Civiel recht overig
Gecombineerde schadestaatprocedures. Schadevergoeding wegens tekortkoming in de nakoming koopovereenkomst met…
Rechtbank Oost-Brabant, 13 september 2023
ECLI:NL:RBOBR:2023:4580 · Rechtbank Oost-Brabant · 13 september 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-rbobr-2023-4580
Zaakgegevens
Op 13 september 2023 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Eindhoven
- Datum uitspraak
- 13 september 2023
- Datum publicatie
- 15 september 2023
- Zaaknummer
- C-01-345278 - HA ZA 19-257
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2023:4580
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Gecombineerde schadestaatprocedures. Schadevergoeding wegens tekortkoming in de nakoming koopovereenkomst met betrekking tot onroerend goed. Abstracte schadeberekening. Geen schade als gevolg van het niet hebben van toereikende volmacht.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel Recht
Zittingsplaats Eindhoven
zaaknummer / rolnummer: C/01/345278 / HA ZA 19-257
Vonnis van 13 september 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [plaats ] ,
eiseres,
hierna: [eiseres] ,
advocaat mr. A.M.H.C. Coppens te Deurne,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [plaats ] , gemeente [plaats ] ,
hierna: [gedaagde 1] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [plaats ] , gemeente [plaats ] ,
hierna: [gedaagde 2] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 3] B.V.,
gevestigd te [plaats ] , gemeente [plaats ] ,
hierna: [gedaagde 3] ,
4. [gedaagde 4],
wonende te [plaats ] , gemeente [plaats ] ,
hierna: [gedaagde 4] ,
5. [gedaagde 5],
wonende te [plaats ] , gemeente [plaats ] ,
hierna: [gedaagde 5] ,
gedaagden,
hierna gezamenlijk: [gedaagden] ,
advocaat mr. J. van Boekel te Tilburg.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenvonnis van 30 november 2022 en de daarin genoemde eerdere processtukken,
-
de akte uitlating van [eiseres] van 4 januari 2023 met producties,
-
de akte uitlaten van [gedaagden] van 1 februari 2023 met producties.
Daarna is een datum voor uitspraak bepaald.
2 De verdere beoordeling
De schadestaatprocedure tegen [gedaagde 1]
Waardedaling onroerend goed
De rechtbank handhaaft wat in het vonnis van 30 november 2022 is overwogen en beslist.
In dat vonnis zijn partijen ten eerste in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het aangekondigde deskundigenbericht om de waarde van de onroerende zaken op de peildatum, 27 maart 2013, te laten bepalen, waarbij [gedaagde 1] als aansprakelijke partij het voorschot voor de inschakeling van de deskundige(n) zal moeten deponeren.
Beide partijen hebben bij akte aangegeven zich te kunnen vinden in de benoeming van één deskundige. [gedaagde 1] heeft aangegeven in te kunnen stemmen met het voorstel van [eiseres] om de heer Ralf Joosten, NVM makelaar-taxateur, werkzaam bij Adriaan van den Heuvel makelaars en adviseurs te Helmond, voor te dragen voor benoeming. De rechtbank zal partijen hierin volgen en deze deskundige benaderen voor benoeming.
[eiseres] is in het vonnis van 30 november 2022 tevens opgedragen zich gemotiveerd en onderbouwd met stukken uit te laten over de wijze waarop de heer [A] perceel [kadastrale aanduiding 1] aan [eiseres] ter beschikking heeft gesteld en welke tegenprestatie de vennootschap daarvoor heeft moeten leveren. [eiseres] diende gelet op het verweer van [gedaagde 1] dat perceel [kadastrale aanduiding 1] haar niet in eigendom toebehoorde, te onderbouwen waarom zij met betrekking tot dat perceel schade heeft geleden als gevolg van de niet-nakoming van de koopovereenkomst door [gedaagde 1] .
