Materieel strafrecht

Verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaren en…

Rechtbank Noord-Nederland, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Assen
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
3 november 2026
Zaaknummer
18-930266-13
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:4670
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaren en voorwaardelijke beëindiging dwangverpleging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18-930266-13

beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 3 november 2026 in de rechtbank Noord-

Nederland

in de zaak tegen

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , thans verblijvende [adres] ,

onder verantwoordelijkheid van [instelling] , hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 10 september 2025 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank de termijn van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van veroordeelde zal verlengen met twee jaren.

De inhoudelijke behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2026, waarbij aanwezig waren de veroordeelde, zijn raadsvrouw mr. A.L. Louwerse, de officier van justitie, drs. [naam 1] als

deskundige en de benadeelde partijen, bijgestaan door mw. [naam 2] van Slachtofferhulp.

De rechtbank heeft acht geslagen op de stukken, waaronder het door het (plaatsvervangend) hoofd van de inrichting ondertekende verlengingsadvies d.d. 25 augustus 2026, van het behandelteam van de instelling waar veroordeelde van overheidswege wordt verpleegd en de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van veroordeelde.

De rechtbank heeft voorts gelet op de adviezen als bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door drs. [naam 3] (psychiater) en [naam 4] (GZ-psycholoog), beiden niet verbonden aan de instelling waar veroordeelde wordt verpleegd.

Motivering

De opgelegde terbeschikkingstelling

Betrokkene is op 17 december 2013 door de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar en een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Bij arrest van 18 april 2014 heeft het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden veroordeelde tot dezelfde straf veroordeeld.

De terbeschikkingstelling is aangevangen op 30 oktober 2018 en laatstelijk op 22 oktober 2024 verlengd met twee jaren.

Het advies van de instelling

In het verlengingsadvies wordt geadviseerd de termijn van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging - in de vorm van transmuraal verlof - te verlengen met één jaar. In dit verlengingsadvies is onder meer opgemerkt, zakelijk weergegeven:

Veroordeelde is een 32-jarige man bij wie sprake is van een gespecificeerde

persoonlijkheidsstoornis met narcistische en vermijdende kenmerken. De kernproblematiek die ten grondslag ligt aan het indexdelict is nog actueel, maar is voldoende onder controle binnen het kader van voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging met (woon-)begeleiding vanuit de [instelling] , behandeling vanuit het Ambulant Centrum Rotterdam en toezicht vanuit de reclassering.

Veroordeelde is op 12 november 2024 overgeplaatst van het FPC naar [instelling] (hierna: [instelling] ). Sinds 5 maart 2026 verblijft hij in een trainingswoning in Rotterdam-West, onderdeel van [instelling] , en overnacht hij twee keer in de week bij zijn gezin. Veroordeelde heeft vanaf de start van plaatsing op [instelling] geen afspraken of regels overtreden. Zijn resocialisatietraject verloopt tot op heden naar tevredenheid, hij zet zich in voor opbouw van beschermende factoren, zijn relatie en zijn traject. Het traject richt zich uiteindelijk op zelfstandig wonen met ambulante begeleiding. Veroordeelde wenst eerst een periode zelfstandig te wonen in de trainingswoning, om zich uiteindelijk te voegen bij zijn gezin in Schiedam.

Bij het huidige niveau van zorg en toezicht is het risico op terugval in gewelddadig gedrag laag, risico op terugval specifiek in partnergeweld laag en bij voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging ook laag. Er is sprake van veel beschermende factoren.

De deskundige drs. [naam 1] heeft ter zitting van 20 oktober 2026 het advies bevestigd en de volgende toelichting gegeven, zakelijk weergegeven:

De kliniek heeft een wijziging in de problematiek van veroordeelde aangebracht. Er is geen sprake meer van psychopathie bij veroordeelde. Het risico op herhaling wordt onder andere om deze reden ingeschat als laag. Psychopathie is een belangrijke indicator voor gewelddadig gedrag. Zijn persoonlijkheidsstoornis is nog aanwezig.

De kliniek ziet geen aanleiding om veroordeelde groepstherapie te laten volgen, zoals wel door de psychiater wordt aanbevolen. Veroordeelde heeft een uitvoerige behandeling in verschillende vormen gehad. Er is ook geen indicatie om veroordeelde te onderwerpen aan medicatie. Gelet de positieve ontwikkelingen adviseert de instelling op dit moment om de terbeschikkingstelling met één jaar te verlengen en het bevel tot verpleging voorwaardelijk te beëindigen.

De adviezen van de deskundigen als bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid Sv.

