Materieel strafrecht

Verdachte wordt wegens het mishandelen van een handhaver, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel…

Rechtbank Noord-Nederland, 18 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 18 augustus 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
18-151894-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3519
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte wordt wegens het mishandelen van een handhaver, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren. Voor het meermalen overtreden van zijn gebiedsverbod bepaalt de rechtbank dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Gehele toewijzing vordering BP.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18-151894-26

ter terechtzitting gevoegd parketnummers 18-161752-26, 18-161754-26 en 18-161758-26

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 augustus 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.J.J. Bosma, advocaat te Spier. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Zoer.

Tenlastelegging

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de volledige tekst van de tenlastelegging verwezen naar de inhoud daarvan zoals opgenomen in bijlage I.

De inhoud van die bijlage dient als hier ingelast te worden beschouwd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het bewijs geen verweren gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

In de zaak met parketnummer 18-151894-26

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 mei 2026, opgenomen op pagina 28 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026141202 d.d. 27 mei 2026, inhoudend als relaas van verbalisant:

Ik verbalisant, bevond mij op woensdag 27 mei, aan [adres] . Hier zag ik een manspersoon voor de ingang van de Jumbo staan Het was mij ambtshalve bekend dat dit meneer [verdachte] , vanaf nu te noemen de verdachte, betrof. Ook was mij ambtshalve bekend dat de verdachte een gebiedsverbod heeft voor de duur van twaalf weken met ingang van 28-04-2026 en dat deze verloopt op 21-07-2026. Ik verbalisant zag vervolgens dat collega [slachtoffer 2] de rechterarm van de verdachte vast pakte. Hierop zag ik dat de verdachte deze arm los probeerde te krijgen door een krachtige zwaaiende beweging in tegengestelde richting te maken Ik verbalisant zag dat het de verdachte niet lukte om los te komen. Ook zag ik dat collega [slachtoffer 1] de linkerarm van de verdachte vast probeerde te pakken. Op het moment dat collega [slachtoffer 1] naar de verdachte zijn arm greep, zag ik dat de verdachte een zwaaiende beweging maakte richting het hoofd van [slachtoffer 1] . Hierop zag ik dat de verdachte zich bleef verzetten Dit zag ik doordat de verdachte zijn armen op spanning zette en in tegengestelde richting bewoog van waar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heen wilden bewegen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage d.d. 27 mei 2026, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op het moment dat ik verdachte zijn linkerhand wilde vastpakken zag ik dat verdachte uithaalde met zijn linkerhand richting mijn hoofd. Ik zag dat dat hij dit deed met een gebalde vuist. Ik probeerde met mijn

hoofd de klap te ontwijken en ik voelde dat de klap in mijn rechterhals terecht kwam.

3. Een schriftelijk bescheid, te weten het namens de burgemeester van gemeente Groningen ondertekend besluit tot opleggen gebiedsverbod met bijlagen d.d. 24 april 2026, opgenomen op p. 46 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

Ik vind een gebiedsverbod nodig om nieuwe verstoringen van de openbare orde te voorkomen. Daarom besluit ik als volgt:

  • u mag zich niet bevinden in gebied 1 van de stad Groningen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 2;

  • dit gebiedsverbod geldt voor de duur van 12 weken; geldend van 28 april 2026 tot en met 21 juli 2026.

  • Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 augustus 2026, opgenomen als aanvullend proces-verbaal bij voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op donderdag 7 mei 2026 omstreeks 23:05 uur trof ik verbalisant betrokkene in

[adres] te Groningen. Ik overhandigde hem het gebiedsverbod en vroeg of hij het bewijs van ontvangst wilde tekenen. Ik verbalisant heb hem vervolgens uitgelegd wat het verbod inhield en wat de gevolgen kunnen zijn als hij zich niet aan zal houden.

In de zaak met parketnummer 18-161752-26

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 14 mei 2026, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van BRS met nummer 26083380-5-1, inhoudend als relaas van verbalisant:

Datum: 14-05-2026

Naam: [verdachte]

Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] -1981

Wij, verbalisanten, bevonden ons op donderdag 14 mei op de openbare weg, aan [adres] voor een melding vanuit [aangever] -Nederland over een manspersoon die zich onderaan de

parkeergarage al zittend bevond. Ter plaatse zagen wij de manspersoon ook zitten, deze was mij ambtshalve bekend en het is mij ambtshalve bekend dat de verdachte een gebiedsverbod had van gebied 1 van de gemeente Groningen voor de duur van 12 weken, geldende van 28 april 2026 tot en met 21 juli 2026.

