Strafrecht overig

Verdachte wordt vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste…

Rechtbank Noord-Nederland, 23 mei 2023

Zaakgegevens

Op 23 mei 2023 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Assen
Datum uitspraak
23 mei 2023
Datum publicatie
10 juli 2025
Zaaknummer
18.318408.22
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2023:5639
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte wordt vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de verklaring van aangever onvoldoende ondersteund door de overige inhoud van het procesdossier en is niet komen vast te staan dat verdachte de persoon is geweest die aangever met een scherp voorwerp heeft gestoken. De rechtbank constateert in dat verband dat geen (nader) onderzoek is gedaan naar mogelijk bruikbare camerabeelden en/of het DNA in de ter plaatse aangetroffen bloedsporen.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer 18.318408.22

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 mei 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 mei 2023. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.H. Wormmeester, advocaat te Emmen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 november 2020 te Emmen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, hebbende hij, verdachte, met een mes in de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 november 2020 te Emmen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen hebbende hij, verdachte, met een mes in de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangever, inhoudende dat hij door verdachte met een mes in zijn borststreek is gestoken, wordt ondersteund door de onafhankelijke getuigenverklaring van de heer [getuige] en het bij aangever geconstateerde letsel. De verklaring van verdachte inhoudende dat het bij aangever geconstateerde letsel door een ander dan door verdachte is toegebracht, is naar het oordeel van de officier van justitie onwaarschijnlijk. Door de officier van justitie is voorts aangevoerd dat

het steken met een mes in de borst van een persoon, gelet op de kwetsbare lichaamsdelen die zich daar bevinden, de aanmerkelijke kans oplevert dat die persoon komt te overlijden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte de persoon is geweest die aangever met een scherp voorwerp heeft gestoken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Op grond van de verklaringen zoals die door aangever, de getuigen [getuige] en [getuige] en verdachte zijn afgelegd, stelt de rechtbank vast dat op 1 november 2020 eerst binnen en daarna buiten de woning (van de grootmoeder van getuigen [getuige] ) een handgemeen is ontstaan tussen aangever en verdachte. Aangever wordt enige tijd daarna gewond aangetroffen en overgebracht naar het ziekenhuis alwaar - zo blijkt uit de daartoe opgemaakte geneeskundige verklaring - is vastgesteld dat aangever een steekwond in zijn borststreek heeft.

In zijn eerste verklaring heeft aangever verklaard te zijn overvallen door een persoon met een bivakmuts, waarbij hij door deze persoon is neergestoken. In een later afgelegde verklaring zegt aangever dat hij zijn eerst afgelegde verklaring heeft verzonnen en verklaart hij dat hij door verdachte met een mes is gestoken.

De rechtbank stelt verder vast dat geen van de getuigen die in en rond dezelfde woning aanwezig zijn geweest ten tijde van het handgemeen tussen aangever en verdachte hebben verklaard dat aangever door verdachte is gestoken of dat verdachte een mes had. Getuige [getuige] heeft verklaard te hebben gezien dat meerdere personen ruzie met elkaar hadden en dat één van die personen twee keer met een mes op een ander heeft ingestoken. Getuige [getuige] heeft de persoon die volgens hem met een mes heeft gestoken niet herkend noch heeft hij deze persoon duidelijk kunnen omschrijven. De omschrijving die de getuige in eerste instantie heeft gegeven, “een lichtgetinte persoon, een Yoegoslaaf” past niet bij het signalement van verdachte. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangever dat verdachte degene is die hem heeft gestoken onvoldoende steun vindt in de getuigenverklaring van [getuige] .

Nu de verklaring van aangever evenmin in voldoende mate wordt ondersteund door de overige inhoud van het procesdossier is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte de persoon is geweest die aangever met een scherp voorwerp heeft gestoken. De rechtbank constateert in dat verband dat geen (nader) onderzoek is gedaan naar mogelijk bruikbare camerabeelden en/of het DNA in de ter plaatse aangetroffen bloedsporen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde onvoldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen zodat verdachte zal worden vrijgesproken.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Faber, voorzitter, mr. R. Baluah en mr. H. van der Werff, rechters, bijgestaan door mr. M. Mans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 mei 2023.

Mr. H. van der Werff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.