[eiseres] heeft bij akte toegelicht dat perceel [kadastrale aanduiding 1] een ingesloten perceel betreft dat om fiscale redenen is gekocht door de [A] en op 14 juni 2007 is geleverd door de toenmalige eigenaar, Immobrew Nederland B.V. Tevens heeft [eiseres] een akte van levering in het geding gebracht waaruit volgt dat de percelen gemeente [plaats ] , sectie [kadastrale aanduiding 1] , [kadastrale aanduiding 2] , [kadastrale aanduiding 3] , [kadastrale aanduiding 4] en [kadastrale aanduiding 5] op 31 oktober 2018 zijn verkocht en overgedragen aan de besloten vennootschap KV BDB 01 B.V. voor een koopprijs van € 520.000,--. [eiseres] erkent dat perceel [kadastrale aanduiding 1] nimmer haar eigendom is geweest, maar dat neemt volgens [eiseres] niet weg dat zij ook met betrekking tot dit perceel schade heeft geleden. De aankoop van perceel [kadastrale aanduiding 1] door de [A] vloeit volgens [eiseres] immers voort uit de hierover destijds met [gedaagde 1] in artikel 14.6 van de koopovereenkomst gemaakte afspraken. Dat het de bedoeling was van de [A] om perceel [kadastrale aanduiding 1] vlak voor de overdracht aan [gedaagde 1] aan [eiseres] ter beschikking te stellen, blijkt volgens [eiseres] uit de deelbetaling van € 10.000,-- uit 2013 ten bewijze waarvan zij een bankafschrift in het geding brengt.
Volgens [gedaagde 1] heeft [eiseres] over de wijze waarop het perceel aan de vennootschap ter beschikking zou zijn gesteld niets aangevoerd, noch over welke tegenprestatie daarvoor zou hebben gegolden. Volgens [gedaagde 1] blijkt uit niets dat perceel [kadastrale aanduiding 1] ter beschikking zou zijn gesteld aan [eiseres] . Dat in dit verband een betaling is gedaan in 2013 volgt ook niet uit het door [eiseres] overgelegde bankafschrift. [gedaagde 1] betwist de door [eiseres] gestelde verkoopprijs van € 520.000,-- en zij verzoekt de rechtbank om [eiseres] op grond van artikel 22 Rv te gebieden de intentieovereenkomst van 1 maart 2018 en eventueel de koopakte in het geding te brengen.
De rechtbank stelt vast dat na het sluiten van de koopovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde 1] op 21 maart 2007 perceel [kadastrale aanduiding 1] niet is aangekocht door [eiseres] (zoals in artikel 14.6 stond opgenomen) maar door de [A] in privé. Vast staat ook dat perceel [kadastrale aanduiding 1] nadien nooit eigendom is geworden van [eiseres] omdat het door de [A] op 31 oktober 2018 rechtstreeks is verkocht en geleverd aan KV BDB 01 B.V. De rechtbank kan om die reden niet zonder meer aannemen dat het na de verwerving van perceel [kadastrale aanduiding 1] door de [A] in privé nog de bedoeling was dat dit perceel aan [eiseres] ter beschikking zou worden gesteld. De noodzaak daartoe heeft [eiseres] niet duidelijk kunnen maken. [eiseres] heeft in weerwil van de opdracht van de rechtbank ook niet toegelicht onder welke voorwaarden de ter beschikkingstelling in dat geval zou hebben plaatsgevonden en welke tegenprestatie de vennootschap in dat geval verschuldigd zou zijn. De rechtbank kan daarom niet aannemen, laat staan becijferen, dat [eiseres] schade heeft geleden als gevolg van niet-nakoming van de koopovereenkomst door [gedaagde 1] met betrekking tot perceel [kadastrale aanduiding 1] . Dit betekent dat een eventuele waardedaling van perceel [kadastrale aanduiding 1] niet als schade van [eiseres] kan worden aangemerkt. De rechtbank zal perceel [kadastrale aanduiding 1] daarom niet in de vermogensvergelijking (het verschil tussen de verkoopprijs die partijen destijds overeen zijn gekomen en de waarde van de onroerende zaken op de peildatum) betrekken. De rechtbank zal dit meenemen in de vraagstelling aan de deskundige.
De rechtbank heeft kennis genomen van de door partijen voorgestelde vragen aan de deskundige.
De door [eiseres] voorgestelde vraag bij randnummer 6.2 van haar akte zal de rechtbank niet overnemen. Het is grotendeels aan de deskundige zelf om de omstandigheden in aanmerking te nemen die volgens hem bepalend zijn voor de waarde van de onroerende zaken op de peildatum. De rechtbank zal wel opnemen dat bij de waardebepaling met ontwikkelmogelijkheden slechts rekening mag worden gehouden voor zover die op de peildatum bestonden of op korte termijn te verwachten waren.
De rechtbank zal evenmin opnemen de vragen en omstandigheden genoemd door [gedaagde 1] vanaf het derde gedachtestreepje op pagina 3 van haar akte. Hetgeen daarin is opgenomen oordeelt de rechtbank voor de waardebepaling niet relevant, dan wel uitsluitend aan het oordeel van de deskundige voorbehouden.
