Civiel recht overig

Rechtsgeldige vernietiging huurovereenkomst op grond van dwaling na verkeerde voorstelling van zaken door…

Rechtbank Oost-Brabant, 24 augustus 2023

Zaakgegevens

Op 24 augustus 2023 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
Eindhoven
Datum uitspraak
24 augustus 2023
Datum publicatie
21 augustus 2023
Zaaknummer
9331582
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2023:4162
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Rechtsgeldige vernietiging huurovereenkomst op grond van dwaling na verkeerde voorstelling van zaken door onjuiste mededelingen van huurster op het aanvraagformulier voor het verkrijgen van urgentie.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer: 9331582 / CV EXPL 21-4282

Vonnis van 24 augustus 2023

in de zaak van:

Stichting Woonbedrijf SWS.HHL. h.o.d.n. Woonbedrijf,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

gemachtigde: mr. B. Poort,

tegen:

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

2. [gedaagde 2]gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [gedaagde 3]als vennoot van gedaagde sub 2,

4. [gedaagde 4] ,als vennoot van gedaagde sub 2,

gedaagden sub 2, 3, en 4 in hun hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [rechthebbende] ,

gedaagden,

gemachtigde: mr. W. Kolmans.

Eiseres zal hierna “Woonbedrijf” en gedaagde sub 1 zal hierna “ [gedaagde 1] ” worden genoemd. Gedaagden sub 2 tot en met 4 zullen “bewindvoerder” worden genoemd.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

? het tussenvonnis van 12 mei 2022;

? de akte bewijslevering van de zijde van Woonbedrijf, ingekomen ter griffie op 7 juni 2022;

? de akte bewijslevering van de zijde van [gedaagde 1] , ingekomen ter griffie op 8 juni 2022;

? het proces-verbaal van getuigenverhoor van 19 december 2022;

? het proces-verbaal van getuigenverhoor van 2 maart 2023;

? de conclusie na enquête van de zijde van Woonbedrijf;

? de conclusie na enquête van de zijde van [gedaagde 1] .

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 Het verdere geschil en de verdere beoordeling

2.1.

Bij het tussenvonnis van 12 mei 2022 (hierna: het tussenvonnis) is Woonbedrijf in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren dat:

  1. [gedaagde 1] en [rechthebbende] een gezamenlijke huishouding voerden toen zij gezamenlijk in de woning aan de [adres] te [woonplaats] woonde;

  2. [gedaagde 1] en [rechthebbende] gezamenlijk vanuit die woning aan de [adres] te [woonplaats] naar het gehuurde zijn verhuisd en daar een gemeenschappelijke huishouding voeren of hebben gevoerd;

  3. dat er ten tijde van het invullen van het Aanvraagformulier (als gedefinieerd in het tussenvonnis) sprake was van openstaande schulden;

en is [gedaagde 1] toegestaan bewijs te leveren dat:

4. als zij op het Aanvraagformulier had ingevuld dat zij destijds, tezamen met de vader van haar ongeboren kind, met wie zij een gezamenlijk huishouding voerde (voor zover Woonbedrijf in haar bewijsopdracht slaagt), medehuurder was van de woning aan de [adres] te [woonplaats] én melding had gemaakt van de situatie met betrekking tot haar huurschulden bij voorgaande verhuurders, niettemin een urgentieverklaring zou hebben verkregen;

5. (een medewerkster van) Wooninc haar heeft toegezegd dat zij bij het Aanvraagformulier kon volstaan met het overleggen van een verhuurdersverklaring van haar voorlaatste verhuurder, zoals overwogen onder 4.8 van het tussenvonnis.

2.2.

Woonbedrijf heeft daartoe bij akte vijf schriftelijke bewijsstukken overgelegd (productie 37 tot en met 41). Deze stukken hebben betrekking op de bodemprocedure die de heer [A] (hierna: [A] ) tegen [rechthebbende] en [gedaagde 1] heeft gevoerd. Het betreft de door [A] uitgebrachte dagvaarding met producties, het proces-verbaal van ontruiming met foto’s van de [adres] te [woonplaats] , een vonnis van 12 november 2020, een betekeningsexploot gedateerd 17 november 2020 en een vonnis van 21 januari 2021. Tevens zijn op verzoek van Woonbedrijf als getuige gehoord:

  • [A] , voormalig verhuurder van [gedaagde 1] en [rechthebbende] met betrekking tot de woning aan de [adres] te [woonplaats] ,

  • de heer [B] , wijkagent,

  • de heer [C] , buurman van [gedaagde 1] en

  • mevrouw [D] , de voormalige bewindvoerder van [rechthebbende] .

2.3.

[gedaagde 1] heeft bij akte drie schriftelijke bewijsstukken overgelegd, zijnde een e-mailbericht van de kraamverzorgende van [gedaagde 1] , algemene informatie over het aanvragen van urgentie op de website van www.wooniezie.nl en de Huisvestingsverordening Stedelijk Gebied Eindhoven 2020-2023 (productie 10 tot en met 12). Op verzoek van [gedaagde 1] zijn onder ede gehoord:

  • mevrouw [E] , teamleider Verhuur en Sociaal Beheer bij Wooninc, die [gedaagde 1] bij haar urgentieaanvraag heeft geholpen (hierna: [E] ) en

  • mevrouw [F] , bewoonster van de [straatnaam] .

2.4.

Op hetgeen voormelde getuigen hebben verklaard zal voor zover nodig in het navolgende worden ingegaan.

2.5.

