Civiel recht overig

Verzoek herstel fout. 31 Rv. Afwijzing. Geen kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Andere…

Rechtbank Oost-Brabant, 11 maart 2026

Zaakgegevens

Op 11 maart 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11 maart 2026
Datum publicatie
10 maart 2026
Zaaknummer
C/01/409290 / HA ZA 24-646
Procedure
Bodemzaak
Advocaat
mr. R.G.F Lammers, mr. D.P. Schalken
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:1559
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek herstel fout. 31 Rv. Afwijzing. Geen kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Andere rechter dan de rechter die het vonnis heeft gewezen beslist op het verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/409290 / HA ZA 24-646

Vonnis van 11 maart 2026

in de zaak van

[eiser] B.V.,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. R.G.F. Lammers,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. D.P. Schalken.

1 Het verzoek tot verbetering

1.1.

Op 5 januari 2026 heeft mr. R.G.F. Lammers namens [eiser] de rechtbank verzocht om verbetering van het op 10 december 2025 in deze zaak gewezen vonnis. Volgens [eiser] is er een fout in het vonnis geslopen dat zich voor eenvoudig herstel leent. Volgens [eiser] blijkt uit het vonnis van 10 december 2025 overduidelijk dat de rechtbank de vordering van [eiser] , behoudens de buitengerechtelijke kosten, geheel toewijst. Volgens [eiser] heeft de rechtbank over het hoofd gezien dat sprake is van communicerende vaten, met als gevolg dat van de restantaanneemsom slechts een deel is toegewezen, te weten € 5.343 in plaats van € 82.400,-. Daarbij heeft de rechtbank het op het totale meerwerk reeds betaalde bedrag in mindering gebracht op de overeengekomen aanneemsom.

1.2.

Op 15 januari 2026 heeft mr. D.P. Schalken namens [gedaagde] aan de rechtbank laten weten tegen toewijzing van dat verzoek bezwaar te hebben. [gedaagde] wijst op de motivering van de rechtbank en geeft aan het verzoek niet te kunnen volgen. Er is geen sprake van een kennelijke fout en zeker niet een die zich leent voor eenvoudig herstel.

2 De beoordeling

2.1.

Het vonnis van 10 december 2025 waarvan herstel wordt gevraagd is gewezen door mr. C.M. Salemans. Mr. Salemans is vanwege persoonlijke omstandigheden niet in staat om het verzoek verbetering op korte termijn te beoordelen. Om onnodige vertraging te voorkomen zal het verzoek worden beoordeeld door een andere rechter. Het moet hier namelijk gaan om een kennelijke fout (rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout), die zich bovendien leent voor eenvoudig herstel. Dit is het geval als het gaat om duidelijke verschrijvingen of fouten waarvan direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing (artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dat zal dan ook voor derden waaronder een andere rechter direct duidelijk moeten zijn. Met andere woorden, het zal direct duidelijk moet zijn waarin de fout is gelegen.

2.2.

De rechtbank oordeelt dat in het vonnis van 10 december 2025 geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. In dat vonnis heeft de rechtbank aan de hand van de vaststelling welke aanneemsom was overeengekomen, wat er is betaald en hoeveel het meerwerk bedraagt dat nog moet worden voldaan door [gedaagde] vastgesteld welk bedrag [gedaagde] nog aan [eiser] moet betalen (zie punt 4.1. in samenhang gelezen met punt 4.8., 4.14. en 4.15 van het vonnis van 10 december 2025). Daarbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk geoordeeld dat een bedrag van € 92.403,44 wordt toegewezen. Dit bedrag is ook in het dictum opgenomen. Dat slechts een deel van de restantaanneemsom is toegewezen, is niet juist afgezet tegen de motivering van de rechtbank in haar vonnis van 10 december 2025. De rechtbank zal het verzoek tot verbetering van het vonnis dan ook afwijzen.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst het verzoek om verbetering van het op 10 december 2025 tussen partijen gewezen vonnis af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.