Materieel strafrecht

Veroordeling voor meerdere beschadigingen en een mishandeling. Oplegging van een onvoorwaardelijke…

Rechtbank Noord-Nederland, 27 maart 2026

Zaakgegevens

Op 27 maart 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Assen
Datum uitspraak
27 maart 2026
Datum publicatie
27 maart 2026
Zaaknummer
18/000052-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:992
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor meerdere beschadigingen en een mishandeling. Oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren. Tussentijdse toetsing na 1 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/000052-26

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/094953-25

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .

Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 maart 2026.

De gemachtigde advocaat van verdachte, mr. B.M.R. te Baerts, advocaat te Maastricht, is ter terechtzitting verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 31 december 2025, te of bij [plaats] , (althans) in de gemeente Emmen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door in/tegen/op de neus en/of het gezicht te slaan;

2. hij op of omstreeks 31 december 2025, te of bij [plaats] , (althans) in de gemeente Emmen, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Toyota Rav4), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt, en/of opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Hyundai, kleur zwart), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3. hij op of omstreeks 31 december 2025, te of bij [plaats] , (althans) in de gemeente Emmen, opzettelijk en wederrechtelijk een (houten) schutting en/of poort, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4. hij op of omstreeks 31 december 2025, te of bij [plaats] , (althans) in de gemeente Emmen; opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk BMW), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1, 2, 3 en 4.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank acht op grond van hetgeen uit het dossier volgt omtrent de locaties en tijdstippen van de feiten en hetgeen voor het overige in onderling verband en in samenhang bezien uit de bewijsmiddelen volgt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 31 december 2025 aangever [slachtoffer 1] heeft mishandeld, de autos van aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] heeft beschadigd en de schutting en tuinpoort van aangever [slachtoffer 3] heeft beschadigd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. hij op 31 december 2025 te [plaats] [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem in het gezicht te slaan;

2. hij op 31 december 2025 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Toyota Rav 4) die aan [slachtoffer 1] toebehoorde heeft beschadigd, en opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Hyundai, kleur zwart) die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft beschadigd;

3. ?

hij op 31 december 2025 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een houten schutting en poort die aan [slachtoffer 3] toebehoorden heeft beschadigd;

4. hij op 31 december 2025 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk BMW) die aan [slachtoffer 5] toebehoorde heeft beschadigd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. mishandeling.

  2. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen, meermalen gepleegd.

  3. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

  4. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering van de op te leggen maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) als bedoeld in artikel 38m van het

Wetboek van Strafrecht voor de duur van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de oplegging van een straf of maatregel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft verzocht om bij oplegging van een ISD-maatregel bij vonnis te bepalen dat na een jaar een tussentijdse toetsing zal plaatsvinden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de oplegging van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsadvies van 18 februari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 februari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op 31 december 2025, schijnbaar behoorlijk onder invloed van verdovende middelen en alcohol, schuldig gemaakt aan een mishandeling, het beschadigen van 3 autos en het beschadigen van een schutting en tuinpoort. Dit zijn zeer vervelende en overlastgevende feiten. Verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect getoond voor de eigendommen van anderen en met de door hem gepleegde mishandeling tevens een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van slachtoffer [slachtoffer 1] .

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsadvies van 18 februari 2026. Uit voornoemd advies blijkt dat verdachte een 30-jarige veelpleger is, bij wie sprake is van een langdurig bestaand patroon van het plegen van vermogens- en geweldsdelicten. Het algemene recidiverisico, het risico op geweldsrecidive en het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt hoog ingeschat. Eerdere justitiële interventies, waaronder taakstraffen, (deels) voorwaardelijke gevangenisstraffen met intensieve voorwaarden, ambulante én klinische trajecten, zijn herhaaldelijk ingezet, maar liepen stuk op agressie, voortijdige beëindiging of recidive. Er zijn geen beschermende factoren. Gelet op het uitblijven van gedragsverandering en het ontbreken van minder ingrijpende, haalbare alternatieven, adviseert de reclassering oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Deze maatregel biedt een kader waarbinnen gedurende een langere periode intensieve begeleiding en behandeling in een beveiligde setting gerealiseerd kan worden. De ter terechtzitting verschenen deskundige mw. [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker, heeft het reclasseringsadvies bevestigd en nader toegelicht.

