Strafrecht overig

Veroordeling ongewenst vreemdeling tot gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Rechtbank Noord-Nederland, 12 september 2016

Zaakgegevens

Op 12 september 2016 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
12 september 2016
Datum publicatie
12 september 2016
Zaaknummer
18/121092-16
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2016:4116
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling ongewenst vreemdeling tot gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie Groningen

parketnummer 18/121092-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

12 september 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2016.

De verdachte is niet verschenen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.L. van den Broek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 mei 2015 te Drachten, gemeente Smallingerland, in elk geval in Nederland,

als vreemdeling heeft verbleven,

terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden

dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift,

tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF

terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor verdachte van de politie Noord-Nederland d.d. 22 mei 2015, opgenomen op pagina 28 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2015144617 d.d. 22 mei 2015, inhoudende de verklaring van verdachte;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt stam proces-verbaal van bevindingen van de politie Noord-Nederland, gedateerd 13 april 2013, opgenomen op pagina 2 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2];

3. een schriftelijk stuk d.d. 8 oktober 2010, opgenomen op pagina 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende een beschikking waarbij verdachte tot ongewenst vreemdeling wordt verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 22 mei 2015 te Drachten, gemeente Smallingerland, als vreemdeling heeft verbleven,

terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. De officier van justitie heeft bij de formulering van zijn eis in het nadeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat verdachte eerder met politie en/of justitie in aanraking is gekomen en in het voordeel van verdachte dat zijn medewerking in de afgelopen jaren nog niet tot terugkeer naar Marokko heeft geleid.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte

zoals deze naar voren is gekomen uit het dossier, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht door in Nederland te verblijven, terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard en het hem dus niet was toegestaan in Nederland te verblijven. Het opzettelijk handelen in strijd met de bepalingen van de vreemdelingenwetgeving en met de daarop gegronde beslissingen van de autoriteiten, is een voor de Nederlandse samenleving bezwarend delict. .

Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven wordt daar een gevangenisstraf van twee maanden.

In onderhavig geval is sprake van eerdere strafzaken ter zake het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven op grond waarvan de rechtbank één geval van recidive vaststelt. Aan de andere kant heeft verdachte meegewerkt aan een presentatie aan de autoriteiten van [geboorteplaats], hetgeen niet tot de verstrekking van een laisser passer aan verdachte en zijn terugkeer naar [geboorteplaats] heeft geleid .

Gelet hierop ziet de rechtbank, evenals de officier van justitie, geen reden om een zwaardere gevangenisstraf op te leggen dan het hiervoor genoemde oriëntatiepunt. De rechtbank ziet geen aanleiding de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Dit vonnis is gewezen door mrs. L.W. Janssen, voorzitter, H.H.A. Fransen en O.J. Bosker, rechters, bijgestaan door M. Smit-Colnot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 september 2016.

Mrs. Fransen en Bosker zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.