Materieel strafrecht

Ontslag van alle rechtsvervolging wegens geslaagd beroep op noodweer voor poging tot doodslag. Veroordeling…

Rechtbank Noord-Nederland, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
3 november 2026
Zaaknummer
18.156787.25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:4684
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontslag van alle rechtsvervolging wegens geslaagd beroep op noodweer voor poging tot doodslag. Veroordeling wegens wapenbezit en mishandeling tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18.156787.25

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18.170789.25

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.099588.24

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 3 november 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , ten tijde van de zitting gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 oktober 2026 (inhoudelijke behandeling) en 20 oktober 2026 (sluiting onderzoek).

Op 6 oktober 2026 is de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Hoekman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

parketnummer 18.156787.25

1.

hij op of omstreeks 26 april 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om de inzittenden van de Kia Rio voorzien van het kenteken [kenteken 1] en/of [slachtoffer 1] en/of andere aanwezige personen in de [adres 1] en/of aanwezige personen in omringende woningen/panden opzettelijk van het leven te beroven, (vanuit een rijdende auto) één of meerdere malen, met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die voornoemde (rijdende) Kia Rio, terwijl er meerdere andere personen aanwezig waren in de nabije omgeving van verdachte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 april 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta, de inzittenden van de Kia Rio voorzien van het kenteken [kenteken 1] en/of [slachtoffer 1] en/of andere aanwezige personen in de [adres 1] en/of aanwezige personen in omringende woningen/panden heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (vanuit een rijdende auto) één of meerdere malen, met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die voornoemde (rijdende) Kia Rio, terwijl er meerdere andere personen aanwezig waren in de nabije omgeving van verdachte;

2.

hij op of omstreeks 26 april 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta, een vuurwapen van categorie II/III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

3.

hij op of omstreeks 26 april 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere autos, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

parketnummer 18.170789.25

hij op of omstreeks 29 november 2024 te Appingedam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door hem een of meermalen tegen het hoofd en/of in het gezicht te slaan/stompen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

In de zaak met parketnummer 18.156787.25 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd voor feit 3 en veroordeling voor de feiten 1 primair en 2.

Ten aanzien van feit 1 primair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van zowel de inzittenden van de Kia Rio, als op de dood van [slachtoffer 1] en de overige omstanders.

De officier van justitie heeft ook veroordeling gevorderd voor het feit onder parketnummer 18.170789.25.

Standpunt van de verdediging

In de zaak met parketnummer 18.156787.25 heeft verdachte zijn betrokkenheid bij de feiten ontkend, maar door de verdediging is gesteld dat uit het dossier blijkt dat verdachte eenmaal heeft geschoten. De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak van feiten 1 primair, 2 en 3. Feit 1 subsidiair kan wel wettig en overtuigend worden bewezen volgens de raadsman.

Ten aanzien van feit 1 primair heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het doden van de inzittenden van de Kia Rio, [slachtoffer 1] en de overige omstanders.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen, omdat uit het dossier geen specifieke informatie over het door verdachte gebruikte vuurwapen blijkt. Subsidiair heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft ten slotte gesteld dat het feit in de zaak met parketnummer 18.170789.25 bewezen kan worden, gelet op de bekennende verklaring van verdachte.

Oordeel van de rechtbank parketnummer 18.156787.25 Inleiding

Op 26 april 2025 vond een schietincident plaats in het centrum van Delfzijl. Kort voor het schietincident was er onenigheid op de markt. Daarbij waren in ieder geval verdachte en [medeverdachte 1] betrokken. Zowel verdachte als [medeverdachte 1] is op enig moment vertrokken van de markt. Verdachte en [medeverdachte 1] troffen elkaar korte tijd later op [adres 5] . Verdachte zat op dat moment in een blauwe Toyota Yaris samen met [naam 1] en haar zoon [naam 2] . [medeverdachte 1] bevond zich in een rode Kia Rio met [medeverdachte 2] en haar zoon [naam 3] . De autos zijn vervolgens op hoge snelheid in de richting van [adres 2] , [adres 3] en de [adres 1] gereden. De Kia reed achter de Toyota. Tussen de verkeerslichten op [adres 5] en [adres 4] , bij de kruising van [adres 3] en de [adres 1] , is meermalen geschoten.