Voor de beoordeling van de primaire vordering onder I. is relevant of [gedaagde 1] hoe dan ook een urgentieverklaring zou hebben verkregen.

Het verweer dat [gedaagde 1] hoe dan ook urgentie zou hebben gekregen

2.6.

Het meest verstrekkende verweer [gedaagde 1] is dat zij hoe dan ook – ongeacht hetgeen zij op het Aanvraagformulier heeft ingevuld – een urgentieverklaring zou hebben verkregen, gelet op de omstandigheden waarin zij ten tijde van de aanvraag verkeerde. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde 1] dit met de door haar aangedragen bewijsmiddelen niet, althans onvoldoende heeft aangetoond.

2.7.

[gedaagde 1] heeft het Aanvraagformulier getekend op 28 januari 2020.

Uit de getuigenverklaring van [E] blijkt dat indien [gedaagde 1] op het Aanvraagformulier zou hebben vermeld dat zij op dat moment de woning aan de [adres] te [woonplaats] samen met [rechthebbende] huurde, er hoogstwaarschijnlijk eerst een gerechtelijke procedure gevoerd had moeten worden over wie van hen in die woning mocht blijven wonen. In dat geval zou er een grote kans zijn geweest dat [gedaagde 1] in die woning mocht blijven wonen aangezien zij de zorg draagt voor haar vijf kinderen. Evenwel is [A] in april 2020 vanwege een huurachterstand een ontruimingsprocedure tegen [rechthebbende] en [gedaagde 1] gestart en heeft hij ook tegen beiden een ontruimingsvonnis verkregen, zodat uiteindelijk geen van beiden in de woning had kunnen blijven wonen.

2.8.

De vraag kan nog worden gesteld of [gedaagde 1] vervolgens in deze situatie in aanmerking zou zijn gekomen voor urgentie voor een nieuwe woning, waarbij er reeds een minder direct verband bestaat tussen de vergeleken daadwerkelijke situatie en de hypothetische situatie, nu het dan zou gaan om urgentie nadat [gedaagde 1] wegens huurschuld de woning aan de [adres] had moeten verlaten.

Op grond van artikel 4 lid 1 sub a van de Huisvestingsverordening dient daarvoor sprake te zijn van een noodsituatie buiten verwijtbare schuld van de woningzoekende om. Naar het oordeel van de kantonrechter is [gedaagde 1] niet geslaagd in het bewijs van haar stelling dat aan dat criterium wordt voldaan. Tegen [gedaagde 1] is immers vanwege een huurachterstand op 21 januari 2021 een ontruimingsvonnis uitgesproken. Uit het ontruimingsvonnis blijkt dat [gedaagde 1] al na één maand gestopt is met het betalen van de huur terwijl niet is gebleken dat er al vanaf het begin gebreken in of aan het gehuurde waren op grond waarvan zij gerechtigd was de huurbetalingen op te schorten of recht had op huurkorting. Er is in dat geval sprake van een verwijtbare huurschuld zodat niet aan de vereisten voor urgentie wordt voldaan. Op grond van het voorgaande is het aannemelijk dat [gedaagde 1] in dat geval geen urgentieverklaring had gekregen.

2.9.

[gedaagde 1] heeft tot slot betoogd dat de situatie omtrent de huurschuld en de ontruiming van de [adres] te [woonplaats] niet relevant is voor het verkrijgen van urgentie, omdat zij de huur van de woning aan de [adres] te [woonplaats] niet kon betalen en om die (enkele) reden in aanmerking kwam voor urgentie. Dit verweer wordt gepasseerd aangezien [gedaagde 1] niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd dat zij onvoldoende draagkracht had om de huur van de woning aan de [adres] te [woonplaats] te betalen. Zij heeft enkel gesteld dat de huur van € 1.600,00 per maand voor haar te hoog is, maar op geen enkele wijze inzicht gegeven in haar inkomen en (vaste) lasten. Daarbij dient in ieder geval te worden aangenomen dat [gedaagde 1] inkomen geniet, temeer omdat de onderneming PRdienstverlening op haar naam in het Handelsregister staat ingeschreven en aangevoerd is dat de bedrijfsbus van die onderneming haar eigendom is.

2.10.

Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde 1] hoe dan ook – ook al had zij de Urgentiecommissie geïnformeerd dat zij medehuurder was van de woning aan de [adres] in [woonplaats] of later dat zij vanwege een huurschuld de woning diende te verlaten – een urgentieverklaring had verkregen.

2.11.

Nu dit verweer niet slaagt komt de kantonrechter toe aan de verdere beoordeling van de wilsgebreken die door Woonbedrijf aan de primaire vordering onder I. ten grondslag zijn gelegd.

2.12.

In het tussenvonnis onder 4.5. is reeds ingegaan op het feit dat de (vermeende) onjuiste inlichtingen die [gedaagde 1] op het Aanvraagformulier heeft ingevuld niet direct tot Woonbedrijf zijn gericht (maar tot de Urgentiecommissie) maar dat hierin geen beletsel wordt gezien voor een geslaagd beroep op bedrog aangezien Woonbedrijf onweersproken heeft aangevoerd dat zij verplicht is een huurovereenkomst te sluiten met een woningzoekende aan wie urgentie is verleend.