2. Een schriftelijk bescheid, te weten het namens de burgemeester van gemeente Groningen ondertekend besluit tot opleggen gebiedsverbod met bijlagen d.d. 24 april 2026, opgenomen op p. 12 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

Ik vind een gebiedsverbod nodig om nieuwe verstoringen van de openbare orde te voorkomen. Daarom besluit ik als volgt:

  • u mag zich niet bevinden in gebied 1 van de stad Groningen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 2;

  • dit gebiedsverbod geldt voor de duur van 12 weken; geldend van 28 april 2026 tot en met 21 juli 2026.

In de zaak met parketnummer 18-161754-26

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 24 mei 2026, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van BRS met nummer 26089340-5-1, inhoudend als relaas van verbalisant:

Datum 24-05-2026

Naam: [verdachte]

Geboren te Kama op [geboortedatum] -1981 Adres: [adres]

Ik, verbalisant, bevond mij op de genoemde locatie. Ik zag dat de verdachte in een portiek zat. Bij mij is ambtshalve bekend dat de verdachte een gebiedsontzegging heeft voor gebied 1. De locatie waar de verdachte zich bevond valt hier onder. De gebiedsontzegging is geldig vanaf 28 april 2026 tot en met 21 juli 2026.

2. Een schriftelijk bescheid, te weten het namens de burgemeester van gemeente Groningen ondertekend besluit tot opleggen gebiedsverbod met bijlagen d.d. 24 april 2026, opgenomen op p. 10 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

Ik vind een gebiedsverbod nodig om nieuwe verstoringen van de openbare orde te voorkomen. Daarom besluit ik als volgt:

  • u mag zich niet bevinden in gebied 1 van de stad Groningen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 2;

  • dit gebiedsverbod geldt voor de duur van 12 weken; geldend van 28 april 2026 tot en met 21 juli 2026.

In de zaak met parketnummer 18-161758-26

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 22 mei 2026, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van BRS met nummer 26088196-2-1, inhoudend als relaas van verbalisant:

Datum 22-05-2026

Naam: [verdachte]

Geboren te Kama op [geboortedatum] -1981 Locatie: [adres]

Omstreeks 20.45 uur kwamen wij, verbalisanten, ter plaatse op bovengenoemde locatie. Wij zagen hier in de portiek met perceelnummer [nummer] een manspersoon liggen op de grond. Bij het aanspreken zagen wij dat dit de verdachte betrof en deze verdachte bij ons beide ambtshalve bekend was. Tevens was het bij ons ambtshalve bekend dat de verdachte een gebiedsverbod had voor gebied 1 voor een duur van 3 maanden.

2. Een schriftelijk bescheid, te weten het door of namens de burgemeester van gemeente Groningen ondertekend besluit tot opleggen gebiedsverbod met bijlagen d.d. 24 april 2026, opgenomen op p. 7 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

Ik vind een gebiedsverbod nodig om nieuwe verstoringen van de openbare orde te voorkomen. Daarom besluit ik als volgt:

  • u mag zich niet bevinden in gebied 1 van de stad Groningen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 2;

  • dit gebiedsverbod geldt voor de duur van 12 weken; geldend van 28 april 2026 tot en met 21 juli 2026.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1, 2 en 3 onder parketnummer 18-151894-26 en de feiten onder parketnummer 18-161752-26, 18-161754-26 en 18-161758-26, wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

In de zaak met parketnummer 18-151894-26:

1

hij op 27 mei 2026 te Groningen opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan namens de burgemeester van Groningen, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen van 28 april 2026 tot en met 21 juli 2026 niet mocht bevinden in gebied 1 van de stad Groningen (zoals aangegeven op de kaart in de bijlage), door, zich op voornoemde datum op [adres] te bevinden;

2

hij op 27 mei 2026 te Groningen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] een klap/stomp in de hals te geven, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