De rechtbank moet allereerst beoordelen of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft geschoten.

Bewijsmiddelen

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Verdachte zat op 26 april 2025 als bijrijder in een blauwe Toyota. Naast hem zat [naam 1] als bestuurder en op de achterbank zat haar minderjarige zoon [naam 2] . Bij de verkeerslichten op [adres 5] in Delfzijl is [naam 1] door rood gereden.2 [medeverdachte 2] , de bestuurder van de Kia, is achter de Toyota aan gereden.3[medeverdachte 1] heeft vanuit de rode Kia meermalen op de Toyota geschoten.4

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij schoten hoorde toen ze achter de Toyota reden en dat hij voelde dat hij was geraakt.5 Uit het letselverslag volgt dat er bij [medeverdachte 1] sprake was van een verwonding bij het linkerschouderblad en een schotwond in de rechtertestikel en in het rechterbovenbeen.6

Er is onderzoek gedaan naar de betrokken autos. In de voorruit van de Kia zat een gat aan de rechterzijde, laag boven het dashboard. Het gat bevond zich op een hoogte van 108 centimeter vanaf het wegdek. Het gat is ontstaan doordat een kogel vanaf de voorzijde in de auto is gekomen. Op de vloer aan

de bijrijderskant is een deel van een kogel aangetroffen.

In de Toyota is op de vloer van het rechterdeel van de achterbank een kogelhuls aangetroffen.7 Verder waren er schotresten op de autohemel8 en op de handen van [naam 1] en [naam 2] .9

Op straat10 en in de autos11 zijn meerdere hulzen en (delen van) kogels aangetroffen. Door het NFI is een indicatief vergelijkend onderzoek gedaan. Daaruit volgt dat de resultaten van dat onderzoek worden verwacht wanneer de huls die is aangetroffen in de Toyota met een ander wapen is verschoten dan de overige zeventien aangetroffen hulzen. Verder volgt uit het onderzoek dat de resultaten worden verwacht als drie kogelmanteldelen, waaronder het deel dat is aangetroffen op de vloer aan de bijrijderskant van de Kia, is verschoten met een ander wapen dan de overige onderzochte kogels en delen van kogels.

Uit het onderzoek van het NFI blijkt ten slotte dat de afvuursporen in de huls die is aangetroffen in de Toyota worden verwacht wanneer deze zijn verschoten met een (semi-) automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum.12

De rechtbank maakt uit al het voorgaande op dat er bij het schietincident twee wapens betrokken waren en dat zowel vanuit de Kia als vanuit de Toyota is geschoten.

Dat er vanuit de Toyota is geschoten wordt bevestigd door de verklaring van [medeverdachte 2]13, maar ook door camerabeelden waarop [adres 4] te zien is. Een verbalisant heeft bij het vertraagd afspelen van die beelden waargenomen dat op de bijrijdersstoel van de blauwe auto een persoon lijkt te zitten die met zijn rug naar de voorruit zit en zijn arm uit het raam van de auto steekt. Het lijkt alsof deze persoon een voorwerp in zijn hand heeft dat gelijkend is op een vuurwapen en dat voorwerp richt op de achtervolgende rode auto.14

Uit bovenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte, de bijrijder van de Toyota, op 26 april 2025 in Delfzijl ten minste één keer uit die rijdende auto op de voorzijde van de Kia met daarin [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam 3] heeft geschoten.

(Partiële) vrijspraak feiten 1 primair, 1 subsidiair en 3

Feit 1 primair (geen opzet op de dood van [slachtoffer 1] en de overige omstanders)

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en de overige omstanders. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of verdachte voorwaardelijk opzet had op hun dood. Voorwaardelijk opzet is aanwezig als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door het schieten op de Kia [slachtoffer 1] en andere omstanders dodelijk zou raken.