De rechtbank zal met inachtneming van hetgeen hiervoor bij 2.7. is overwogen daarnaast nog een aantal vragen opnemen met betrekking tot perceel [kadastrale aanduiding 1] .
De rechtbank komt tot de volgende vraagstelling:
-
Kunt u de gezamenlijke waarde van de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats ] , [sectie] nummers [kadastrale aanduiding 2] , [kadastrale aanduiding 1] , [kadastrale aanduiding 3] , [kadastrale aanduiding 4] en [kadastrale aanduiding 5] op 27 maart 2013 vaststellen, uitgaande van een verkoop als geheel? U dient bij de waardebepaling slechts rekening te houden met ontwikkelmogelijkheden voor zover deze op 27 maart 2013 bestonden of op korte termijn te verwachten waren. Kunt u aangeven welke omstandigheden u verder bij uw waardebepaling betrekt en waarom?
-
Kunt u de waarde van uitsluitend perceel [kadastrale aanduiding 1] vaststellen op 27 maart 2013, uitgaande van een verkoop als geheel? Met andere woorden: welk deel van de totale waarde van de percelen op 27 maart 2013 zou aan perceel [kadastrale aanduiding 1] moeten worden toegerekend?
-
Kunt u aangeven waarom perceel [kadastrale aanduiding 1] volgens u die waarde vertegenwoordigt?
-
Welk gedeelte van de tussen [eiseres] en [gedaagde 1] op 1 maart 2007 overeengekomen koopprijs van € 1.350.000,-- voor de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats ] , [sectie] nummers [kadastrale aanduiding 2] , [kadastrale aanduiding 1] , [kadastrale aanduiding 3] , [kadastrale aanduiding 4] en [kadastrale aanduiding 5] tezamen, zou u redelijkerwijs toeschrijven aan perceel [kadastrale aanduiding 1] ?
-
Voor zover u van mening bent vraag 4. niet te kunnen beantwoorden, wat was volgens u dan de waarde van perceel [kadastrale aanduiding 1] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst op 1 maart 2007, uitgaande van een verkoop als geheel?
-
Zijn er nog onderwerpen die niet bij de hiervoor weergegeven vragen naar voren zijn gekomen, maar waarvan u vindt dat de rechtbank daar toch kennis van moet nemen bij de beoordeling?
De rechtbank zal de vraagstelling aan de deskundige verder uitwerken in het dictum.
Eigenaarslasten, extra financieringslasten en huuropbrengsten.
[eiseres] is in het vonnis van 30 november 2022 in de gelegenheid gesteld haar vordering opnieuw te becijferen en te onderbouwen met stukken waaruit blijkt dat [eiseres] de extra financierings- en eigenaarslasten heeft voldaan.
Verzekeringspremie.
[eiseres] heeft ter onderbouwing van de door haar betaalde extra verzekeringspremie de grootboekkaart met betrekking tot de rekening-courant over 2012 in het geding gebracht. Veel betalingen en ontvangsten vonden volgens [eiseres] in eerste instantie plaats via de handelsonderneming om vervolgens met
[eiseres] (de beheermaatschappij) te worden verrekend door middel van boekingen in rekening-courant. De facturen met betrekking tot de verzekeringspremie gekenmerkt met A leiden tot een totaalbedrag van € 2.308,12 over 2012 dat in rekening-courant is geboekt en dus is voldaan door [eiseres] .
Naar het oordeel van de rechtbank is de betaling door [eiseres] van een bedrag van € 2.308,12 aan verzekeringspremie over 2012 daarmee voldoende vast komen te staan. Dit bedrag is daarom toewijsbaar.
Volgens [eiseres] is over andere jaren op exact dezelfde wijze gehandeld als in 2012, maar dit is door [gedaagde 1] betwist en door [eiseres] niet aangetoond met stukken. Het meer gevorderde aan verzekeringspremie wordt daarom afgewezen.
De rechtbank gaat aan het door [eiseres] (nogmaals) gedane bewijsaanbod voorbij, omdat [eiseres] reeds in het vonnis van 30 november 2022 in de gelegenheid is gesteld haar vordering op dit punt te onderbouwen met stukken en zij hier slechts gedeeltelijk, voor wat betreft 2012, aan heeft voldaan.
Ozb.
Met betrekking tot de onroerende zaakbelasting van € 4.436,24 verwijst [eiseres] naar de aan haar gerichte beschikkingen die als productie 18 bij dagvaarding in het geding zijn gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] daarmee voldoende aangetoond dat sprake is van een vordering van de gemeente Laarbeek op [eiseres] die een direct gevolg is van de tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst door [gedaagde 1] . Het bedrag van € 4.436,24 kan daarom als schade van [eiseres] worden aangemerkt en is toewijsbaar.