3

hij op 27 mei 2026 te Groningen, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende ambtenaren, te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van meer op heterdaad ontdekte strafbare feiten, had aangehouden en had vastgegrepen, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft verzet door te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden;

In de zaak met parketnummer 18-161752-26

hij op 14 mei 2026 te Groningen opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan namens de burgemeester van gemeente Groningen, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen van 28 april 2026 tot en met 21 juli 2026 niet mocht bevinden in de binnenstad van Groningen, door, zich op voornoemde datum op [adres] te bevinden;

In de zaak met parketnummer 18-161754-26

hij op 24 mei 2026 te Groningen opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan namens de burgemeester van gemeente Groningen, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen van 28 april 2026 tot en met 21 juli 2026 niet mocht bevinden in de binnenstad van Groningen, door, zich op voornoemde datum op [adres] te bevinden;

In de zaak met parketnummer 18-161758-26

hij op 22 mei 2026 te Groningen opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan namens de burgemeester van gemeente Groningen, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen van 28 april 2026 tot en met 21 juli 2026 niet mocht bevinden in de binnenstad van Groningen, door, zich op voornoemde datum om op [adres] te bevinden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

In de zaak met parketnummer 18-151894-26

1. opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast;

2. mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

3. wederspannigheid;

In de zaak met parketnummer 18-161752-26

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast;

In de zaak met parketnummer 18-161754-26

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast;

In de zaak met parketnummer 18-161758-26

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte complexe psychische problematiek heeft en constant psychotisch is. Hij hoort daarom thuis in een instelling en niet in het strafrecht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 28 juli 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft meerdere malen het gebiedsverbod dat hem was opgelegd overtreden. Dit gebiedsverbod was aan hem opgelegd naar aanleiding van herhaald overlastgevend gedrag. Daarnaast heeft verdachte zich tijdens één van de aanhoudingen voor overtreding van dit gebiedsverbod verzet en daarbij een handhaver gedurende diens werk mishandeld. Hierdoor heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het welbevinden van de handhaver. Door het gebiedsverbod telkens te negeren heeft de verdachte ook daardoor opnieuw overlast veroorzaakt. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Persoonlijke omstandigheden

Uit het reclasseringsrapport is gebleken dat bij verdachte sprake is van complexe problematiek. Hij is gediagnosticeerd met schizofrenie met wanen hetgeen, in combinatie met drugsgebruik, tot onvoorspelbaar en ontregeld gedrag kan leiden. Verdachte kent een langdurige voorgeschiedenis binnen de geestelijke gezondheidszorg (GGZ). In de afgelopen jaren hebben er diverse klinische behandelingen plaatsgevonden in het kader van zorgmachtigingen en een forensisch kader. Verdachte werd in 2024 nog geplaatst met een zorgmachtiging (ZM) binnen de FPA te [plaats] . Uiteindelijk hebben alle klinische trajecten niet geleid tot stabiliteit en gedragsverandering. De Ambulante Forensische Psychiatrie Behandeling (AFPB) Mesdag was betrokken in het kader van de ZM. Zij hebben aangegeven dat de inzet binnen dit kader zich feitelijk beperkt tot het toedienen van dwangmedicatie. Met de ZM is gepoogd om betrokkene te plaatsen binnen Duurzaam Verblijf, maar deze toeleiding is afgewezen. Verdachte heeft veel

moeite om hulp en ondersteuning te accepteren, terwijl is gebleken dat verdachte op vrijwel alle leefgebieden problemen ondervindt. Hij leidt een zwervend bestaan en kampt met ernstige verslavingsproblematiek. Dit maakt dat verdachte vervalt in delictgedrag en dat het risico op recidive hoog is. De reclassering heeft daarom geadviseerd om aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting van 4 augustus 2026 heeft de deskundige het advies van de reclassering toegelicht en bevestigd.

De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een ISD-maatregel, zoals vermeld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht, is voldaan. De maatregel is gevorderd door de officier van justitie en verdachte heeft een misdrijf begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Ook is verdachte in de afgelopen vijf jaar hieraan voorafgaand ten minste drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld, terwijl het onderhavige feit is begaan na de tenuitvoerlegging van die straffen. Daarnaast moet er, gelet op het reclasseringsrapport en de eerdere veroordelingen van verdachte, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Tot slot eist de veiligheid van personen en goederen het opleggen van deze maatregel.