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte eenmaal op de voorzijde van de Kia heeft geschoten. Uit de beelden blijk dat [slachtoffer 1] zich in de schotbaan van [medeverdachte 1] bevond, maar niet in de schotbaan van verdachte. Er was dus geen aanmerkelijke kans dat verdachte haar dodelijk zou raken.

Voor wat betreft de overige omstanders overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat op het moment van het schietincident mensen in de [adres 1] of in de omringende panden aanwezig waren en, voorzover er wel mensen waren, waar zij zich dan op het moment van het schieten

door verdachte bevonden. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat er door het schieten op de Kia ook een aanmerkelijke kans was op de dood van (eventuele) omstanders.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de poging tot doodslag van [slachtoffer 1] en de overige omstanders.

Feit 1 subsidiair (bedreiging)

De rechtbank acht de bedreiging van [slachtoffer 1] en de overige omstanders ook niet bewezen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte zich bewust was van de (mogelijke) aanwezigheid van omstanders. Daarnaast blijkt ook niet dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte erop was gericht om bij [slachtoffer 1] of overige omstanders de vrees te laten ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen, dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de in feit 1 subsidiair ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 1] en overige omstanders.

Feit 3 (vernieling)

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de vernieling van de autos door verdachte niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De schade zat aan de achterzijde van de autos en gelet op de schotrichting moet die schade zijn ontstaan door kogels die [medeverdachte 1] heeft afgevuurd. Verdachte zal dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring feiten 1 primair en 2

Feit 1 primair (opzet op de dood van de inzittenen van de Kia)

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van de inzittenden van de Kia. De rechtbank moet daarom beoordelen of verdachte voorwaardelijk opzet had op het doden van de inzittenden van de Kia. Zoals hiervoor overwogen is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg zoals in dit geval de dood van de inzittenden van de Kia aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte vanuit een rijdende auto ten minste één keer op de voorzijde van de Kia heeft geschoten. De kogel is op een hoogte van 108 centimeter in de auto terecht gekomen. Dat is een hoogte waarvan in zijn algemeenheid kan worden gezegd dat op die plek vitale onderdelen van de lichamen van inzittenden zich bevinden. Een van de inzittenden van de Kia is ernstig gewond geraakt door het schot. De rechtbank is van oordeel dat de kans dat de inzittenden van de Kia door het schieten op de auto dodelijk geraakt zouden worden aanmerkelijk was. Dit ligt zozeer voor de hand dat verdachte zich daarvan bewust moet zijn geweest. Door te handelen zoals hij heeft gedaan kan het niet anders zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans op het dodelijk treffen van de inzittenden van de Kia bewust heeft aanvaard.

De rechtbank acht de poging tot doodslag op de inzittenden van de Kia dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2 (wapenbezit)

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 26 april 2025 de beschikking heeft gehad over een vuurwapen. Het wapen is niet aangetroffen, maar uit het NFI-rapport volgt dat de in de Toyota aangetroffen huls is verschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel vast dat de kogel is verschoten met een wapen dat valt onder categorie II of III van de Wet Wapens en Munitie.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigd bewezen.

Conclusie

De rechtbank acht de poging doodslag op de inzittenden van de Kia en het wapenbezit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal worden vrijgesproken van de poging doodslag op en bedreiging van [slachtoffer 1] en de omstanders en van de vernieling.

parketnummer 18.170789.25

De rechtbank acht het feit onder parketnummer 18.170789.25 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Uit de verklaring van [slachtoffer 4]15 en de bekennende verklaring van verdachte16 blijkt genoegzaam dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht onder parketnummer 18.156787.25 de feiten 1 primair en 2 en het feit onder parketnummer 18.170789.25 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

parketnummer 18.156787.25

1.