De kantonrechter voegt daar nog het volgende aan toe. Als onweersproken staat vast dat woningzoekenden in het stedelijk gebied van Eindhoven een urgentieverklaring kunnen aanvragen waardoor zij met voorrang op andere woningzoekenden in aanmerking komen voor een sociale huurwoning van één van de woningcorporaties in dat gebied en dat voor de beoordeling van deze aanvragen door de woningcorporaties een Urgentiecommissie is aangesteld. Na het verkrijgen van urgentie rust op (een van) de woningcorporaties de verplichting om die woningzoekende een huurwoning aan te bieden. Uit het feit dat de Urgentiecommissie specifiek door de woningcorporaties is aangewezen om beslissingen te nemen over het verlenen van urgentie én daarmee ook over hun verplichting om met de betreffende woningzoekende een huurovereenkomst te sluiten, leidt de kantonrechter af dat de Urgentiecommissie in feite optreedt als een vertegenwoordiger (c.q. in opdracht) van de aangesloten woningcorporaties. De Urgentiecommissie dient gedurende het aanvraagproces van [gedaagde 1] dan ook te worden aangemerkt als vertegenwoordiger van Woonbedrijf. Dit heeft tot gevolg dat de inlichtingen die [gedaagde 1] op het Aanvraagformulier heeft gegeven, geacht worden ook te zijn gericht aan Woonbedrijf.

Bedrog

2.13.

In het tussenvonnis is reeds vastgesteld dat [gedaagde 1] de Urgentiecommissie onjuist heeft geïnformeerd door op het Aanvraagformulier in te vullen dat zij bij [rechthebbende] inwoonde, terwijl zij in werkelijkheid samen met hem de woning aan de [adres] te [woonplaats] huurde. Evenwel heeft de kantonrechter overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat zij dit opzettelijk heeft gedaan c.q. met het oogmerk om met Woonbedrijf een huurovereenkomst te (kunnen) sluiten.

2.14.

Zoals blijkt uit het tussenvonnis ligt daarmee nog ter beoordeling voor:

  1. of Woonbedrijf is geslaagd in haar bewijsopdracht dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding met [rechthebbende] in de woning aan de [adres] te [woonplaats] ;

  2. in hoeverre de verzwijgingen met betrekking tot:

- de gestelde huurschulden;

- het feit dat Van [rechthebbende] de vader is van het vijfde kind waarvan [gedaagde 1] destijds zwanger was;

- de gemeenschappelijke huishouding met [rechthebbende] aan de [adres] te [woonplaats] (voor zover Woonbedrijf in voornoemde bewijsopdracht slaagt);

opzettelijk zijn gedaan en relevant zijn voor het aannemen van causaal verband, in die zin dat Woonbedrijf zonder deze verzwijgingen niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, met [gedaagde 1] een huurovereenkomst zou hebben gesloten.

De (vermeende) gemeenschappelijke huishouding in de woning aan de [adres] te [woonplaats]

2.15.

Naar het oordeel van de kantonrechter is Woonbedrijf niet in haar bewijsopdracht geslaagd. Op basis van de bij akte overgelegde bewijsstukken en de getuigenverklaringen is niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding tussen [gedaagde 1] en [rechthebbende] toen zij samen in de woning aan de [adres] te [woonplaats] verbleven. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.

2.16.

Uit het feit dat [gedaagde 1] en [rechthebbende] de huurovereenkomst voor de [adres] te [woonplaats] beiden hebben ondertekend, de vermelding in artikel 1.2 van de huurovereenkomst dat de woonruimte uitsluitend is bestemd om als woonruimte te worden gebruikt door [gedaagde 1] , diens vier kinderen en [rechthebbende] en de omstandigheid dat er slaapkamers voor de kinderen waren ingericht, kan weliswaar worden afgeleid dat [rechthebbende] , [gedaagde 1] en diens kinderen samen in de woning verbleven maar niet dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding. Hiervoor is immers meer nodig, zoals dat zij gezamenlijk voorzien in de kosten van huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, huishoudelijke taken verrichten, de maaltijden gebruiken en deelnemen aan het sociaal verkeer.

[A] heeft verklaard niets te kunnen zeggen over een gezamenlijke huishouding tussen [gedaagde 1] en [rechthebbende] omdat hij daar geen wetenschap van had. Wel heeft hij verklaard ‘het idee te hebben gehad dat zij in de woning als gezin leefden’.

Daarnaast heeft de wijkagent [B] verklaard dat hij twee keer bij [gedaagde 1] en [rechthebbende] in de woning aan de [adres] te [woonplaats] is geweest, dat hij daarbij ‘de indruk had dat de familie compleet was’ en hij die keren steeds met [gedaagde 1] en [rechthebbende] heeft gesproken. Dit duidt er weliswaar op dat [gedaagde 1] en [rechthebbende] gezamenlijk in de woning woonden maar niet dat zij ook een gemeenschappelijke huishouding voerden.

2.17.

Verder stelt de kantonrechter vast dat [D] , die als voormalig bewindvoerder van [rechthebbende] zijn betalingen verzorgde, niets kan verklaren over het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding. Zij heeft enkel verklaard dat zij tussen 5 april 2019 tot en met 8 oktober 2019 (een periode die deels betrekking heeft op de tijd dat [rechthebbende] en [gedaagde 1] samen in de woning aan de [adres] te [woonplaats] verbleven) maandelijks een bedrag van € 625,00 met omschrijving ‘huur [straatnaam] [woonplaats] ’, ‘maandelijks leefgeld’ of ‘maandelijkse vaste lasten’ rechtstreeks naar [gedaagde 1] overmaakte én dat [gedaagde 1] in de periode tussen december 2019 en mei 2020 zesmaal geld heeft overgemaakt naar de leefrekening van [rechthebbende] . Dit is onvoldoende om vast te stellen dat er op de [adres] een gezamenlijke huishouding was.

2.18.

De conclusie is dat de getuigenverklaringen die betrekking hebben op het al dan niet bestaan van een gemeenschappelijke huishouding tussen [gedaagde 1] en [rechthebbende] in de woning aan de [adres] te [woonplaats] vooral subjectief van aard zijn en geen objectieve feiten en omstandigheden geven voor het daadwerkelijk bestaan daarvan.

De (vermeende) gezamenlijke verhuizing van de [adres] te [woonplaats] naar het gehuurde en (vermeende) gemeenschappelijke huishouding aldaar

2.19.

Dat [gedaagde 1] ten tijde van de urgentieaanvraag de intentie c.q. het oogmerk had met [rechthebbende] naar het gehuurde/een volgende woning te verhuizen, acht de kantonrechter niet gebleken, met name nu reeds niet is komen vaststaan dat zij in de woning aan de [adres] te [woonplaats] een gemeenschappelijke huishouding voerden en gelet op het verslag van de huisarts dat [gedaagde 1] heeft overgelegd als productie 9 bij de conclusie van antwoord. Hieruit blijkt namelijk dat [gedaagde 1] op 7 en 9 december 2019 nog met de huisarts heeft gesproken over mishandeling door [rechthebbende] en daarbij heeft gezegd heeft dat zij verwachtte binnen 2 weken daar (bij Van [rechthebbende] aan de [adres] ) weg te zijn. Voorts bevestigt de kraamverzorgende van [gedaagde 1] dit beeld door in haar e-mailbericht van 1 juni 2022 te verklaren dat zij te horen heeft gekregen dat de relatie die [gedaagde 1] met [rechthebbende] had ‘erg moeilijk en gevaarlijk was door een aantal problemen’ (productie 11 overgelegd door [gedaagde 1] ). Dit geeft er geen blijk van dat [gedaagde 1] de bedoeling had om samen met [rechthebbende] naar het gehuurde ter verhuizen.

2.20.

Vervolgens is relevant of [gedaagde 1] alsnog daadwerkelijk met [rechthebbende] is verhuisd en zij samen in het gehuurde woonden. Getuigen [F] , [B] en [C] hebben hierover – kort samengevat – het volgende verklaard.

2.21.

[B] heeft verklaard dat hij vermoedelijk meer dan tien keer bij [gedaagde 1] in het gehuurde is geweest in verband met zaken aangaande de kinderen van [gedaagde 1] en meldingen van de buurman ( [C] ) van geluidsoverlast. In de meeste gevallen trof hij dan ook [rechthebbende] aan. Deze bezoeken waren zowel overdag als ’s avonds maar in de nacht is hij nooit bij [gedaagde 1] geweest. Daarbij geeft hij aan het beeld te hebben gekregen dat er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding door de aanwezigheid van hen beiden op verschillende tijdstippen en de omstandigheid dat [rechthebbende] de deur opendeed met blote voeten, korte broek en ontbloot bovenlijf.

2.22.

[F] heeft verklaard dat, voor zover zij weet, [gedaagde 1] alleen met haar kinderen in het gehuurde woont. [gedaagde 1] heeft direct tegen haar gezegd dat zij alleen met haar kinderen in het gehuurde woonde. Zij ziet [gedaagde 1] niet elke dag, maar ze komen elkaar wel tegen bijvoorbeeld in de winkel, praten dan met elkaar en komen bij elkaar thuis/aan de deur. Enerzijds heeft [F] verklaard zich te herinneren dat zij vier keer bij [gedaagde 1] thuis is geweest en dat zij toen naast [gedaagde 1] en haar kinderen geen andere personen heeft gezien en anderzijds heeft zij verklaard dat zij [rechthebbende] vaker bij [gedaagde 1] heeft gezien omdat hij de vader is van het vijfde kind van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] heeft haar verteld dat zij weer getrouwd is en dat haar man [voornaam] heet. [F] weet niet hoe het nu met de relatie is. De witte bedrijfsbus met daarop ‘PRdienstverlening’ die bij het gehuurde staat is volgens [F] van het bedrijf van [gedaagde 1] al weet zij niet of [gedaagde 1] er ook in rijdt.

2.23.

[C] heeft verklaard dat [rechthebbende] vanaf dag één naast hem heeft gewoond aan de [straatnaam] . Dit weet hij omdat hij altijd brakende hoestgeluiden hoorde die specifiek door [rechthebbende] worden gemaakt, maar ook doordat hij hem in de tuin rond zag lopen of aan scooters zag werken. De verhuizing heeft hij destijds gezien. [rechthebbende] heeft zich toen vrij snel aan [C] voorgesteld, dit als nieuwe bewoner. In een periode dat er problemen waren en [C] hem daarover benaderde heeft hij echter gezegd dat hij niet in het gehuurde woonde. Daarnaast ging de poort meerdere malen per dag open als [rechthebbende] naar zijn bedrijfsbus met daarop ‘PRdienstverlening’ liep. [C] heeft [rechthebbende] daar ook mee zien rijden. Hij zag [rechthebbende] op verschillende tijdstippen zowel heel vroeg als heel laat.

2.24.