De rechtbank stelt tevens vast dat verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.

De rechtbank acht oplegging van de maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. De rechtbank overweegt daarbij dat de ZM tot op heden niet hebben geleid tot gedragsverandering bij verdachte. Verdachte is zwervende en schuwt geweld niet. De kans op recidive is hoog. De mogelijkheden van de reclassering tot gedragsbeïnvloeding zijn uitgeput. Binnen het kader van de ISD-maatregel kan verdachte stabiliseren en hoeft hij niet langer te overleven op straat.

Maatregel

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren geboden. Die periode is noodzakelijk om de kans op gedragsbeïnvloeding te vergroten. Voor aftrek van het door verdachte ondergane voorarrest ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.

De rechtbank legt de ISD-maatregel op ten aanzien van het onder parketnummer 1815189426 feit 2, bewezenverklaarde. Ten aanzien van alle overige feiten bepaalt de rechtbank dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd, nu dit zich niet verhoudt met de opgelegde ISD-maatregel en strafoplegging dus niet opportuun is.

Benadeelde partij

Ten aanzien van 18-151894-26 feit 2

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 200,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schade in rechtstreeks verband staat met het feit en dat de vordering toegewezen dient te worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet over financiële middelen beschikt.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18-151894-26 feit 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 mei 2026.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38m, 38n, 180, 184, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder parketnummer 18-151894-26 feiten 1, 2 en 3, onder parketnummer 18-161752-26, onder parketnummer 18-161754-26 en onder parketnummer 18-161758-26 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

In de zaak met parketnummer 18-151894-26 feit 2:

Veroordeelt verdachte tot:

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

In de zaak met parketnummer 18-151894-26 feiten 1 en 3, parketnummer 18-161752-26, parketnummer

18-161754-26 en parketnummer 18-161758-26:

Bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Ten aanzien van parketnummer 18-151894-26 feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:

  • het bedrag van 200,00 (zegge: tweehonderd euro);

  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 mei 2026 tot de dag van algehele voldoening;

  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 200,00 (zegge: tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 2 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. van der Werff, voorzitter, mr. A.L.J.M.A. Janssens en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. J. van der Wiel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 augustus 2026.

Bijlage I

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

In de zaak met parketnummer 18-151894-26:

1

hij op of omstreeks 27 mei 2026 te Groningen opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk UI26.00898 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Groningen, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen van 28 april 2026 tot en met 21 juli 2026 niet mocht bevinden in/op gebeid 1 van de stad Groningen (zoals aangegeven op de kaart in de bijlage), door, zich op voornoemde datum op [adres] , althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

2

hij op of omstreeks 27 mei 2026 te Groningen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] een klap/stomp in de hals, althans het lichaam te geven, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

3

hij op of omstreeks 27 mei 2026 te Groningen, toen een aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), had aangehouden en had vastgegrepen, althans vast had, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn of haar bediening, heeft verzet door te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden;

In de zaak met parketnummer 18-161752-26

hij op of omstreeks 14 mei 2026 te Groningen opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van gemeente Groningen, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen van 28 april 2026 tot en met 21 juli 2026 niet mocht bevinden in de binnenstad van Groningen, door, zich op voornoemde datum om (omstreeks) 21:05 uur in/op/aan [adres] althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

In de zaak met parketnummer 18-161754-26

hij op of omstreeks 24 mei 2026 te Groningen opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van gemeente Groningen, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen van 28 april 2026 tot en met 21 juli 2026 niet mocht bevinden in de binnenstad van Groningen, door, zich op voornoemde datum om (omstreeks) 21:05 uur in/op/aan [adres] althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

In de zaak met parketnummer 18-161758-26

hij op of omstreeks 22 mei 2026 te Groningen opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van gemeente Groningen, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen van 28 april 2026 tot en met 21 juli 2026 niet mocht bevinden in de binnenstad van Groningen, door, zich op voornoemde datum om (omstreeks) 21:05 uur in/op/aan [adres] althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden.