Strafrecht overig
Veroordeling voor vernieling en een viertal (gekwalificeerde) vermogensdelicten tot een gevangenisstraf voor…
Rechtbank Noord-Nederland, 21 februari 2023
ECLI:NL:RBNNE:2023:5640 · Rechtbank Noord-Nederland · 21 februari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2023-5640
Zaakgegevens
Op 21 februari 2023 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Assen
- Datum uitspraak
- 21 februari 2023
- Datum publicatie
- 11 juli 2025
- Zaaknummer
- 18-203851-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2023:5640
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor vernieling en een viertal (gekwalificeerde) vermogensdelicten tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Gelet op het schrijven van de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden. De rechtbank gelast voorts de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
Uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
Parketnummer 18/203851-22
Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/123338-20
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 februari 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 februari 2023.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Allersma, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.J. van der Heide.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 11 augustus 2022, te Assen, althans in de gemeente Assen, - in/uit een kantoor/ruimte van/in een pand aan [adres] , een hoeveelheid geld en/of twee, althans een bankpas(sen en/of een autosleutel, en/of
- een personenauto, merk: Fiat, type Panda, in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op of omstreeks 11 augustus 2022, te Assen, althans in de gemeente Assen, in/uit een geldautomaat aan de [adres] , een hoeveelheid geld, te weten 1250 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een gestolen bankpas;
3
hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2022 tot en met 7 maart 2022, te Emmen in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een woning aan de [adres] een (grote) hoeveelheid sieraden, te weten gouden en/of zilveren armbanden en/of kettingen en/of ringen en/of oorsieraden en/of manchetknopen en/of zeeuwsw knoppen, en/of een hoeveelheid muntgeld en/of een aantal horloges en/of twee, althans een videocamera('s) en/of een aantal waardezegels en/of een navigatiesysteem en/of sleutels, en/of (uit een bij die woning staande schuur/berging) een (electrische) fiets, merk: Stella, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot genoemde woning heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of door een valse sleutel;
4
hij op of omstreeks 1 juni 2022, te Emmer-Compascuum, althans in de gemeente Emmen, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk (een) goed(eren), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan na te noemen benadeelden, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft verdachte
-
in een pizzeria aan het [adres] een hoeveelheid papieren zakjes en/of een serverhouder, toebehorende aan [slachtoffer 3] , vernield en/of onbruikbaar gemaakt en/of
-
een plank en/of een steen van een woning aan het [adres] , toebehorende aan [slachtoffer 4] , vernield en/of beschadigd en/of
-
een bloempot en/of een plantenbak, staande bij een pand aan het [adres] , toebehorende aan [slachtoffer 5] , vernield en/of beschadigd;
5
hij op of omstreeks 30 juni 2022, te Emmer-Compascuum, althans in de gemeente Emmen, uit/in een woning aan de [adres] een scootmobiel, merk: Mini Crosser, en/of een laptop en/of een camera en/of een bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde feit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Zowel de verklaring van de anonieme getuige, zijnde een buurvrouw, als de verklaring van [getuige] zijn niet onverdacht nu verdachte met beide personen een verstoorde verstandhouding heeft. Ook is niet duidelijk van welke kwaliteit de in het proces-verbaal van bevindingen beschreven camerabeelden zijn. Hoewel er voldoende wettig bewijs voorhanden is, kan uit dat bewijs naar het oordeel van de raadsman niet de overtuiging worden afgeleid dat verdachte voornoemd feit heeft gepleegd.
Ten aanzien van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 5
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 juli 2022, opgenomen op pagina 79 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer [nummer] d.d. 23 augustus 2022 voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 6] :
Ik woon aan de [adres] te Emmer-Compascuum. Toen ik op 30 juni 2022 mijn
berging betrad, zag ik dat mijn scootmobiel niet meer op de plek stond waar ik hem had achtergelaten. Ik zag dat de deur niet meer afgesloten was met de dievenklauw. Hierop controleerde ik de achterdeur en deed de klink omlaag. Ik merkte dat de deur openging zonder dat ik de deur van het slot moest draaien. Ik kwam tot de conclusie dat er bij
mij ingebroken moest zijn. Ik zag dat mijn laptop niet meer op mijn bureau lag waar ik hem achter had gelaten. Ik zag dat mijn camera, van het merk Canon model A53, niet meer op de plek lag waar ik hem achter had gelaten. Ik zag ook dat mijn ABN-AMRO pinpas niet meer op mijn salontafel lag, waar ik hem achter had gelaten.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2022, opgenomen op pagina 84 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 30 juni 2022 liet getuige camerabeelden zien, afkomstig van een camera welke in de vensterbank aan de voorzijde van de woning stond. Ik zag dat de camera op een stukje van de openbare weg, de [adres] , gericht stond. Ik zag dat er twee personen aan de achterzijde van een personenauto, geparkeerd ter hoogte de [adres] , stonden. Ik zag dat de kofferbak geopend werd en er goederen in de kofferbak gelegd werden. Ik hoorde getuige vervolgens zeggen dat de personen, welke achter het voertuig stonden, [getuige] en [verdachte] betroffen. Ik hoorde getuige zeggen dat, voordat het voertuig vertrok en er goederen in de kofferbak werden gelegd, zij [verdachte] achter haar woning, in de brandgang, op een scootmobiel langs zag rijden. Ik hoorde getuige zeggen dat zij [verdachte]
vanaf de [adres] zag rijden, achter haar woning langs, in de richting van de openbare weg [adres] .
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 juli 2022, opgenomen op pagina 87 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
Ik woon aan de [adres] te Emmer-Compascuum. Op huisnummer [nummer] woont mijn buurman [slachtoffer 6] . Op 30 juni 2022 was [verdachte] bij mij thuis. Toen [slachtoffer 6] met de taxi was vertrokken hoorde ik [verdachte] zeggen dat hij naar de woning van [slachtoffer 6] zou gaan. Dezelfde dag werd mij verteld dat [verdachte] bij mijn buurman, op huisnummer [nummer] , stond. Hierop ben ik direct naar de achtertuin van mijn woning gelopen. Ik zag dat [verdachte] uit de achtertuin van de buurman, op huisnummer [nummer] , richting mijn achtertuin rende. Ook zag ik in de steeg, die achter onze achtertuinen langs loopt, de scootmobiel van de buurman, op huisnummer [nummer] , staan. Ik herkende de scootmobiel als die van mijn buurman, omdat ik hem dagelijks zie. Niemand anders in de omgeving heeft een scootmobiel. Ik heb tegen hem verteld, dat hij daar niet in moest breken, omdat ik er anders gezeur mee zou krijgen. Ik hoorde hem zeggen, dat dat niet het geval zou zijn en dat niemand erachter zou komen, omdat niemand hem gezien had. Ik zag dat hij een sleutelkastje uit zijn broekzak haalde. Deze hield hij in zijn handen vast. Vervolgens ben ik via de achtertuin mijn woning ingelopen.
Vanuit mijn woning zag ik dat [verdachte] , al rijdend, op de scootmobiel vertrok de steeg uit. Dezelfde avond stuurde [verdachte] via whatsapp het volgende bericht: 22:56 uur: Hou aub beetje je mond over wat er gaande is. Hierbij doelde hij op het voorval met de scootmobiel.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat door getuige [getuige] is gezien dat verdachte op 30 juni 2022 uit de tuin van aangever rent en in zijn bijzijn vervolgens een sleutelkastje uit zijn broekzak haalt. Ook heeft getuige [getuige] een scootmobiel, welke hij heeft herkend als zijnde de scootmobiel van aangever, in de steeg nabij de woning van aangever zien staan. Zowel getuige [getuige] als de anoniem gebleven getuige, zijnde een buurvrouw, hebben verdachte vervolgens op de betreffende scootmobiel uit de steeg, nabij de woning van aangever, zien rijden. Kort daarna is op camerabeelden vastgelegd hoe twee personen goederen in de kofferbak van een personenauto, geparkeerd in de [adres] te Emmer-Compascuum, aan het laden zijn. Voornoemde personen zijn door de anoniem gebleven getuige herkend als zijnde verdachte en getuige [getuige] . [getuige] heeft voorts verklaard dat hij diezelfde dag om 22:56 uur een whatsappbericht van verdachte ontving met de tekst Hou aub beetje je mond over wat er gaande is.
Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen feiten of omstandigheden die aanleiding geven de getuigenverklaringen van [getuige] noch de getuigenverklaring van de anoniem gebleven buurvrouw in twijfel te trekken. De getuigenverklaringen stemmen op belangrijke punten zowel met elkaar als met de aangifte overeen. De geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van [getuige] wordt voorts versterkt door de vastgelegde camerabeelden waarop door de anoniem gebleven getuige is waargenomen dat verdachte en getuige [getuige] zich tezamen, kort na het strafbare feit, in de [adres] te Emmer- Compascuum ophouden. Van enig inzichtelijk motief waarom de beide getuigen een verklaring zouden afleggen die niet op waarheid berust is niet gebleken.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat verdachte de woning van aangever is binnengedrongen en de scootmobiel, laptop, camera en bankpas van aangever heeft weggenomen. De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Voorts acht de rechtbank ook de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt:
Ten aanzien van feiten 1 en 2:
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 februari 2023;
-
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 augustus 2022, opgenomen op pagina 90 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van
[naam] .
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ten aanzien van feit 3:
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 februari 2023;
-
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 maart 2022, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van
[slachtoffer 2] .
Ten aanzien van feit 4:
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 februari 2023.
-
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 juni 2022, opgenomen op pagina 66 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van
[slachtoffer 3] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 juni 2022, opgenomen op pagina 69 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van
[naam] ;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 juni 2022, opgenomen op pagina 73 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van
[slachtoffer 5] .
Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 3
De rechtbank is met de officier van justitie en raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de woning hebben verschaft door middel van braak of door gebruikmaking van een valse sleutel. Voorts is uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het
wegnemen van de elektrische fiets uit de bij die woning gelegen berging. De verdachte zal van die onderdelen partieel worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 11 augustus 2022, te Assen, uit een kantoorruimte in een pand aan [adres] , twee bankpassen en een autosleutel en een personenauto, merk: Fiat, type Panda, die telkens geheel aan [slachtoffer 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op 11 augustus 2022, te Assen, uit een geldautomaat aan de [adres] , een hoeveelheid geld, te weten 1250 euro, die geheel aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een gestolen bankpas;
3
hij in de periode van 4 maart 2022 tot en met 7 maart 2022, te Emmen, tezamen en in vereniging met anderen, uit een woning aan de [adres] , een grote hoeveelheid sieraden, te weten gouden en zilveren armbanden en kettingen en ringen en oorsieraden en manchetknopen en Zeeuwse knoppen, en een hoeveelheid muntgeld en een aantal horloges en twee videocamera's en een aantal waardezegels en een navigatiesysteem en sleutels, die geheel aan [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4
hij op 1 juni 2022, te Emmer-Compascuum, telkens opzettelijk en wederrechtelijk, goederen, die geheel aan na te noemen benadeelden toebehoorden, heeft vernield, beschadigd en onbruikbaar gemaakt, immers heeft verdachte
-
in een pizzeria aan het [adres] een hoeveelheid papieren zakjes en een servethouder, toebehorende aan [slachtoffer 3] , onbruikbaar gemaakt en
-
een plank en een steen van een woning aan het [adres] , toebehorende aan [slachtoffer 4] , beschadigd en
-
een bloempot en een plantenbak, staande bij een pand aan het [adres] , toebehorende aan [slachtoffer 5] , vernield;
5
hij op 30 juni 2022, te Emmer-Compascuum, uit een woning aan de [adres] , een scootmobiel, merk: Mini Crosser, en een laptop en een camera en een bankpas, die geheel aan [slachtoffer 6] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
-
diefstal, meermalen gepleegd;
-
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;
-
diefstal door twee of meer verenigde personen;
-
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen/beschadigen/onbruikbaar maken;
-
diefstal.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, met verwijzing naar de oriëntatiepunten van het LOVS, bepleit de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf te matigen en verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van maximaal 9 maanden met aftrek van voorarrest op te leggen. De raadsman heeft voorts verzocht de mogelijkheden tot het bieden van hulp aan verdachte op het gebied van financiën en huisvesting, na zijn periode in detentie, te bezien.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia-rapportage van 14 november 2022, het reclasseringsadvies van 30 november 2022, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 januari 2023, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de
verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Hij is in de periode van 4 maart 2022 tot en met 7 maart 2022 met een vooropgezet plan en tezamen met anderen een woning binnengedrongen waar zij op uiterst brutale wijze - zonder de potjes met as van overleden dierbaren ongemoeid te laten - hebben gezocht naar goederen van waarde. De buit bestond onder andere uit een grote hoeveelheid sieraden die naast een in geld uit te drukken waarde tevens een voor aangeefster grote emotionele waarde vertegenwoordigen en onvervangbaar zijn. Door zijn handelen heeft verdachte bovendien ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van aangeefster. Voorts heeft verdachte zich op 1 juni 2022 schuldig gemaakt aan een reeks vernielingen. Hij heeft daarmee anderen, waaronder twee volledig willekeurige personen, opgezadeld met financiële schade en geen enkel respect gehad voor andermans eigendommen. Op 30 juni 2022 heeft verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt aan een diefstal uit een woning. Het slachtoffer betreft een kwetsbaar persoon die afhankelijk is van de door verdachte weggenomen scootmobiel. Naast de scootmobiel heeft verdachte opnieuw goederen van zijn gading uit de woning weggenomen. Tot slot heeft verdachte zich op 11 augustus 2022 wederom schuldig gemaakt aan diefstal. Ditmaal heeft verdachte uit een kantoorruimte van een hulpverleningsorganisatie op uiterst berekende wijze een tweetal bankpassen en een autosleutel weggenomen. Verdachte heeft hierbij misbruik gemaakt van de goedbedoelde intenties van hulpverlenend personeel. Met de weggenomen autosleutel heeft verdachte vervolgens ook de auto van de betreffende hulpverleningsorganisatie weggenomen en heeft hij zich met de gestolen bankpassen een groot geldbedrag toegeëigend. Verdachte heeft bij voornoemde vermogensdelicten enkel gehandeld uit eigen winstbejag en zich niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 januari 2023 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Ook bevond verdachte zich ten tijde van het plegen van onderhavige strafbare feiten in een proeftijd met een voorwaardelijke gevangenisstraf na een eerdere veroordeling.
Verdachte is in detentie zowel door een psychiater als een psycholoog bezocht. Naar aanleiding van deze bezoeken en de thans beschikbare informatie is door
drs. B.Y. van Toorn, psycholoog, en dr. A.J.W.M. Trompenaars, psychiater, op 14 november 2022 een Pro Justitia-rapport uitgebracht. Uit het schrijven van de beide deskundigen blijkt dat het onderzoek Pro Justitia meerdere belemmeringen heeft gekend. Verdachte heeft overwegend niet met de deskundigen in gesprek willen gaan, dan wel het gesprek vroegtijdig afgebroken. Door de beperkingen van het onderzoek zijn er meerdere aspecten van de problematiek van verdachte onduidelijk gebleven en kon niet gekomen worden tot beantwoording van de vraagstelling. Uit de beschikbare dossierinformatie en op basis van de samengevoegde onderzoeksbevindingen zijn de deskundigen wel tot de conclusie gekomen dat er een zorgelijk beeld is ontstaan, zowel met betrekking tot psychiatrische en psychologische problematiek, het steeds verder sociaal-maatschappelijk afglijden als ten aanzien van de kans op recidive of mogelijke toekomstige geweldsescalaties.
De reclassering heeft in haar rapport van 30 november 2022 geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van instabiliteit op meerdere leefgebieden, dat een ondersteunend sociaal netwerk ontbreekt en zijn copingvaardigheden tekort schieten. Beschermende factoren lijken niet aanwezig. De reclassering heeft
voorts geconcludeerd dat begeleiding, behandeling, toezicht en eerdere opgelegde gevangenisstraffen het recidiverisico niet hebben doen inperken en het risico op recidive ook nu als onverminderd hoog wordt ingeschat, evenals de kans op letselschade en onttrekking aan eventueel op te leggen voorwaarden.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf beoogd de rechtbank verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Om deze reden is de straf dan ook hoger dan door de officier van justitie is gevorderd. Gelet op het schrijven van de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Benadeelde partijen
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Feit 3
1. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van 25.570,19 ter vergoeding van materiële schade en
500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Feit 4
2. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van 213,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie gevorderd de vordering hoofdelijk en in zijn geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft de officier van justitie gevorderd deze niet-ontvankelijk te verklaren nu deze niet nader is onderbouwd.
Standpunt van de verdediging
Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de raadsman bepleit deze, voor zover zij ziet op vergoeding van materiële schade, niet-ontvankelijk te verklaren. De behandeling van
het materiële deel van de vordering levert naar het oordeel van de raadsman een onevenredige belasting van onderhavig strafgeding op. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat niet duidelijk is in hoeverre de verzekering de geleden schade reeds heeft vergoed. Voorts is de vordering kort voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak ingediend en is de verdediging niet in de gelegenheid geweest bijgevoegde stukken nader te bestuderen. De raadsman heeft zich met betrekking tot de gevorderde vergoeding van immateriële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman verzoekt de rechtbank, mocht de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar zijn, te bepalen dat deze in termijnen door verdachte kan worden betaald.
Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft de raadsman bepleit deze gedeeltelijk toe te wijzen tot een bedrag van 63,00. Door de verdediging is de gestelde geleden schade aan het shoarmavlees en de barkruk in zoverre betwist.
Oordeel van de rechtbank
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De hoogte van de vordering is voldoende onderbouwd met de door een juwelier ondertekende taxatiebewijzen. Ook is ter terechtzitting van 7 februari 2023 voldoende onderbouwd dat de vordering van materiële schade ziet op goederen, te weten sieraden, die in tegenstelling tot de andere door verdachte en zijn medeverdachten weggenomen goederen niet door de verzekering zijn vergoed. De rechtbank zal de gevorderde materiële schadevergoeding daarom volledig toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2022.
Voorts is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. Nu de vordering inhoudelijk niet is betwist door de verdediging, zal ook de gevorderde immateriële schadevergoeding volledig worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2022.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien een of meer medeverdachten deze al heeft/hebben betaald, en andersom.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Benadeelde partij [slachtoffer 3]
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte in zoverre niet inhoudelijk door de verdediging is betwist, zal daarom gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van
63,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2022. Nu de vordering niet nader is onderbouwd verklaart de rechtbank de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 9 februari 2021 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord- Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 24 februari 2021. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 25 oktober 2022 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf alsnog ten uitvoer moet worden gelegd.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 60a, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur 24 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Benadeelde partijen
Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde - vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:
-
het bedrag van 26.070,19 (zegge: zesentwintigduizend zeventig euro en negentien cent);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 maart 2022 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 26.070,19 (zegge: zesentwintigduizend zeventig euro en negentien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2022 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 25.570,19 aan materiële schade en 500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 165 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet
op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde - vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 3] te betalen:
-
het bedrag van 63,00 (zegge: drieënzestig euro);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juni 2022 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 63,00 (zegge: drieënzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2022 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18/123338- 20:
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de Meervoudige Kamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 9 februari 2021, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. H. van der Werff en
mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door mr. M. Mans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 februari 2023.
Mr. M. van der Veen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.