De kantonrechter stelt vast, gelet op het beeld dat uit de getuigenverklaringen naar voren komt, dat daarmee overwegend het beeld wordt bevestigd dat [rechthebbende] de partner is van [gedaagde 1] , althans ten tijde dat zij in het gehuurde woonde. Zoals al eerder is overwogen gaat het echter niet om de relatie tussen [gedaagde 1] en [rechthebbende] maar of zij effectief samenwoonden. Een relatie kan een indicatie zijn dat er sprake is van samenwoning, maar daarvoor zijn meer objectieve feiten en omstandigheden nodig. In feite heeft alleen [C] verklaard dat [rechthebbende] met [gedaagde 1] in het gehuurde woonde. Evenwel dient daarbij de kanttekening te worden geplaatst dat de verhouding tussen [C] en [rechthebbende] en [gedaagde 1] op zijn zachtst gespannen is, waarbij er door [C] regelmatig meldingen over de buren worden gedaan. Bovendien lijkt aan hem een tegenstrijdig beeld te zijn geschetst, nu [rechthebbende] zich enerzijds aan hem zou hebben voorgesteld als nieuwe bewoner en anderzijds op een later moment zou hebben gezegd dat hij er niet woonde. Over samenwoning wordt aldus niet doorslaggevend verklaard.

2.25.

Uit de getuigenverklaringen van [C] en [B] blijkt dat [rechthebbende] weliswaar vaak in en rondom het gehuurde is gezien maar dit is als overwogen onvoldoende om aan te kunnen nemen dat hij er ook daadwerkelijk woont. De omstandigheid dat bij het gehuurde de bedrijfsbus wordt gezien met daarop ‘PRdienstverlening’ – de onderneming waarvoor [rechthebbende] kennelijk werkzaamheden verricht(te) blijkens de screenshots van de facebookpagina van PRdienstvelening in de conclusie na enquête van Woonbedrijf – bevestigt slechts het voormelde en maakt daarom het oordeel niet anders. Gelet op voornoemde screenshots, in combinatie met de screenshots die Woonbedrijf als producties 19 tot en met 21 bij de dagvaarding heeft overgelegd – waarop te zien is dat Van [rechthebbende] op facebook een post heeft geplaatst waarop de bedrijfsbus te koop staat aangeboden – kan wel worden aangenomen dat [rechthebbende] de bedrijfsbus gebruikte.

Mede gelet op het feit dat in het Handelsregister [gedaagde 1] als bestuurder van PRdienstverlening staat vermeld en de stelling dat de bedrijfsbus op haar naam zou staan, zegt het het parkeren van de bedrijfsbus bij de woning en enkel gebruik door [rechthebbende] , weinig over een vermeende samenwoning met [gedaagde 1] op het adres van het gehuurde. Naast [C] , die heeft verklaard dat [rechthebbende] ‘500 keer per dag naar de bedrijfsbus liep’, is er geen andere getuige die concreet heeft verklaard over hoe vaak en in welke periode zij deze bedrijfsbus bij het gehuurde hebben waargenomen of wanneer daarin door [gedaagde 1] of door [rechthebbende] werd gereden. Daarbij komt dat getuige [D] heeft verklaard dat er na 5 april 2020 geen inkomsten meer zijn waargenomen bij [rechthebbende] , zodat dat evenmin onderschrijft dat hij in 2020 (actief) een onderneming exploiteerde.

De (vermeende) huurschulden

2.26.

Ten aanzien van de eerste huurschuld die betrekking heeft op de woning aan de [adres] te [woonplaats] geldt dat [gedaagde 1] onweersproken heeft gesteld dat deze reeds was voldaan ten tijde van het invullen van het Aanvraagformulier, zodat deze niet in de beoordeling wordt betrokken.

2.27.

Met betrekking tot de tweede huurschuld die ziet op de huurpenningen voor de woning aan de [adres] te [woonplaats] geldt het volgende.

Vooropgesteld wordt dat van de urgentieaanvrager, ondanks dat op het Aanvraagformulier niet expliciet staat vermeld dat er wordt gevraagd naar huurschulden, mag worden verwacht dat bij de vraag of er schulden zijn ook eventuele huurschulden worden genoteerd, ook in het geval dat daarop door de aanvrager niet maandelijks wordt afbetaald. Aan het door [gedaagde 1] op dit punt gevoerde verweer zal dan ook voorbij worden gegaan.

2.28.

Aan [gedaagde 1] moet worden toegegeven dat op het moment dat zij het Aanvraagformulier invulde (28 januari 2020), de exacte huurschuld bij [A] nog onduidelijk was. De (hoogte van de) huurachterstand stond ter discussie, volgens [gedaagde 1] en [rechthebbende] was sprake van gebreken aan het gehuurde. Blijkens de door Woonbedrijf overgelegde dagvaarding was er op dat moment ook nog geen procedure door [A] aanhangig gemaakt (de dagvaarding dateert van 22 april 2020). Wel blijkt uit productie 8 bij de dagvaarding dat [gedaagde 1] bij e-mailbericht van 6 januari 2020 is geïnformeerd dat [A] tot dagvaarding zal overgaan in verband met een huurachterstand van € 6.400,00. Gelet op deze nog lopende discussie en tegen de achtergrond dat reeds is vastgesteld dat [gedaagde 1] zichzelf niet als huurder van de betreffende woning beschouwde, kan niet onomstotelijk worden vastgesteld dat [gedaagde 1] van de huurschuld op de hoogte was én deze opzettelijk heeft achtergehouden teneinde een nieuwe huurwoning te verkrijgen. Dit blijkt niet uit de door Woonbedrijf overgelegde bewijsstukken en evenmin uit de door de getuigen afgelegde verklaringen.