In het door de deskundige drs. [naam 3] , psychiater, op 31 juli 2026 opgemaakte rapport wordt geadviseerd de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar te verlengen. Het advies houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Veroordeelde is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische maar

ook vermijdende trekken. Onder de huidige omstandigheden verblijf in een trainingswoning van [instelling] in het kader van de lopende terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege en met transmuraal verlof wordt de kans op een nieuw geweldsdelict als laag ingeschat. Dit geldt ook als het bevel tot verpleging voorwaardelijk zou worden beëindigd. Hoewel veroordeelde thans twee nachten per week (en binnenkort waarschijnlijk drie nachten per week) bij zijn partner en hun dochter overnacht en overdag regelmatig aanwezig is, leven beide partners nog niet structureel samen. Er kan dus onvoldoende worden getoetst of veroordeelde op dezelfde manier blijft functioneren als hij volledig ingebed is in het dagelijks gezinsfunctioneren. Of veroordeelde daadwerkelijk voldoende is veranderd, zal moeten blijken als hij volledig is geïntegreerd in de thuissituatie. Gezien de ernst van het indexdelict en het moeilijk kunnen beoordelen van de mate van verandering bij veroordeelde is het volgens de deskundige essentieel om behandeling in een langer ambulant kader door te laten lopen. Er dient daarbij volgens de deskundige grote alertheid te zijn op hoe betrokkene omgaat met conflicten binnen de relatie als de druk op verantwoordelijkheid nemen binnen het gezin toeneemt. De deskundige adviseert daarom de terbeschikkingstelling met twee jaren te verlengen en het bevel tot verpleging voorwaardelijk te beëindigen.

In het door de deskundige [naam 4] , GZ-psycholoog, op 30 juli 2026 opgemaakte rapport wordt geadviseerd de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren te verlengen en de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen. Het advies houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Bij veroordeelde kan in classificerende zin gesproken worden van een ander gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en vermijdende trekken. Onder de huidige voorwaarden (ook bij voorwaardelijke beëindiging van het bevel tot verpleging) wordt de kans op recidive als laag ingeschat. Bij onmiddellijke beëindiging en verval van zorg wordt het recidiverisico ingeschat als laag en op termijn kan het oplopen tot matig. In de lijn van de doorgemaakte ontwikkeling van veroordeelde luidt het advies het bevel tot verpleging voorwaardelijk te beëindigingen. De deskundige acht het wel van belang dat veroordeelde langere tijd ambulant wordt gevolgd. Het is volgens de deskundige belangrijk betrokkene binnen de systeem-therapie te volgen in hoe hij zijn relatie verder vorm geeft en alert te zijn op de dynamiek (ervaren van afwijzing, onrecht, krenking, woede) die geleid heeft tot het indexdelict. Daarom wordt een verlenging van de maatregel met twee jaar geadviseerd.

Het advies van de reclassering

In het advies van 15 oktober 2026 heeft de reclassering geadviseerd om de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen en de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren te verlengen. Veroordeelde heeft vanuit behandelinhoudelijk perspectief gedurende de dwangverpleging aan zijn behandeldoelen gewerkt en heeft een behandelontwikkeling doorgemaakt. De tussenstap van proefverlof wordt niet noodzakelijk geacht. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag, het risico op letsel wordt ingeschat als laag en het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. Het reclasseringscontact is pas op 30 april 2026 aangevangen. De verwachting is dat het duurzaam en stabiel vormgeven van de gezinssituatie, evenals het realiseren van een passende en zorgvuldige uitstroom, meer dan één jaar in beslag zal nemen. Een verlenging van de maatregel met twee jaar biedt daarmee naar verwachting voldoende tijd om het risicomanagement gedurende dit proces adequaat te kunnen waarborgen. De reclassering adviseert de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen onder (kort gezegd) de volgende voorwaarden: geen strafbare feiten plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht,

meewerken aan een time-out als de reclassering dat nodig vindt, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, ambulante behandeling en/of begeleiding, woonbegeleiding, meewerken aan middelenverbod- en controle, meewerken aan schuldhulpverlening en/of beschermingsbewind, dagbesteding, contactverbod met vader van het slachtoffer, locatieverbod en niet naar het buitenland gaan zonder toestemming van de reclassering.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij haar vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met twee jaren. Zij heeft daarnaast de voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling gevorderd onder de voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering in het rapport van 15 oktober 2026. Zij verzoekt tot slot om een aanvulling van de voorwaarden inhoudende dat het contactverbod ook ziet op de moeder en broer van het slachtoffer.

Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsvrouw

De raadsvrouw heeft verzocht de terbeschikkingstelling met dwangverpleging te verlengen met één jaar en de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen. Zij heeft daartoe onder andere aangevoerd dat de instelling en de deskundigen het risico op geweld als laag hebben ingeschat. Dit geeft aanleiding om veroordeelde over één jaar opnieuw te toetsen. Na dat jaar kan dan worden gekeken of er nieuwe risicos zijn ontstaan in de relatie waardoor een verlenging noodzakelijk zou zijn, gebaseerd op feitelijke ervaringen van het volledig samenwonen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de overwegingen in het onderliggende arrest vast dat de terbeschikkingstelling niet in duur beperkt is en dus verlengd kan worden.