Nutsvoorzieningen.
Volgens [eiseres] gaat het om een totaalbedrag van € 11.611,32 berekend tot 27 maart 2013. Ook hiervoor geldt naar het oordeel van de rechtbank dat de nutsvoorzieningen die op naam zijn gesteld van de handelsonderneming slechts als schade van [eiseres] voor toewijzing in aanmerking komen voor zover [eiseres] aantoont dat deze daadwerkelijk door haar zijn voldaan (door middel van boeking in rekening-courant). [eiseres] verwijst naar de in 2012 door de handelsonderneming betaalde bedragen ter zake van watersysteemheffing van € 179,77 en € 227,34 vermeld in de grootboekkaart en gekenmerkt met de hoofdletters C en D.
De rechtbank kan noch uit productie 19 bij dagvaarding, noch uit de grootboekkaart van productie 39 afleiden dat de door [eiseres] gevorderde bedragen aan nutsvoorzieningen door haar zijn betaald. De door [eiseres] genoemde bedragen van € 179,77 en € 227,34 die met C en D zouden zijn gekenmerkt treft de rechtbank niet aan op de als productie 39 overgelegde grootboekkaart. De onderbouwing van de vordering wegens nutsvoorzieningen, die door [gedaagde 1] is betwist, is voor de rechtbank ook na de nadere toelichting onnavolgbaar gebleven en daarom niet toewijsbaar.
Overbruggingskrediet.
Door [eiseres] is bij akte een nieuw overzicht van rentebedragen in het
geding gebracht met betrekking tot de periode tot en met maart 2013. Dit overzicht resulteert in een totaalbedrag van € 103.286,72 en wijkt daarmee af van het bedrag ter zake van het overbruggingskrediet dat eerder in de schadeberekening was betrokken. [eiseres] vermindert haar vordering op dit punt om die reden tot een bedrag van € 103.286,72. Betaling van de bedragen heeft volgens [eiseres] zoals gebruikelijk was plaatsgevonden via de handelsmaatschappij. [eiseres] verwijst naar een afschrift van de betaalrekening over de periode januari tot april 2013. De hierop genoemde bedragen zijn genummerd met 44 t/m 47, welke nummers volgens [eiseres] corresponderen met de op het overzicht dat als productie 40 in het geding is gebracht. Voor het geval de rechtbank het van belang mocht achten ook over oudere bankafschriften te beschikken biedt [eiseres] aan deze alsnog in het geding te brengen.
Volgens [gedaagde 1] schiet de onderbouwing van de kosten wegens de overbruggingsfinanciering om meerdere redenen tekort. De betalingen zijn volgens [gedaagde 1] niet aangetoond en evenmin is aangetoond dat deze ten laste van [eiseres] zouden zijn gekomen. De interne administratie van [eiseres] vormt volgens [gedaagde 1] geen bewijs van de betaling die moest worden bewezen. Dat stukken niet meer voorhanden zouden zijn, komt voor rekening van [eiseres] omdat zij kennis had van de procedure en van het feit dat zij bewijs zou moeten aandragen, aldus [gedaagde 1] .
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] met productie 41 en 42 voldoende aangetoond dat de debetrente voor de overbruggingsfinanciering over de periode vanaf januari tot en met april 2013 door de handelsonderneming is voldaan en is doorbelast aan [eiseres] . Het gaat om een bedrag van € 7.645,98. Dit gedeelte van de verminderde vordering is toewijsbaar. Voor het overige kan uit de door [eiseres] overgelegde producties onvoldoende worden afgeleid dat debetrente is betaald en doorbelast, omdat over deze periode geen afschriften van de betaalrekening in het geding zijn gebracht. Het meer gevorderde met betrekking tot de overbruggingsfinanciering wordt daarom afgewezen.
Resumerend met betrekking tot de extra financierings- en eigenaarslasten.
Op grond van het voorgaande is toewijsbaar:
-
Aan verzekeringspremie € 2.308,12
-
Aan ozb € 4.436,24
-
Aan overbruggingskrediet € 7.645,98
Totaal € 14.390,34
De wettelijke rente over het toegewezen bedrag is toewijsbaar vanaf 22 december 2015, de dag van ontvangst van het schikkingsbedrag van € 320.000,-- van Van Kruijsdijk Notarissen.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3 De beslissing
De rechtbank
beveelt een onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:
-
Kunt u de gezamenlijke waarde van de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats ] , [sectie] nummers [kadastrale aanduiding 2] , [kadastrale aanduiding 1] , [kadastrale aanduiding 3] , [kadastrale aanduiding 4] en [kadastrale aanduiding 5] op 27 maart 2013 vaststellen, uitgaande van een verkoop als geheel? U dient bij de waardebepaling slechts rekening te houden met ontwikkelmogelijkheden voor zover deze op 27 maart 2013 bestonden of op korte termijn te verwachten waren. Kunt u aangeven welke omstandigheden u verder bij uw waardebepaling betrekt en waarom?