hij op 26 april 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om de inzittenden van de Kia Rio voorzien van het kenteken [kenteken 1] opzettelijk van het leven te beroven, vanuit een rijdende auto met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die voornoemde rijdende Kia Rio, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 26 april 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta, een vuurwapen van categorie II of III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;

parketnummer 18.170789.25

hij op of omstreeks 29 november 2024 te Appingedam [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door hem meermalen tegen het hoofd en/of in het gezicht te slaan/stompen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

parketnummer 18.156787.25

  1. primair. poging tot doodslag, meermalen gepleegd

  2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

parketnummer 18.170789.25

mishandeling

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is een noodweerverweer gevoerd. De verdediging heeft gesteld dat het volgende scenario uit het dossier valt af te leiden: bij de verkeerslichten op [adres 5] kwam [medeverdachte 1] gewapend op verdachte aflopen. De bestuurder van de Toyota besloot daarop door rood te rijden om aan de dreigende situatie te ontkomen, waarna de Kia een achtervolging heeft ingezet. Er werd zeventien keer op verdachte en de andere inzittenden van de Toyota geschoten, waarna verdachte zich verdedigde door één schot te lossen in de richting van de achtervolgende Kia. Er was daarom sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich op deze manier mocht verdedigen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer gehonoreerd moet worden. De officier van justitie heeft gesteld dat het meest aannemelijke scenario dat uit het dossier kan worden afgeleid is dat [medeverdachte 1] is begonnen met (voortdurend) schieten, waarna verdachte ter verdediging ter hoogte van [adres 4] heeft teruggeschoten. Onder die omstandigheden is aan de vereisten voor noodweer voldaan.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op noodweer kan slagen als er sprake is van een verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding die het lijf, de eerbaarheid of een goed betreft en welke verdediging noodzakelijk en proportioneel is. De rechtbank merkt verder op dat volgens vaste jurisprudentie de omstandigheid dat een verdachte de hem ten laste gelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg hoeft te staan. Bij het beoordelen van het noodweerverweer moet de rechtbank allereerst toetsen of de door de verdediging aangevoerde feitelijke toedracht voldoende aannemelijk is geworden.

Zoals hiervoor is overwogen blijkt uit het dossier en dat wat op zitting is besproken dat er kort voor het schietincident onenigheid op de markt is geweest. Daarbij waren in ieder geval verdachte en

[medeverdachte 1] betrokken. Zowel verdachte als [medeverdachte 1] zijn op enig moment vertrokken van de markt. Verdachte en [medeverdachte 1] troffen elkaar korte tijd later op [adres 5] . Verdachte zat op dat moment in een blauwe Toyota Yaris samen met [naam 1] en haar zoon [naam 2] . [medeverdachte 1] bevond zich in een rode Kia Rio met [medeverdachte 2] en haar zoon [naam 3] . Tussen de verkeerslichten op [adres 5] en de Grote Waterpoort, bij de kruising van [adres 3] en de [adres 1] , is meermalen geschoten. Uit het dossier blijkt dat verdachte tenminste één keer heeft geschoten en [medeverdachte 1] tenminste zeventien keer.

De lezingen over wat er precies is gebeurd tussen de verkeerslichten op [adres 5] en [adres 4] lopen uiteen. Namens verdachte is aangevoerd dat [medeverdachte 1] bij de verkeerslichten een wapen heeft getoond waardoor [naam 1] door rood is gereden en dat er vervolgens tijdens een achtervolging zeventien keer op de auto is geschoten, waarop verdachte heeft teruggeschoten. [medeverdachte 1] heeft daarentegen verklaard dat hij geen wapen heeft getoond en dat juist vanuit de Toyota als eerste is geschoten, waarop hij heeft teruggeschoten. De overige inzittenen van de Toyota ondersteunen in grote lijnen het scenario dat namens verdachte is aangevoerd en de overige inzittenden van de Kia steunen het verhaal van [medeverdachte 1] . Er zijn geen onafhankelijke getuigen die hebben gezien uit welke auto als eerste werd geschoten en er zijn ook geen camerabeelden van de start van de schietpartij.