Op grond van de inhoud van voormelde adviezen, de door de deskundige gegeven toelichting en hetgeen uit het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen vereist dat de termijn van de dwangmaatregel wordt verlengd. De rechtbank zal de terbeschikkingstelling, overeenkomstig de vordering en de deskundigenadviezen, met twee jaar verlengen.

De rechtbank overweegt daartoe dat veroordeelde nog maar relatief kort in een trainingswoning verblijft en dat combineert met een aantal nachten bij zijn gezin. In de komende maanden wordt het verblijf bij het gezin geleidelijk uitgebreid naar uiteindelijk zeven nachten per week. Tegen de tijd dat veroordeelde zeven nachten per week bij zijn gezin kan overnachten, komt een volgende verlengingszitting bij een verlenging van de maatregel met één jaar al snel in zicht. Naar het oordeel van de rechtbank is dit nog te snel om op dat moment een volledig beeld te hebben van het functioneren van veroordeelde binnen het voltijd gezinsleven. Daarnaast leidt de mogelijkheid om zeven nachten per week bij zijn gezin te overnachten er nog niet toe dat veroordeelde volledig bij zijn gezin inwoont en daarin volledig is geïntegreerd. Ook om die reden is monitoring gedurende twee jaren en daarmee een verlenging van de tbs met twee jaren aangewezen.

De rechtbank is gelet op voormelde adviezen van oordeel dat het gevaar van de veroordeelde voor de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen dusdanig is teruggebracht dat het verantwoord is de verpleging van overheidswege onder de door de reclassering opgestelde voorwaarden te

beëindigen. Het contactverbod zal ook gelden tegenover de moeder en de broer van het slachtoffer.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van veroordeelde met twee jaren en beëindigt voorwaardelijk de verpleging van overheidswege van de veroordeelde en stelt als voorwaarden dat veroordeelde:

1. zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. meewerkt aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de veroordeelde:

3. zich meldt op afspraken bij de reclassering, zo vaak de reclassering dit nodig acht;

4. een of meer vingerafdrukken laat nemen en een geldig identiteitsbewijs laat zien, ter vaststelling van de identiteit van veroordeelde;

5. zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

6. te allen tijde bereikbaar is voor zijn begeleiders en behandelaren;

7. meewerkt aan huisbezoeken;

8. de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

9. zich niet op een ander adres vestigt zonder toestemming van de reclassering;

10. meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;

11. zicht verschaft aan de reclassering over de voortgang van zijn resocialisatie en begeleiding en de reclassering toestemming verleent om relevante referenten te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn netwerk;

12. geen omgang zal hebben met personen die zijn resocialisatie in gevaar (kunnen) brengen, zich open opstelt inzake het aangaan van nieuwe relaties of bestaande relaties en geen bezwaar heeft dat deze op gepaste en discrete wijze door de reclassering worden gescreend.

3. zich voor een time-out laat opnemen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling, indien de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;

4. zal verblijven - indien geïndiceerd - in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zo lang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig acht. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering en/of de zorginstelling voor hem heeft opgesteld;

5. zich laat behandelen - indien geïndiceerd - door het Ambulante Centrum van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychische- en verslavingsproblematiek;

6. zich laat begeleiden door het Extramuraal Forensisch Team van [instelling] , of een

soortgelijke instelling, en zich houdt aan de begeleidingsafspraken van deze instelling, zolang de reclassering dit nodig acht;

7. geen alcohol en drugs gebruikt en meewerkt aan controle hierop, zo lang de reclassering dit nodig acht. De reclassering kan urine- en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd en door welke instelling dit wordt gedaan;

8. inzage geeft in zijn financiën en zo nodig meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen. Indien geïndiceerd werkt veroordeelde mee aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en/of beschermingsbewind en/of budgetbeheer;

9. zich inzet voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

10. op geen enkele wijze - direct of indirect contact heeft of zoekt met [naam 5] (moeder van het slachtoffer), [naam 6] (vader van het slachtoffer) en [naam 7] (broer van het slachtoffer), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;

11. zich niet bevindt in

11. Roden, gemeente Noordenveld;

11. Grijpskerk, gemeente Westerkwartier;

11. Bakkeveen, gemeente Opsterland;

11. Haulerwijk, gemeente Ooststellingwerf;

11. Leek en Tolbert, gemeente Westerkwartier, met uitzondering van de provinciale wegen die uitkomen op buurtschap Nietap te weten N386 en N372 dan wel het buurtschap Nietap, indien de reclassering hier voorafgaand toestemming voor geeft;

11. Assen, gemeente Assen.

De reclassering kan het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan veroordeelde toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden;

12. niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden zal gaan, zonder toestemming van de reclassering.

Draagt Reclassering Nederland op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Deze beslissing is gegeven door mr. J. Faber, voorzitter, mr. H.R. Eising en mr. L.E. Ettema, rechters, bijgestaan door mr. N.J. Aarts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 november 2026.

Mr. J. Faber is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.