-
Kunt u de waarde van uitsluitend perceel [kadastrale aanduiding 1] vaststellen op 27 maart 2013, uitgaande van een verkoop als geheel? Met andere woorden: welk deel van de totale waarde van de percelen op 27 maart 2013 zou aan perceel [kadastrale aanduiding 1] moeten worden toegerekend?
-
Kunt u aangeven waarom perceel [kadastrale aanduiding 1] volgens u die waarde vertegenwoordigt?
-
Welk gedeelte van de tussen [eiseres] en [gedaagde 1] op 1 maart 2007 overeengekomen koopprijs van € 1.350.000,-- voor de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats ] , [sectie] nummers [kadastrale aanduiding 2] , [kadastrale aanduiding 1] , [kadastrale aanduiding 3] , [kadastrale aanduiding 4] en [kadastrale aanduiding 5] tezamen, zou u redelijkerwijs toeschrijven aan perceel [kadastrale aanduiding 1] ?
-
Voor zover u van mening bent vraag 4. niet te kunnen beantwoorden, wat was volgens u dan de waarde van perceel [kadastrale aanduiding 1] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst op 1 maart 2007, uitgaande van een verkoop als geheel?
-
Zijn er nog onderwerpen die niet bij de hiervoor weergegeven vragen naar voren zijn gekomen, maar waarvan u vindt dat de rechtbank daar toch kennis van moet nemen bij de beoordeling?
bepaalt het volgende met betrekking tot de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige:
de deskundige dient, binnen twee weken na ontvangst van het verzoek van de rechtbank om als deskundige op te treden, een begroting van de kosten op te geven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten;
de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen;
partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting;
indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige worden vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag;
indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot door de rechtbank worden vastgesteld,
bepaalt dat het voorschot op de kosten van de deskundige door [gedaagde 1] moet worden betaald,
het onderzoek
bepaalt dat [eiseres] binnen twee weken na een verzoek van de deskundige een afschrift van haar volledige procesdossier aan de deskundige moet opsturen,
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
wijst de deskundige erop dat:
de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of op te vragen bij de griffie);
de deskundige pas met het onderzoek kan beginnen ná het bericht van de griffier over de betaling van het voorschot, en dat een eerder begin van het onderzoek voor eigen rekening en risico van de deskundige geschiedt;
de deskundige het onderzoek onmiddellijk moet staken en contact moet opnemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn. Laat de deskundige dit na, dan geschiedt dit voor eigen rekening en risico,
de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,
indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige erop heeft gereageerd,
bepaalt dat partijen:
nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken indien deze daarom verzoekt. Partijen moeten de eventueel aan de deskundige te verschaffen gegevens ook in afschrift aan elkaar toesturen;
de deskundige gelegenheid moeten geven tot het verrichten van het onderzoek, onder andere door de deskundige toegang te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen,
het schriftelijk rapport
draagt de deskundige op om, binnen een nader vast te stellen termijn, een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud bij de griffie van de rechtbank in te leveren, met daarbij een gespecificeerde declaratie,
wijst de deskundige erop dat:
uit het schriftelijke rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd;
de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, en partijen de gelegenheid moet geven om binnen vier weken na verzending van het rapport daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden. Dit met het oog op het fundamentele recht van hoor en wederhoor,
bepaalt dat partijen binnen vier weken nadat het conceptrapport van de deskundige aan hen is toegezonden, daarop schriftelijk kunnen reageren, en dat zij elkaar een afschrift van deze reactie moeten toezenden. Partijen krijgen bij de deskundige geen gelegenheid om op elkaars vragen en opmerkingen naar aanleiding van het conceptrapport te reageren. Deze gelegenheid krijgen zij bij de conclusie na deskundigenbericht,
overige bepalingen
bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 3 april 2024,
draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen zodra een deskundige bereid is gevonden de benoeming als deskundige te aanvaarden,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Bartels, mr. K.A. Maarschalkerweerd en mr. S.A.H.J. Warringa en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023.