Resumerend

2.29.

Op grond van het voorgaande is de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat:

  1. er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding aan de [adres] te [woonplaats] ;

  2. [gedaagde 1] de intentie had om met [rechthebbende] naar een volgende woning te verhuizen en

  3. een huurschuld met betrekking tot haar voormalige woning aan [adres] te [woonplaats] heeft verzwegen.

2.30.

Wel is komen vast te staan, conform de stellingen van Woonbedrijf, dat [gedaagde 1] heeft verzwegen dat er door een voormalig verhuurder een procedure was aangekondigd in verband met een vermeende huurachterstand en dat [rechthebbende] de vader is van haar vijfde kind. Voor dat laatste geldt dat niet kan worden vastgesteld dat dit relevant was voor de aangevraagde urgentie, voor dat eerste geldt dat (zoals reeds eerder toegelicht) reeds is overwogen dat dit omstandigheden betreffen waarvan niet kan worden vastgesteld dat [rechthebbende] dit opzettelijk heeft verzwegen. Dat betekent dat het beroep op bedrog op die gronden faalt en aan de causaliteitsvraag (vooralsnog) niet wordt toegekomen.

Dwaling

2.31.

In de dagvaarding onder 65 motiveert Woonbedrijf haar beroep op dwaling. Zij stelt dat [gedaagde 1] onjuiste informatie heeft verstrekt en/of informatie heeft achtergehouden voor Woonbedrijf en/of de Urgentiecommissie door voor te wenden dat zij zich in het verleden altijd als goed huurder heeft gedragen, geen overlast heeft veroorzaakt en altijd tijdig en volledig haar huurpenningen heeft betaald aan vorige verhuurders, maar onderbouwt deze stelling verder niet. De omstandigheid dat [gedaagde 1] bij de vraag of zij schulden heeft niet heeft vermeld dat er door een voormalig verhuurder een procedure was aangekondigd als reeds hiervoor toegelicht, is daarbij niet hetzelfde als dat zij heeft voorgewend dat zij altijd netjes haar huur betaalde.

2.32.

Aangezien Woonbedrijf haar gronden verder niet heeft toegelicht gaat de kantonrechter er vanuit dat zij hetgeen zij in het kader van bedrog heeft aangevoerd ook in het kader van dwaling aanvoert. De overwegingen ten aanzien van vertegenwoordiging als vermeld onder 2.12. in dit vonnis zijn eveneens van toepassing in het kader van dwaling.

Verkeerde voorstelling van zaken

2.33.

Op grond van hetgeen bij bedrog is overwogen staat in ieder geval vast dat [gedaagde 1] aan de vertegenwoordiger van de Urgentiecommissie in strijd met de waarheid heeft aangegeven dat zij destijds inwonend was bij [rechthebbende] in plaats van medehuurder, heeft verzwegen dat hij de vader is van haar vijfde kind en heeft verzwegen dat de verhuurder van haar toenmalige woning een procedure had aangekondigd vanwege een huurachterstand. [gedaagde 1] heeft hierdoor de Urgentiecommissie, die als vertegenwoordiger van Woonbedrijf optrad, een verkeerde voorstelling van zaken gegeven omtrent a) haar woonsituatie destijds in de woning aan de [adres] te [woonplaats] en b) met betrekking tot haar betalingsgedrag ten aanzien van de huurpenningen voor deze woning. In het kader van dwaling volgt vervolgens geen beoordeling omtrent opzettelijk handelen door [gedaagde 1] .

Causaal verband

2.34.

Vervolgens dient de causaliteit te worden beoordeeld: zou Woonbedrijf, indien [gedaagde 1] geen verkeerde voorstelling van zaken had gegeven zoals hiervoor overwogen, niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, een huurovereenkomst met [gedaagde 1] hebben gesloten. Dit valt in feite samen met de vraag of de Urgentiecommissie [gedaagde 1] , als zij op het Aanvraagformulier had vermeld dat zij medehuurder was van de [adres] te [woonplaats] en de verhuurder van deze woning haar een procedure had aangekondigd vanwege een huurachterstand, wel een urgentieverklaring zou hebben verleend. Op basis van de verleende urgentieverklaring was Woonbedrijf immers verplicht met [gedaagde 1] een huurovereenkomst te sluiten.

2.35.

Vooropgesteld wordt dat de urgentie is verleend op basis van onjuiste uitgangspunten. Gelet op hetgeen onder 2.8 tot en met 2.10 is overwogen, kan met voldoende zekerheid worden geconcludeerd dat [gedaagde 1] bij een juiste en volledige voorstelling van zaken niet in aanmerking zou zijn gekomen voor een urgentieverklaring. Indien zij melding zou hebben gemaakt van het feit dat zij medehuurder was van de woning aan de [adres] te [woonplaats] , zou de aanvraag, blijkens de verklaring van [E] – die als medewerker die de intake-gesprekken verzorgde geacht wordt daarover te kunnen verklaren – waarschijnlijk zijn afgewezen. In het verlengde daarvan zou het voor de hand hebben gelegen dat, indien tevens melding zou zijn gemaakt van de procedure die [A] voornemens was tegen [rechthebbende] en [gedaagde 1] te starten, de uitkomst daarvan zou zijn afgewacht. Vervolgens is de conclusie dat op grond van het ontruimingsvonnis van 21 januari 2021 geen van beiden in de woning had kunnen blijven wonen. Evenwel zou [gedaagde 1] dan niet alsnog in aanmerking zijn gekomen voor een urgentieverklaring aangezien zij op dat moment niet (meer) voldeed aan de criteria voor een urgentieverklaring zoals opgenomen in artikel 4 van de Huisvestingsverordening. Haar noodsituatie (het niet beschikken over een woonruimte terwijl zij de zorg heeft voor haar vijf kinderen) was dan immers niet ontstaan buiten verwijtbare schuld van haarzelf om aangezien zij, als medehuurder, door al na één maand te stoppen met het betalen van de huur (zonder dat er sprake was van gebreken die opschorting rechtvaardigde) ernstig tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst.

Kenbaarheidsvereiste

2.36.

Voorts is de kantonrechter van oordeel dat aan het kenbaarheidsvereiste wordt voldaan. [gedaagde 1] behoorde te weten dat de door haar gegeven informatie over haar woonsituatie en schulden op het Aanvraagformulier van beslissende betekenis was. Op het Aanvraagformulier wordt immers niet voor niets expliciet gevraagd of de aanvrager inwonend is en of er sprake is van schulden. Bovendien betrof de urgentie een ook voor [gedaagde 1] belangrijke aangelegenheid waarbij zij behoorde te weten dat zij naar waarheid informatie diende te verstrekken en geldt als uitgangspunt dat iedereen geacht wordt de wet te kennen, zo ook de Huisvestingsverordening waarin de eisen voor het verkrijgen van urgentie zijn vastgelegd. [gedaagde 1] had dan ook kunnen, althans moeten begrijpen dat haar huidige woonsituatie (inwonend of zelf (mede)huurder) en het bestaan van eventuele huurschulden relevant was voor het beoordelen of er mogelijk sprake was van verwijtbare schuld en daarmee voor het verkrijgen van urgentie. Daarbij acht de kantonrechter het van belang dat uit de getuigenverklaring van [E] niet blijkt dat zij tegen [gedaagde 1] heeft gezegd dat de situatie tussen haar en [A] , als voormalig verhuurder, er niet toe deed maar dat zij, enkel op basis van de onjuiste informatie dat [gedaagde 1] bij [rechthebbende] inwoonde, heeft gezegd dat [gedaagde 1] dan een verhuurdersverklaring van haar vorige verhuurder (van de woning aan de [adres] te [woonplaats] ) diende te overleggen. [gedaagde 1] kan zich op dit punt dan ook niet verschuilen achter de informatie die zij van [E] heeft gekregen nu deze is verstrekt als gevolg van een onjuiste mededeling van haarzelf.

2.37.

Ten aanzien van de onjuiste mededeling over het inwonen bij [rechthebbende] is derhalve sprake van dwaling zoals bedoeld in artikel 6:228 lid 1 sub a BW en met het verzwijgen van de situatie omtrent de vermeende huurschuld bij [A] van sub b van voornoemd artikel. Voor zover moet worden aangenomen dat [gedaagde 1] , zoals zij heeft betoogd, daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat zij (hoewel feitelijk onjuist) bij [rechthebbende] inwoonde, staat dit een beroep op dwaling niet in de weg maar is sprake van een situatie zoals bedoeld in sub c van voornoemd artikel.

Dient de dwaling voor rekening van Woonbedrijf te blijven?

2.38.

Tot slot dient te worden beoordeeld of de dwaling in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van Woonbedrijf dient te blijven. Naar het oordeel van de kantonrechter is van een dergelijke situatie geen sprake. Zij overweegt hierover als volgt.

Met betrekking tot de aard van de overeenkomst geldt dat het gaat om een overeenkomst voor een sociale huurwoning die wordt verhuurd aan een moeder van vijf jonge kinderen zodat een vernietiging niet alleen voor [gedaagde 1] grote gevolgen zal hebben, maar ook voor haar kinderen. Daar staat tegenover dat er een enorme schaarste bestaat aan dergelijke huurwoningen. Naast [gedaagde 1] zijn er meerdere woningzoekenden met kinderen die dringend een huurwoning nodig hebben én wel op goede gronden een urgentieverklaring hebben verkregen. Indien het onjuist en onvolledig informeren door [gedaagde 1] zoals dit in deze procedure is komen vast te staan – ook al is in het kader van bedrog niet komen vast te staan dat zij dit opzettelijk heeft gedaan – voor rekening van Woonbedrijf dient te blijven, zou dit betekenen dat een dergelijke handelwijze lonend kan zijn en andere woningzoekenden, die wel op goede gronden een urgentieverklaring hebben verkregen, worden benadeeld. De aard van de overeenkomst noopt dan ook niet tot de conclusie dat de dwaling voor rekening van Woonbedrijf behoort te blijven.

2.39.

De stelling van [gedaagde 1] , dat Woonbedrijf onvoldoende aan haar onderzoeksplicht zou hebben voldaan en daarom de dwaling op grond van de verkeersopvatting voor rekening van Woonbedrijf dient te blijven, wordt verworpen. Op het Aanvraagformulier wordt de woningzoekende expliciet gevraagd of hij/zij inwonend is of zelf een woning huurt én wordt gevraagd naar eventuele schulden. [gedaagde 1] heeft op het Aanvraagformulier ingevuld dat zij inwonend was en geen schulden had zodat de Urgentiecommissie, als vertegenwoordiger van Woonbedrijf, daarvan is uitgegaan en mocht uitgaan. Voor zover er onvoldoende onderzoek is gedaan, was het juist [gedaagde 1] die verder onderzoek had dienen te doen naar haar huursituatie alvorens daarover te verklaren. Niet is gebleken dat er voor de Urgentiecommissie in januari 2020 enige aanleiding was na te gaan of de ingevulde informatie wel juist was. De omstandigheid dat verder niet naar het huurverleden en de huurschulden van [gedaagde 1] is gevraagd kan de Urgentiecommissie niet worden verweten omdat zij op basis van het Aanvraagformulier er vanuit is gegaan dat [gedaagde 1] op dat moment geen woning huurde.

2.40.

Ook op basis van de andere omstandigheden van het geval is er geen aanleiding om de dwaling voor rekening van Woonbedrijf te laten komen. In dit kader heeft [gedaagde 1] aangevoerd dat het slechts gaat om één foutieve zin op het Aanvraagformulier. Deze stelling kan reeds niet worden gevolgd aangezien deze feitelijk onjuist is. Het gaat immers niet alleen om de vermelding dat zij inwonend was, maar ook om het niet vermelden van de huurachterstand die [A] van haar vorderde én het niet mededelen dat [rechthebbende] de vader is van het vijfde kind waarvan zij op het moment van de aanvraag zwanger was.

2.41.

De slotsom is dat het beroep van Woonbedrijf op dwaling slaagt en dat zij de huurovereenkomst op 27 augustus 2020 dus rechtsgeldig heeft vernietigd. De primaire vordering onder I. komt dan ook voor toewijzing in aanmerking, voor zover deze is gericht tegen [gedaagde 1] . In het tussenvonnis (onder 4.1.) is immers al overwogen dat enkel [gedaagde 1] als huurder van het gehuurde kan worden aangemerkt. Bovendien is niet gebleken dat [gedaagde 1] en [rechthebbende] na het tussenvonnis alsnog zijn gehuwd of geregistreerde partners zijn geworden.

2.42.

Het gevolg van de toewijzing van de vordering onder I. jegens [gedaagde 1] is dat zij vanaf 27 augustus 2023 zonder recht of titel in het gehuurde verblijft. Dit betekent dat ook de vorderingen onder III. en IV., idem voor zover gericht tegen [gedaagde 1] , toewijsbaar zijn met dien verstande dat de ontruimingstermijn op vier weken zal worden bepaald teneinde [gedaagde 1] enige gelegenheid te bieden voor haar en haar vijf kinderen alternatieve woonruimte te vinden.

2.43.

Gelet op het feit dat de primaire vordering onder I. wordt toegewezen behoeft de onder II. subsidiair gevorderde ontbinding geen bespreking meer.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

2.44.

[gedaagde 1] heeft verzocht een eventueel toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bij de beoordeling daarvan geldt volgens vaste rechtspraak (zie onder meer HR 29 november 1996, NJ 1997, 684) dat de belangen van beide partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkreeg, in dit geval Woonbedrijf, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde, in dit geval [gedaagde 1] , bij behoud van de bestaande toestand totdat op het eventuele appel is beslist. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient bij die beoordeling in de regel buiten beschouwing te blijven. Woonbedrijf heeft belang bij ontruiming, gelet op haar wettelijke taak om te zorgen voor een eerlijke verdeling van het schaarse aanbod van sociale huurwoningen. Zij wenst het gehuurde dat nu zonder recht of titel door [gedaagde 1] wordt bewoond aan een andere woningzoekende ter beschikking te stellen. Daar staat tegenover het woonbelang van [gedaagde 1] én haar vijf kinderen. Daarbij is relevant dat er sprake is van een groot restitutierisico aangezien een achteraf onterechte ontruiming, in het geval in hoger beroep anders zal worden geoordeeld, niet of nauwelijks te herstellen is. Alles afwegend oordeelt de kantonrechter dat het belang van Woonbedrijf zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde 1] , waarbij naast hetgeen onder 2.38. is overwogen tevens van belang is dat [gedaagde 1] een ruimere termijn dan gebruikelijk gegund wordt om het gehuurde te ontruimen. De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt daarom toegewezen.

Proceskosten en nakosten

2.45.

[gedaagde 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de 15e dag nadat [gedaagde 1] schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand. De kosten aan de zijde van Woonbedrijf worden als volgt vastgesteld:

  • explootkosten: € 231,10

  • griffierecht: € 126,00

  • salaris gemachtigde: € 895,50 (4,5 punten á € 199,00 liquidatietarief kanton)

  • getuigenkosten: € 226,00 (taxe getuige [A] )

Totaal € 1.478,6?0.

2.46.

Voor de gevorderde separate veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de proceskostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen Woonbedrijf en [gedaagde 1] door Woonbedrijf op juiste gronden is vernietigd;

3.2.

veroordeelt [gedaagde 1] om binnen vier weken na betekening van het vonnis,

het gehuurde, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , met alle daarin aanwezige personen en goederen voor zover deze laatste niet het eigendom zijn van Woonbedrijf, te ontruimen en ontruimd te houden alsmede niet opnieuw in gebruik te nemen en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Woonbedrijf te stellen;

3.3.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van schadevergoeding, een bedrag gelijk aan de laatst geldende huursom over elke maand, gerekend vanaf de datum van het vonnis tot aan de datum van de ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de verschuldigde bedragen hadden moeten zijn voldaan tot aan de dag van volledige

betaling;

3.4.

veroordeelt [gedaagde 1] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Woonbedrijf tot vandaag vastgesteld op € 1.478,60, ?met de wettelijke rente hierover vanaf de 15e dag nadat [gedaagde 1] schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand;

3.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M.C. Mommers, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2023.