Civiel recht overig

Rechtbank Oost-Brabant · Bodemzaak · Civiel recht overig

Rechtbank Oost-Brabant, 30 juli 2026

Zaakgegevens

Op 30 juli 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30 juli 2026
Datum publicatie
18 augustus 2026
Zaaknummer
12125054 CV EXPL 26-1462
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:5922
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

treintje rijden

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 12125054

Rolnummer : 26-1462

Uitspraak : 30 juli 2026

in de zaak van:

Q-Park Operations Netherlands B.V.,

gevestigd te Maastricht,

eiseres,

gemachtigde: mr. Ch.F.P.M. Spreksel,

t e g e n :

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen zullen verder worden aangeduid als ‘Q-Park’ en ‘ [gedaagde] ’.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 23 februari 2026 met producties;

  2. het schriftelijke antwoord van 9 april 2026 met producties;

  3. de rolbeslissing van 23 april 2026 waarbij is bepaald dat een mondelinge behandeling zal worden gelast;

  4. e akte van Q-Park van 14 juli 2026 met één productie en een USB met beeldmateriaal;

  5. de mondelinge behandeling van 14 juli 2026, waarbij [gedaagde] alhoewel behoorlijk opgeroepen niet is verschenen.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is eigenaar van de Toyota RAV4 met het kenteken [kenteken] (hierna: ‘de auto’).

2.2.

Q-Park exploiteert en beheert parkeeraccomodaties in Nederland.

2.3.

[gedaagde] heeft met Q-Park op 22 november 2025 een (parkeer)overeenkomst gesloten, door zijn auto in de parkeergarage te parkeren.

2.4.

Bij iedere ingang van de parkeerfaciliteiten van Q-Park worden voorafgaand aan het naar binnen rijden de geldende tarieven en de (toepasselijkheid van de) algemene voorwaarden van Q-Park conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt door middel van een informatiebord.

2.5.

In de algemene voorwaarden van Q-Park is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

[afbeelding niet beschikbaar]

3 Het geschil

3.1.

Q-Park vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 450,64, vermeerderd met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

3.2.

Q-Park legt aan haar vordering ten grondslag dat door het in de parkeergarage

aanwezige parkeermanagement systeem (PMS) alsmede door de camera’s is geconstateerd dat [gedaagde] de betreffende parkeeraccomodatie op 22 november 2025 te 16.34 uur op onrechtmatige wijze en in strijd met de overeenkomst tussen partijen en haar algemene voorwaarden is uitgereden door direct achter een voorganger onder c.q. langs de slagboom te rijden (het zogenoemde ‘treintje rijden)’.

Q-Park heeft van [gedaagde] te vorderen:

[afbeelding niet beschikbaar]

3.3.

[gedaagde] heeft- zakelijk weergegeven - het volgende verweer gevoerd.

Hij heeft het verschuldigde parkeergeld betaald door op 22 november 2025 om 11.17 uur met zijn pinpas een dagkaart van € 10,45 te kopen. Verder heeft hij niet gehandeld in strijd met artikel 5.5. van de algemene voorwaarden. In dit artikel gaat het om de combinatie van zowel het ontbreken van een geldig parkeerbewijs als anderzijds het vlak achter een voorganger door de slagboom rijden. Aangezien hij wel een geldig parkeerbewijs had wordt hieraan niet voldaan. Q-Park heeft geen schade geleden en hij heeft geen overtreding begaan, waardoor de vordering van Q-Park niet terecht is.

4 De beoordeling

4.1.

Het geschil tussen partijen spitst zich allereerst toe op de vraag of [gedaagde] zonder voorafgaande betaling van het verschuldigde parkeergeld de parkeerfaciliteit heeft verlaten.

4.2.

[gedaagde] heeft bij antwoord een foto van de dagkaart Dierenpark overlegd.

Deze foto ziet er als volgt uit:

[afbeelding niet beschikbaar]

Hieruit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat [gedaagde] op 22 november 2025 om 11.17 uur voor € 10,45 een dagkaart Dierenpark heeft gekocht bij Q-Park-Park Dierenpark. Die kaart is geldig van 22 november 2025 11.00 uur tot 23 november 2025 10:59 uur.

De kantonrechter is van oordeel dat het parkeergeld voor 22 november 2025 is betaald.

4.3.

[gedaagde] heeft erkend dat hij treintje heeft gereden. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd stelt de kantonrechter vast dat [gedaagde] enkel door het treintje rijden (ook met een geldig betaalbewijs) in strijd heeft gehandeld met artikel 5.5. van de algemene voorwaarden.

Het bedrag van € 382,41 aan schadevergoeding is [gedaagde] daarom in beginsel verschuldigd.

Gelet op hetgeen hierboven onder 4.2 is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat het onredelijk is om nogmaals parkeergeld (tarief “verloren kaart”) in rekening te brengen. Het door Q-Park gevorderde bedrag aan parkeergeld ad € 9,45 is daarom niet toewijsbaar.

4.4.

[gedaagde] is consument. De kantonrechter moet daarom ambtshalve beoordelen of artikel 5.5. in de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is.

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat de boete niet onredelijk hoog is en in redelijke verhouding staat tot de (te verwachten) schade door het treintje rijden. Treintje rijden kan schade of storingen veroorzaken aan de slagboom, wat tot gevaarlijke situaties kan leiden voor andere weggebruikers. De boete is bedoeld om voldoende afschrikwekkend te zijn, zodat het treintje rijden wordt ontmoedigd. De hoogte van deze boete staat dan ook in redelijke verhouding tot het belang van Q-Park, namelijk het voorkomen van verkeersonveilige gedragingen zoals treintje rijden, ook gezien het feit dat [gedaagde] de parkeergarage op deze onveilige manier heeft verlaten. Het is dan ook geen oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn. Het bedrag van € 382,41 aan schadevergoeding is daarom toewijsbaar.

4.6.

De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten komt niet volledig voor toewijzing in aanmerking. Nu op het gevorderde een bedrag in mindering wordt gebracht, wordt een bedrag aan buitengerechtelijke vergoeding toegewezen ter hoogte van € 57,36.

4.7.

De wettelijke rente wordt toegewezen als na te melden.

4.8.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park tegen bewijs van kwijting een bedrag te betalen van

€ 382,41, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het verzuim is ingetreden tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park tegen bewijs van kwijting een bedrag te betalen van

€ 57,36 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

23 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Q-Park tot vandaag begroot op

€ 127,08 ter zake dagvaardingskosten, € 139,00 ter zake griffierecht € 174,00 wegens gemachtigdensalaris en € 43,50 aan nakosten, te vermeerderen met de eventuele explootkosten van de betekening van het vonnis;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Iding, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 juli 2026.