De rechtbank constateert, anders dan door de raadsman en de officier van justitie bepleit, dat onduidelijk is wie als eerste heeft geschoten. Het dossier bevat namelijk geen enkele objectieve informatie over de start van de schietpartij. De rechtbank is daarom van oordeel dat de feitelijk toedracht zoals die door de verdediging is geschetst, niet onaannemelijk is. De rechtbank zal in het voordeel van verdachte van dat scenario uitgaan bij de beoordeling van het noodweerverweer.

Uitgaande van het scenario van de verdediging werden verdachte en de andere inzittenden van de Toyota tijdens een achtervolging zeventien keer beschoten. Op dat moment was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een noodweersituatie, namelijk een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van de inzittenden van de auto. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of verdediging tegen die aanranding noodzakelijk was (subsidiariteitsvereiste) en of de gekozen wijze van verdediging in redelijke verhouding stond met de aanranding (proportionaliteitsvereiste).

De rechtbank is van oordeel dat verdediging geboden was, toen [medeverdachte 1] vanuit een achtervolgende auto zeventien kogels op de Toyota afvuurde. Ondanks het feit dat [naam 1] wegvluchtte, bleef het schieten doorgaan. Er was voor verdachte geen mogelijkheid om zich te onttrekken van de situatie. Aan het subsidiariteitsvereiste is dus voldaan.

De rechtbank vindt dat ook aan het proportionalteitsvereiste is voldaan. Verdachte heeft éénmaal teruggeschoten, nadat er meerdere kogels op hem en de andere inzittenen van de Toyota waren afgevuurd. Dat staat in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.

De rechtbank is met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte de confrontatie heeft uitgelokt. Er is dus geen sprake van culpa in causa wat aan honorering van het noodweerverweer in de weg kan staan.

De rechtbank concludeert, gelet op het voorgaande, dat het handelen van verdachte niet strafbaar is, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. Verdachte zal daarom van het onder parketnummer 18.156787.25 1 primair bewezenverklaarde worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Feit 2 onder parketnummer 18.156787.25 en het bewezen verklaarde onder parketnummer 18.156787.25 zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het wapenbezit (18.156787.25) en de mishandeling (18.156787.25) wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapporten van 25 augustus 2025 en 23 september 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 september 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 26 april 2025 een vuurwapen in zijn bezit gehad op een openbare plek. Verdachte had het vuurwapen schietklaar bij zich terwijl er een minderjarige bij hem in de auto zat. Dat vindt de rechtbank zeer kwalijk. Verdachte heeft het wapen ook daadwerkelijk gebruikt in het drukke centrum van Delfzijl op Koningsdag. Dat feit is niet strafbaar vanwege een geslaagd beroep op noodweer, maar het maakt wel duidelijk dat het bezit van wapens leidt tot het gebruik daarvan, met alle gevaren van dien.

Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van onveiligheid in de maatschappij en verdachte is daarvoor verantwoordelijk.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan mishandeling. Verdachte heeft het slachtoffer meermalen geslagen, omdat hij een schuld bij hem had. Ook dat is een ernstig feit, waarmee verdachte op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten.

Uit de reclasseringsrapporten volgt dat de reclassering het recidiverisico als hoog inschat en een straf zonder bijzondere voorwaarden adviseert.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) en straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Alles afwegende vindt de rechtbank de eis van de officier van justitie redelijk. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Benadeelde partijen

In de zaak met parketnummer 18.156787.25 hebben de volgende personen zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

  1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van 2.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

  2. [medeverdachte 2] , tot een bedrag van 8.750,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

  3. [medeverdachte 1] , tot een bedrag van 4.791,38 ter zake van materiële schade en 17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

  4. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van 2.359,15 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

In de zaak met parketnummer 18.170789.25 heeft [slachtoffer 4] zich als benadeelde partij gevoegd met

[afbeelding niet beschikbaar]

een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van 100,00 ter zake van materiële schade en 1.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [slachtoffer 3] niet ontvankelijk moeten worden verklaard in verband met het feit dat de poging tot doodslag niet strafbaar is en de vernieling niet bewezen kan worden.

Voor wat betreft de vordering van [slachtoffer 4] heeft de officier van justitie gesteld dat de rechtbank door gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid de vordering kan toewijzen tot

300,00.

Standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging heeft de raadsman primair verzocht de vordering in de zaak met parketnummer 18.156787.25 niet ontvankelijk te verklaren.

De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 4] moet worden afgewezen, nu deze niet is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]

De rechtbank acht het feit niet strafbaar waaruit de schade zou zijn ontstaan en de rechtbank zal verdachte daarom geen straf of maatregel opleggen voor dit feit. De benadeelde partijen worden daarom niet ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partijen worden daarom niet ontvankelijk verklaard in hun vordering.

[slachtoffer 4]

Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18.170789.25 bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over

[afbeelding niet beschikbaar]

onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. De vordering is namelijk op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 23 september 2024 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 8 oktober 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 23 juni 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18.156787.25 als feit 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18.156787.25 feit 1 primair ten laste gelegde bewezen als voormeld maar niet te zijn een strafbaar feit. Ontslaat verdachte ter zake van feit 1 primair van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder parketnummer 18.156787.25 feit 2 ten laste gelegde en het onder 18.170789.25ten

[afbeelding niet beschikbaar]

laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] Ten aanzien van 18.156787.25 feit 1 primair

Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat [slachtoffer 1] haar eigen proceskosten draagt.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [medeverdachte 2] Ten aanzien van 18.156787.25 feit 1 primair

Verklaart de vordering van [medeverdachte 2] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat [medeverdachte 2] haar eigen proceskosten draagt.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [medeverdachte 1] Ten aanzien van 18.156787.25 feit 1 primair

Verklaart de vordering van [medeverdachte 1] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat [medeverdachte 1] zijn eigen proceskosten draagt.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] Ten aanzien van 18.156787.25 feit 3

Verklaart de vordering van [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat [slachtoffer 3] zijn eigen proceskosten draagt.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] Ten aanzien van 18.170789.25

[afbeelding niet beschikbaar]

Verklaart de vordering van [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat [slachtoffer 4] zijn eigen proceskosten draagt.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18.099588.24

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 23 september 2024, te weten een gevangenisstraf van 3 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. H.H. Kielman en mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 november 2026.

Mr. T.M. Doorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[afbeelding niet beschikbaar]

1. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde

opsporingsambtenaren opgemaakt. De genoemde paginas bevinden zich - tenzij anders aangegeven - in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025108812 gesloten op 29 september 2025.

2 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 06 oktober 2026.

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 25 juni 2025, p. 752.

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 17 april 2026 (aanvullend pv).

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 25 juni 2025, p. 752.

6 Forensisch Geneeskundig Letselverslag van 4 mei 2025, opgesteld door drs. Ing. T. van Mesdag , p. 1232

e.v.

7 Het proces-verbaal van forensisch onderzoek voertuigen van 23 juni 205, p. 1136 e.v.

8 NFI-rapport (schotrestenonderzoek) van 26 juni 2025, p. 1333 e.v. en het proces-verbaal van forensisch

onderzoek Toyota [kenteken 2] van 17 mei 2025, p. 1271 e.v.

9 NFI-rapport (schotrestenonderzoek) van 26 juni 2025, p. 1333 e.v. en het proces-verbaal van forensisch

onderzoek personen van 18 mei 2025, p. 1226

10 Het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict van 31 juli 2025, p. 1189 e.v.

11 Het proces-verbaal van forensisch onderzoek voertuig Kia [kenteken 1] van 17 juli 2025, p. 1241 e.v. en

het proces-verbaal van forensisch onderzoek Toyota [kenteken 2] van 17 mei 2025, p. 1271 e.v.

12 ( Herzien) NFI-rapport van 15 september 2025, opgesteld door ing. M.E. Bestebreurtje , p. 1366 e.v.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 2] door de rechter-commissaris van 14 april 2026.

14 Het proces-verbaal van bevindingen van 22 mei 2025, p. 244 e.v.

15 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 november 2024,

opgenomen op pagina 6 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024350998 van 26 maart 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 4] .

16 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 oktober 2026.

[afbeelding niet beschikbaar]