criminaliteit die gepaard gaan met drugsgebruik. Verdachte heeft geen enkel oog gehad voor deze kwalijke gevolgen en is kennelijk puur gericht geweest op financieel gewin voor zichzelf. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.

De persoon van verdachte

De reclassering heeft in haar rapport van 8 juli 2026 - kort samengevat - het volgende vermeld. Verdachte heeft hard gewerkt om een positieve draai te geven aan zijn leven. De reclassering ziet geen risicoverhogende factoren. De reclassering ziet als beschermende factoren dagbesteding, financiën, een partner, een vernieuwd sociaal netwerk en de houding van verdachte. De reclassering schat het risico op recidive in als laag, omdat verdachte door zijn inzet gedragsverandering heeft laten zien. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt door de reclassering ook ingeschat als laag, omdat verdachte zich tijdens het schorsingstoezicht meewerkend heeft opgesteld en heeft laten zien dat hij uit de criminaliteit wil blijven. De reclassering adviseert om aan verdachte op te leggen een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij ziet geen noodzaak voor interventies of toezicht vanuit de reclassering.

De straf

De rechtbank heeft gekeken naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze dienen als uitgangspunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en weegt dit in strafverzwarende zin mee. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met het tijdsverloop tussen de gepleegde feiten en de behandeling ter terechtzitting. De rechtbank komt niet tot de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het voorarrest overschrijdt. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf weliswaar past bij de feiten, maar niet bij de persoon van de verdachte. In dit verband heeft de rechtbank acht geslagen op de op dit moment bestaande beschermende factoren in het leven van verdachte, die mogelijk zouden worden doorkruist indien verdachte een gevangenisstraf opgelegd zou krijgen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de aard en de ernst van de feiten, acht de rechtbank, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 178 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank wil met deze voorwaardelijke straf bewerkstelligen dat verdachte zich in de toekomst niet weer zal laten verleiden om voor geldelijk gewin zich met dit soort feiten in te laten. Daarnaast acht de rechtbank oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren, passend en geboden.

Beslag

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen geld en de personenauto dienen te worden verbeurd verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de bij het vervoer van drugs gebruikte en onder verdachte in beslag genomen personenauto verbeurd verklaren, omdat de feiten met behulp van die auto zijn begaan. Daarnaast zal de rechtbank het in beslag genomen geld verbeurdverklaren, omdat aannemelijk is dat verdachte het geldbedrag geheel of grotendeels heeft verkregen door middel van het onder feit 1 bewezenverklaarde. De rechtbank heeft bij deze beslissing de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten in aanmerking genomen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 178 dagen

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 120 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde

van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

een taakstraf voor de duur van 60 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Verklaart verbeurd het geldbedrag van 120,00 (goednummer 1736742) en de Audi personenauto (goednummer 893381).

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. Lenting, voorzitter, mr. H.R. Eising en

mr. L.M.B. Soppe, rechters, bijgestaan door mr. D. Flanderijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 augustus 2026.

[afbeelding niet beschikbaar]

1 Uit het het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023316691 d.d. 26 augustus 2024

merkt de rechtbank op dat pagina 551 tweemaal voorkomt. De digitale pagina 143 (fysieke pagina 551) van procesdossier deel 2 is een foto. De digitale pagina 153 (fysieke pagina 551) van het procesdossier deel 2 is de kennisgeving van inbeslagneming. Om verwarring te voorkomen gaat het om pagina 551 waar de kennisgeving van inbeslagneming op staat.

[afbeelding niet beschikbaar]