Op te leggen maatregel

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan zowel de wettelijke vereisten die in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van een ISD-maatregel zijn gesteld als aan de richtlijnen die het Openbaar Ministerie hanteert voor het vorderen van de ISD-maatregel. Verdachte voldoet derhalve aan de

definitie van een stelselmatige dader als bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Bewezenverklaard is immers dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van deze strafbare feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot

een vrijheidsbenemende straf en het in onderhavig vonnis bewezen en strafbaar verklaarde is begaan ná tenuitvoerlegging van voornoemde straffen. Voorts zag verdachte over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit en blijkt uit het reclasseringsadvies van 18 februari 2026 dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De rechtbank onderschrijft de conclusie van de reclassering dat oplegging van een

ISD-maatregel is aangewezen. Verdachte heeft de afgelopen jaren veel strafbare feiten gepleegd en blijft met politie en justitie in aanraking komen. De tot op heden opgelegde straffen, alsmede de tot op heden ondernomen reclasseringstoezichten in het kader van voorwaardelijk opgelegde straffen hebben niet geleid tot het doen stoppen van voortdurende recidive door verdachte. Gelet op het hoge recidiverisico en de eerdere mislukte reclasseringstoezichten, ziet de rechtbank thans geen mogelijkheden het risico op recidive te beperken middels een reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive door verdachte. Gelet op de tijd die nodig zal zijn om bij verdachte tot gedragsverandering te komen, is de rechtbank van oordeel dat de ISD-maatregel moet worden opgelegd voor de maximale duur van twee jaren. De rechtbank ziet gelet op de leeftijd en problematiek van verdachte aanleiding om één jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel te toetsen.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

  1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van 1.225,45 ter zake van materiële schade en 250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

  2. [slachtoffer 5] , tot een bedrag van 726,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1]

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering tot schadevergoeding gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 5]

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering tot schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van 458,84, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1]

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu het onduidelijk is of en in hoeverre de schade reeds door de verzekering is vergoed. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht een bedrag van

120,00 toe te wijzen, waarbij zij heeft verwezen naar uitspraak 2216 uit de Smartengeldgids.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 5]

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De benadeelde partij heeft de vordering onderbouwd met een offerte, waarvan niet is vast te stellen dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Voorts volgt uit het taxatierapport dat niet [slachtoffer 5] , maar [bedrijf] eigenaar van de auto is. Niet is vast te stellen dat [slachtoffer 5] de gevorderde schade heeft geleden. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering toe te wijzen tot het bedrag genoemd in het taxatierapport met aftrek van de BTW kosten, nu er kennelijk sprake is van schade geleden door een bedrijf.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 2 bewezen verklaarde. Het formulier “verzoek tot schadevergoeding” is ingevuld door een gevolmachtigde van Univé Rechtshulp, die vanuit professioneel oogpunt de verplichting heeft naar waarheid en geweten te verklaren. In de vordering is aangegeven dat er geen vergoeding van de gestelde schade heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat zij er gelet op voorgaande vanuit kan gaan dat de gestelde schade niet door de verzekering is vergoed en zal het gevorderde bedrag ter vergoeding van materiële schade toewijzen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het gevorderde bedrag ter

vergoeding van immateriële schade als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde redelijk en billijk is, en ziet in de door de raadsvrouw aangehaalde uitspraak geen aanleiding dit bedrag te matigen. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2025.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 5]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 4 bewezen verklaarde. Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd is een offerte ter onderbouwing van geleden schade voldoende voor toewijzing, aangezien er voor de benadeelde partij geen verplichting tot herstel bestaat. Uit de aangifte in combinatie met het taxatierapport overgelegd ter onderbouwing van de gevorderde schadevergoeding leidt de rechtbank af dat voldoende vaststaat dat [slachtoffer 5] werkzaam is bij [bedrijf] , eigenaar van de auto volgens het taxatierapport. De rechtbank is van oordeel dat de vordering met het taxatierapport voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen tot het schadebedrag genoemd in dat rapport met uitzondering van de BTW kosten, nu er kennelijk sprake is van bedrijfsvoering. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van 379,21, en de vordering voor het overige afwijzen.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 9 september 2025 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De proeftijd is ingegaan op 24 september 2025.

De officier van justitie heeft bij vordering van 11 februari 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden afgewezen, zodat de proeftijd verbonden aan deze opgelegde voorwaardelijke straf na afloop van de ISD-

maatregel nog enige tijd doorloopt.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Nu veroordeelde het bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. De rechtbank acht toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging op dit moment niet opportuun, nu zij overgaat tot oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feiten 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 1 (één) jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Ten aanzien van feiten 1 en 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:

  • het bedrag van 1.475,45 (zegge: duizend vierhonderdvijfenzeventig euro en vijfenveertig eurocent);

  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 december 2025 tot de dag van algehele voldoening;

  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.475,45 (zegge: duizend vierhonderdvijfenzeventig euro en vijfenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.225,45 aan materiële schade en

250,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 14 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van feit 4

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 5] te betalen:

  • het bedrag van 379,21 (zegge: driehonderdnegenenzeventig euro en eenentwintig eurocent);

  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 december 2025 tot de dag van algehele voldoening;

  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van [slachtoffer 5] voor het overige af.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat te betalen een bedrag 379,21 (zegge: driehonderdnegenenzeventig euro en eenentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 379,21 aan materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 3 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18 094953-25:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 9 september 2025.

Dit verkort vonnis is gewezen door mr. G. Veenstra, voorzitter, mr. R. Baluah en

mr. R. Depping, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Nijmeijer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2026.

Mr. G. Veenstra en mr. R. Baluah zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.