Strafrecht overig
Beroep ex art 27 WWETGC mbt een België opgelegde beslissing tot confiscatie van 215.448,92 euro en 12.2145,04…
Rechtbank Noord-Nederland, 20 maart 2019
ECLI:NL:RBNNE:2019:2504 · Rechtbank Noord-Nederland · 20 maart 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2019-2504
Zaakgegevens
Op 20 maart 2019 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 20 maart 2019
- Datum publicatie
- 11 juni 2019
- Zaaknummer
- rekestnummer 18/725
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2019:2504
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep ex art 27 WWETGC mbt een België opgelegde beslissing tot confiscatie van 215.448,92 euro en 12.2145,04 euro. Veroordeelde heeft alleen aangegeven het niet eens te zijn met de beslissing omdat er toch wel een paar zeer belangrijke punten zijn die niet kloppen. De rechtbank mag niet treden in het in België gevoerde rechtsgeding of de daar genomen beslissing. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
rekestnummer 18/725
cjib zaaknummer 300000088
Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 20 maart 2019 op het beroep ex artikel 27 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [straatnaam],
hierna: veroordeelde.
Procesverloop
Veroordeelde heeft per brief, gedateerd 27 november 2018, beroep ingesteld tegen de op 18 juli 2018 genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 10 december 2012 door het Hof van beroep te Gent (België) opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van € 215.448,92 en een bedrag van € 12.245,04.
Veroordeelde is per brief gewezen op de mogelijkheid schriftelijk aanvullende gronden van beroep in te dienen. De mondelinge behandeling heeft op 27 februari 2019 plaatsgevonden. Veroordeelde is niet verschenen. De oproeping voor de behandeling is veroordeelde tijdig en in persoon uitgereikt.
Motivering
1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 27 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.
2. Uit de stukken blijkt dat de beslissing van de officier van justitie tot erkenning van de confiscatiebeslissing op 26 november 2018 aan veroordeelde is betekend. Uit een door veroordeelde toegezonden bewijs van bezorging blijkt dat zijn brief op 29 november 2018 is bezorgd bij het gerechtsgebouw in Leeuwarden. Het beroep is daarmee tijdig ingesteld.
3. In zijn brief van 27 november 2018 heeft veroordeelde aangegeven dat hij in beroep gaat tegen de Europese confiscatiebeslissing vanuit België omdat hij het niet eens is met deze beslissing aangezien er toch wel een paar zeer belangrijke punten zijn die zijns inziens niet kloppen. Veroordeelde heeft verder aangegeven dat zijn advocaat zich zal voegen in deze zaak. Veroordeelde heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om -na ontvangst van de stukken- schriftelijk aanvullende gronden in te dienen.
4. De rechtbank heeft geen stelbrief of iets dergelijks ontvangen van een advocaat die voor veroordeelde zou willen optreden in deze zaak.
5. De officier van justitie heeft bij de behandeling in raadkamer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
6. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 27 van de WWETGC gelden:
I. de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
II. de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
III. de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
7. Het verweer van veroordeelde dat er toch wel een paar zeer belangrijke punten zijn die zijns inziens niet kloppen, behoeft geen bespreking. Niet alleen omdat niet is aangegeven wat voor punten dit dan zijn maar vooral ook omdat de rechtbank niet mag treden in het in België gevoerde rechtsgeding of de daar genomen beslissing.
8. De rechtbank heeft vastgesteld dat de wettelijk voorgeschreven stukken aanwezig zijn.
9. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 20 maart 2019 door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. K. Post en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier.