Socialezekerheidsrecht

Pw. Intrekking bijstand. Verkeerde bewijslast. Onvoldoende onderbouwing. Gegrond.

Rechtbank Oost-Brabant, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
26/2059
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7353
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Pw. Intrekking bijstand. Verkeerde bewijslast. Onvoldoende onderbouwing. Gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 26/2059


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R. Akkaya),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college

(gemachtigde: mr. P. Haex).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers recht op algemene en bijzondere bijstand. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte de algemene en bijzondere bijstand van eiser heeft ingetrokken. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten, omstandigheden en procesverloop

2. Eiser ontving sinds 5 augustus 2019 een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) voor de noodzakelijke kosten van bestaan naar de norm van een alleenstaande. Daarnaast ontving hij bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en bankkosten over de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025.

2.1.

In het onderzoeksrapport van 13 februari 2026 heeft het college uiteengezet waarom onduidelijkheid bestond over het hoofdverblijf van eiser. Het college heeft onderzoek verricht naar aanleiding van de melding dat eiser zijn woning zou onderverhuren. De onderhuurder heeft bij de melding een huurcontract overgelegd waarop de naam van eiser en zijn handtekening zijn vermeld. De onderhuurder heeft tevens aangegeven dat eiser niet meer op het adres zou verblijven en zijn spullen uit de woning zou hebben gehaald. In het onderzoeksrapport staat vermeld dat op grond van het administratief onderzoek een vermoeden bestaat van mogelijke schending van de inlichtingenplicht, maar dat een verdiepingsonderzoek noodzakelijk is om meer duidelijkheid te krijgen over eisers recht op bijstand. In dat kader heeft het college besloten een onaangekondigd huisbezoek af te leggen op het adres [adres]. De rapporteurs hebben tot tweemaal toe, op 29 december 2025 en op 13 januari 2026, getracht een huisbezoek af te leggen, maar zij troffen eiser steeds niet aan. In deze omstandigheden heeft het college aanleiding gezien een buurtonderzoek te starten waarbij aan buurtbewoners een aantal vragen is gesteld. Vervolgens heeft het college op 20 januari 2026 nogmaals geprobeerd om een onaangekondigd huisbezoek af te leggen op het uitkeringsadres. Wederom deed niemand de deur open. Na telefonisch contact met eiser bleek dat hij op dat moment bij partner verbleef, maar dat hij die middag naar zijn woning zou gaan voor begeleiding. Het college heeft dan ook die dag het huisbezoek kunnen afleggen.

2.2.

Het college heeft op 23 februari 2026 besloten om recht op algemene en bijzondere bijstand van eiser per 30 november 2025 in te trekken op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Pw, gelezen in samenhang met artikel 17 van de Pw. Volgens het college heeft eiser onjuiste informatie gegeven over zijn hoofdverblijf.

2.3.

Eiser heeft tegen dit primaire besluit bezwaar gemaakt en hangende het bezwaar de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft het verzoek afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

2.4.

Vervolgens heeft het college het bezwaar in een besluit van 14 juli 2026 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Volgens het college heeft eiser onvoldoende duidelijkheid verschaft over zijn feitelijke woon- en leefsituatie, waardoor zijn hoofdverblijf niet kan worden vastgesteld. Voor het college zijn de bevindingen tijdens het onderzoek naar de feitelijke woon- en leefsituatie doorslaggevend geweest, niet zozeer de melding van onderhuur. Dat is enkel de aanleiding geweest om het onderzoek op te starten. Zo komt uit de verklaringen van de buurtbewoners naar voren dat zij eiser in de periode voorafgaand aan het onderzoek niet of nauwelijks meer zagen en dat zij de indruk hadden dat iemand anders gebruik maakte van de woning dan wel dat de woning niet werd bewoond. Ook is van belang dat eiser tijdens pogingen tot huisbezoek op 29 december 2025 en 13 januari 2026 niet op het adres werd aangetroffen. De eigen verklaringen van eiser en de bevindingen tijdens het huisbezoek op 20 januari 2026 hebben de gerezen twijfel niet weggenomen. Hierdoor kan niet worden vastgesteld waar eiser in de hier relevante periode zijn hoofdverblijf had. Daardoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2.5.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.6.

De rechtbank heeft het beroep op 12 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiser en van het college deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het standpunt van eiser

3. Eiser voert aan dat hij zijn hoofdverblijf nog altijd op het opgegeven adres heeft. Het college heeft het belastende besluit onvoldoende onderbouwd. De omstandigheid dat eiser destijds regelmatig bij zijn ex-partner was, betekent immers niet dat hij daarmee zijn eigen woning heeft opgegeven. Eiser was in die periode vaker bij zijn ex-partner, omdat hij zijn hak had gebroken en zij hem verzorgde. Daarom bracht hij ook de producten van de voedselbank naar haar toe. Dat eiser zijn hoofdverblijf niet heeft verplaatst, volgt verder uit het feit dat zijn persoonlijke spullen in de woning zijn aangetroffen. Bovendien staat eiser op dat adres ingeschreven, heeft hij een huurovereenkomst en ontvangt hij daar persoonlijke begeleiding, hetgeen bevestigd is door zijn begeleider. Eiser vindt het vreemd dat het college aan de verklaring van een live getuige, zijn persoonlijk begeleider, weinig waarde hecht, terwijl de schriftelijke getuigenverklaringen van buurtbewoners hem wel worden tegengeworpen. Deze verklaringen zijn volgens eiser ook onvoldoende om aan het besluit ten grondslag te kunnen leggen. Dat de verklaringen niet betrouwbaar en subjectief zijn, blijkt ook uit het feit dat een getuige het heeft over een Slavische vrouw, terwijl zijn ex-partner Nederlands is en de Nederlandse taal dus ook spreekt. Eiser meent verder dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij tijdens de huisbezoeken van 29 december 2025 en 13 januari 2026 niet thuis was. Hij is vaak buitenshuis, ook vanwege zijn medische klachten. Bovendien draagt het feit dat niemand anders de deur opendeed eraan bij dat eiser zijn woning niet onderverhuurt. Tot slot wijst eiser erop dat het gas- en waterverbruik geen aanwijzing is dat hij niet op zijn woonadres verblijft.

Wat is de te beoordelen periode?

4. De rechtbank stelt vast dat het college de intrekking van eisers recht op bijstand niet heeft begrensd tot een bepaalde einddatum. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire besluit. De te beoordelen periode in de zaak van eiser loopt dus van 30 november 2025 tot en met 23 februari 2026.

Mocht het college eisers recht op bijstand intrekken?

5. In geschil is of het college bevoegd is tot intrekking van eisers recht op bijstand. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

5.1.

De intrekking van algemene en bijzondere bijstand is voor de betrokkene een belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan op het college. Dat brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat eiser gedurende de gehele te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres. In het bestreden besluit concludeert het college echter op basis van de onderzoeksbevindingen dat eiser onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woon- en leefsituatie en dat daardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Ook ter zitting heeft het college zich wat betreft zijn bewijspositie op dit standpunt gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een onjuist uitgangspunt, gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad over de bewijslastverdeling bij intrekking van bijstand.

5.2.

Gelet op het voorgaande bevat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek. Desondanks beoordeelt de rechtbank hierna of de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor de intrekking van eisers recht op bijstand.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad heeft een betrokkene zijn woonplaats, daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat eiser in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had. Voor dit oordeel acht de rechtbank het volgende van belang.

5.5.

Eiser heeft verklaard dat hij in de week voorafgaand aan het huisbezoek slechts één keer aan [adres] heeft overnacht en dat hij in die periode sowieso vaak bij zijn toenmalige partner verbleef vanwege zijn gebroken hak. Hoewel dit de stelling dat eiser niet veel op het uitkeringsadres verbleef ondersteunt, overweegt de rechtbank dat aan het aantal nachten dat een betrokkene in een woning doorbrengt, volgens vaste rechtspraak geen doorslaggevende betekenis toekomt. De conclusie in het bestreden besluit dat dit, in combinatie met de bevindingen tijdens het huisbezoek op 20 januari 2026, maakt dat twijfel bestaat over de vraag of het zwaartepunt van eisers persoonlijk leven zich wel op het uitkeringsadres bevond, onderschrijft de rechtbank dan ook niet. Zo acht de rechtbank de drie pogingen op 29 december 2025 en 13 en 20 januari 2026 die het college heeft gedaan om een huisbezoek af te leggen onvoldoende. Dit is volstrekt onvoldoende om hieruit te kunnen afleiden dat eiser het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven niet op het uitkeringsadres heeft. De bevindingen tijdens het uiteindelijk afgelegde huisbezoek op 20 januari 2026 wijzen er bovendien niet op dat geen sprake is van bewoning en dat eiser dus zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Zoals het college ook onderkent, zijn er in de woning persoonlijke spullen, kleding, meubels, verzorgingsartikelen en levensmiddelen aangetroffen. Dat de levensmiddelen voornamelijk houdbare producten betroffen, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft hierover immers ook verklaard dat hij producten van de voedselbank naar zijn toenmalige partner bracht en dat hij destijds vaker bij haar verbleef omdat hij hulp nodig had vanwege zijn medische situatie. Daar komt bij dat - zoals ook ter zitting is betoogd - eisers administratie op het uitkeringsadres is aangetroffen, dat hij daar post ontvangt en dat hij ook zijn begeleiding krijgt aan [adres]. Dit zijn aanwijzingen dat eiser wel het zwaartepunt van het persoonlijk leven op het uitkeringsadres had. Eiser wijst er verder terecht op dat het gas- en waterverbruik geen aanwijzing is geweest dat eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres heeft.

5.6.

Aan de verklaringen van de buurtbewoners komt voorts naar het oordeel van de rechtbank slechts zeer geringe bewijswaarde toe. De verklaringen zijn op de eerste plaats grotendeels afgelegd door anonieme getuigen. Verder zien de verklaringen deels op waarnemingen die buiten de hier te beoordelen periode vallen. Daarnaast acht de rechtbank verklaringen als “ik heb niet het idee dat hij er woont” te vaag en onvoldoende concreet om daaraan dezelfde betekenis te hechten als het college heeft gedaan. Over het algemeen bevestigen enkele verklaringen dat eiser de hoofdbewoner is van de betreffende woning, maar dat de buurtbewoners hem in de periode voorafgaand aan het buurtonderzoek weinig tot niet hebben gezien. Dit is op zichzelf echter onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat eiser niet langer zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Ook is dit onvoldoende in combinatie met de beperkte waarnemingen, de aangetroffen situatie tijdens het huisbezoek en eisers verklaringen. Het college heeft dus niet voldaan aan de bewijslast.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende standpunt van het college op onvoldoende feitelijke grondslag berust. Het besluit is dan ook in strijd met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding, neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond. Aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, eerste lid, van de Awb, het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank acht het niet realistisch dat het college nu nog met een nieuw onderzoek aannemelijk kan maken dat eiser in de te beoordelen periode het hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. De rechtbank zal daarom het primaire besluit herroepen en bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

6.1.

Omdat het beroep gegrond is, dient het college de door eiser gemaakte kosten te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1). Het college dient ook het door eiser betaalde griffierecht ter hoogte van € 54,00 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het besluit van 14 juli 2026;

  • herroept het besluit van 23 februari 2026 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 14 juli 2026;

  • veroordeelt het college in de kosten van eiser tot een bedrag van € 3.200,-;

  • bepaalt dat het college aan eiser het betaalde griffierecht van € 54,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.N.T. Tacken, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Uitspraak van 8 juli 2026 in de zaak SHE 26/659. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3239, r.o. 4.2. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 5 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2145, r.o. 4.4.1. Gelet op artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038, r.o. 4.3. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2126, r.o. 4.5.
ECLI:NL:RBOBR:2026:7353 – Pw. Intrekking bijstand. Verkeerde bewijslast. Onvoldoende… | Uitspraken.nl