Strafrecht overig
“De rechtbank spreekt verdachte vrij van de onder 1 ten laste gelegde huisvredebreuk. Niet bewezen kan worden…
Rechtbank Noord-Nederland, 22 mei 2015
ECLI:NL:RBNNE:2015:2448 · Rechtbank Noord-Nederland · 22 mei 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2015-2448
Zaakgegevens
Op 22 mei 2015 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Assen
- Datum uitspraak
- 22 mei 2015
- Datum publicatie
- 21 mei 2015
- Zaaknummer
- 18.920052-15
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2015:2448
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
“De rechtbank spreekt verdachte vrij van de onder 1 ten laste gelegde huisvredebreuk. Niet bewezen kan worden dat verdachte de woning van de aangever wederrechtelijk is binnengedrongen. Uit de aangifte blijkt niet dat hij verdachte (met woorden of daden) op niet mis te verstane wijze de toegang tot zijn woning heeft ontzegd.
Ook van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde wordt verdachte vrijgesproken. De rechtbank constateert dat zich in het dossier onvoldoende bewijs bevindt dat verdachte de aangever op de ten laste gelegde datum (zwaar) lichamelijk letsel heeft toegebracht.”
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
Parketnummer: 18/920052-15
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 mei 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats]
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
8 mei 2015.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.H.T. de Haas, advocaat te Harderwijk.
Het Openbaar Ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.M. de Vries, officier van justitie.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
verdachte op of omstreeks 1 maart 2015,
te [pleegplaats 1], (althans) in de gemeente Coevorden,
in een woning, gelegen aan de [adres], aldaar, en in
gebruik bij [slachtoffer 1], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte,
wederrechtelijk is binnengedrongen;
2.
verdachte op of omstreeks 27 januari 2015,
te [pleegplaats 2], (althans) in de gemeente Emmen,
aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten vier of vijf
gebroken ribben, heeft toegebracht door die [slachtoffer 2], met kracht, met een
geschoeide voet, op de linkerzijde van diens lichaam (een soort van karate)
trap te geven, in elk geval door die [slachtoffer 2] (zeer) (krachtig) tegen diens
lichaam te schoppen of te trappen;
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
verdachte op of omstreeks 27 januari 2015,
te [pleegplaats 2], (althans) in de gemeente Emmen,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2], met kracht, met een geschoeide
voet, op de linkerzijde van diens lichaam (een soort van karate) trap te
geven, in elk geval door die [slachtoffer 2] (zeer) (krachtig) tegen diens lichaam te
schoppen of te trappen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten vier of vijf gebroken
ribben ten gevolge heeft gehad.
Bewijsvraag
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt dat hij verdachte geen toestemming had gegeven om zijn woning te betreden, terwijl de verklaring van de echtgenote van [slachtoffer 1] bevestigt dat verdachte zich in hun woning bevond.
Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte van de primair ten laste gelegde zware mishandeling moet worden vrijgesproken, omdat uit de GGD letselrapportage blijkt dat bij onderzoek van het slachtoffer (aangever) geen recente ribfracturen zijn geconstateerd. De subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan wel worden bewezen, gelet op de aangifte van het slachtoffer en de verklaring van [getuige].
Standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op grond van de aangifte niet kan worden bewezen dat verdachte de woning van [slachtoffer 1] wederrechtelijk is binnengedrongen.
Ook van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde dient verdachte volgens zijn raadsman te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de aangifte van [slachtoffer 2] onvoldoende door ander bewijsmateriaal wordt ondersteund. De verklaring van [getuige] kan wegens onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs worden gebruikt en de letselverklaring komt op belangrijke punten niet overeen met de aangifte. Uit de letselverklaring blijkt namelijk dat van recente ribfracturen geen sprake is.
Beoordeling van het bewijs
Feit 1
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de woning van [slachtoffer 1] wederrechtelijk is binnengedrongen. Van wederrechtelijk binnendringen is sprake wanneer een woning, besloten lokaal of erf wordt betreden tegen de onmiskenbare wil van de bewoner of gebruiker. Uit de aangifte blijkt echter niet dat [slachtoffer 1] (met woorden of daden) op niet mis te verstane wijze verdachte de toegang tot zijn woning heeft ontzegd. Het was voor verdachte dan ook niet kenbaar dat het betreden van de woning tegen de wil van [slachtoffer 1] plaatsvond. Gelet daarop zal verdachte van het onder 1 ten laste gelegde worden vrijgesproken.
Feit 2
De rechtbank constateert dat zich in het dossier onvoldoende bewijs bevindt dat verdachte
[slachtoffer 2] op de ten laste gelegde datum, te weten 27 januari 2015, heeft mishandeld. Op
12 maart 2015 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van zware mishandeling door verdachte waarbij hij 4 of 5 ribben zou hebben gebroken. Dat zou volgens [slachtoffer 2] op 3 februari 2015 hebben plaatsgevonden. Uit de letselrapportage blijkt dat op 30 januari 2015 bij het slachtoffer een oude ribfractuur is geconstateerd, maar dat van recente fracturen die te relateren zijn aan de door [slachtoffer 2] aangegeven karatetrap geen sprake is. Verder wordt uit de stukken niet duidelijk of en zo ja op welke datum en welke (huis)arts [slachtoffer 2] heeft geconsulteerd. In de letselrapportage wordt vermeld dat in het dossier van de huisarts eigenlijk geen melding wordt gemaakt van een mishandeling. Wel is er op 19 februari 2015 een melding dat hij veel pijn aan zijn ribben heeft.
De verklaring van [getuige], wiens summiere verklaring overigens slechts is opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen en die verder niet als getuige is gehoord, is naar het oordeel van de rechtbank niet bruikbaar als steunbewijs. [getuige] noemt namelijk niet de datum waarop de mishandeling zou hebben plaatsgevonden en ook over verdere details verklaart hij niet. Gelet daarop zal verdachte van zowel het onder 2 primair als het onder
2 subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 10,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.
Nu de rechtbank het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen acht, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Hij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2 primair en 2 subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, mr. E. Läkamp en
mr. P.J. van Steen, rechters, bijgestaan door mr. K.R. Starreveld, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 mei 2015.