Civiel recht overig
Vaststelling redelijk loon (artikel 7:405 BW). Sanctie schending informatieplichten bij aangaan overeenkomst.
Rechtbank Oost-Brabant, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:7293 · Rechtbank Oost-Brabant · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-rbobr-2026-7293
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 12 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/01/416658 / HA ZA 25-409
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. E.J.L. Mulderink, mr. R.H.U. Keizer
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:7293
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vaststelling redelijk loon (artikel 7:405 BW). Sanctie schending informatieplichten bij aangaan overeenkomst.
Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/416658 / HA ZA 25-409
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E.J.L. Mulderink,
tegen
[gedaagde] ,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.H.U. Keizer.
1 De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak over de vraag welk loon [gedaagde] aan [eiser] moet betalen voor de door [eiser] uitgevoerde schoonmaakwerkzaamheden aan het schip van [gedaagde] .
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] in dit geval een redelijk loon aan [eiser] moet betalen en stelt dat redelijk loon vast. Ook oordeelt de rechtbank dat [eiser] bij het aangaan van de overeenkomst haar informatieplichten heeft geschonden en dat daarom als sanctie een korting plaatsvindt op het door [gedaagde] te betalen bedrag.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald en de oproepingsbrieven voor de mondelinge behandeling,
- de brief van de rechtbank waarin aan partijen is kenbaar gemaakt welke onderwerpen tijdens de mondelinge behandeling in elk geval zullen worden besproken, waaronder ambtshalve toetsing,
- de mondelinge behandeling van 15 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
[eiser] is een specialistisch reinigingsbedrijf, dat zich in het bijzonder richt op maritieme reconditionering, waaronder wordt verstaan het reinigen van diverse soorten schade aan jachten (productie 1 bij dagvaarding). [eiser] heeft aldus vaak contact met scheepseigenaren, schade-experts en verzekeraars.
[gedaagde] was sinds 2012 eigenaar van een stalen motorkruiser van 11,6 meter van het merk Super van Craft (hierna te noemen: het schip). De verzekerde waarde van het schip was € 55.000.
Elke winter stalde [gedaagde] het schip in een overdekte loods. Op 15 januari 2024 brak er brand uit in de loods waar het schip stond. Het schip had rookschade opgelopen en was onder andere bedekt met roet. Ook andere schepen in de loods hadden schade opgelopen als gevolg van deze brand.
[gedaagde] heeft de schade gemeld bij zijn verzekeringstussenpersoon (Heinenoord Assuradeuren), die expertisebureau ESMA (in de persoon van de heer [a] ; hierna te noemen: [a] ) heeft ingeschakeld om de schade in kaart te brengen. [a] had een soortgelijke instructie van andere verzekeraars voor andere door de brand beschadigde schepen.
[eiser] is via [a] namens de benadeelde scheepseigenaren en/of hun verzekeraars ingeschakeld om de verschillende schepen eerst globaal te reinigen, opdat daarna een betere inschatting kon worden gemaakt van de schade en de herstelmogelijkheden. Deze werkzaamheden moesten onder een zekere tijdsdruk worden uitgevoerd, omdat de loods moest worden ontruimd.
Voor wat betreft het schip zag de eerste aan [eiser] verstrekte opdracht op het globaal schoonmaken daarvan aan de buitenzijde. Voor deze globale reiniging heeft [eiser] aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor € 4.676,82. [gedaagde] heeft dit bedrag aan [eiser] betaald (productie 4 bij dagvaarding). Dit bedrag is door de verzekeraar van [gedaagde] ( Unigarant ) aan hem vergoed.
In april 2024, na de globale reiniging van de buitenzijde van het schip, is [gedaagde] met [a] bij het schip gaan kijken om te bepalen wat er nog met het schip mogelijk was en wat [gedaagde] ermee wilde doen. Op 18 april 2024 heeft [gedaagde] (een tweede) opdracht aan [eiser] gegeven om het schip schoon te maken (producties 2 en 3 bij dagvaarding). Hij zond de directeur van [eiser] , de heer [b] (hierna: [b] ), daartoe de volgende korte e-mail:
“Hallo [b] .
Hierbij geef ik opdracht op mijn boot schoon te maken.
Gr [gedaagde] ”
[eiser] heeft vervolgens haar relaties [c] en [d] (hierna te noemen: “ [c] ” en “ [d] ”) schoonmaakwerkzaamheden laten uitvoeren aan het schip en de zich daarin bevindende inboedel, gebruiksvoorwerpen, kleding en beddengoed.
In de eerste week van juli 2024 heeft [gedaagde] bericht van [eiser] gekregen dat het schip schoongemaakt was en te water was gelaten nabij de loods. [gedaagde] is toen met [a] bij het schip gaan kijken.
[gedaagde] en [a] zijn direct aansluitend naar het kantoor van [b] gegaan omdat zij ontevreden waren over het resultaat.
Er is toen ook gesproken over de eindafrekening van € 70.000,00 die [eiser] had ontvangen van [c] .
Op 5 november 2024 heeft [eiser] een eindfactuur aan [gedaagde] verzonden van
€ 68.701,07 (productie 5 bij dagvaarding) en een kostenspecificatie aan [a] (productie 5 bij antwoord).
Op 6 november 2024 heeft [a] namens [gedaagde] per e-mail aan [b] afwijzend op de factuur gereageerd, omdat een volgens [gedaagde] door [b] afgegeven richtprijs van € 30.000,00 zou zijn overschreden (productie 6 bij dagvaarding):
“(…) Met jouw notanummer 202409366 van 5-11-2024 ga ik niet akkoord.
In april 2024 is ons door jou voorgehouden dat de totaal kosten voor het vaartuig van de heer [gedaagde] tot globaal € 30.000,00 zouden oplopen.
Vanwege die info die ons op 18 april bereikte zijn wij daarvan uit gegaan. Hierna zijn geen tussentijdse hercalculaties aan ons verstrekt.
Na afloop van alle werkzaamheden kwam je op 5-7-2024 met het exorbitant hoge herstelbedrag van globaal €70.000,00 waar wij toen ook niet mee akkoord konden gaan. Vaartuig is maar verzekerd voor €55 000 00!. Hierna ben jij bij [c] gaan navragen hoe zij aan die hoge kostenopgave zijn gekomen.
Hiervan is de uitkomst iets aangepast (fout van 80 uur?) doch nog heel ver weg van de opgegeven prognose van april 2024 van € 30.000,00.
Dat jullie uiteindelijk op een bedrag van meer dan 2 x zoveel uitkomen kan niet en dat zullen wij niet accepteren.
Ik heb met de eigenaar, de heer [gedaagde] , en jou te maken. [c] is jouw onderaannemer en door jullie ingehuurd.
Ik zal komende dagen de schade/schadebedrag met de heer [gedaagde] gaan bespreken en de verzekeraar eenzijdig rapporteren. (…)”
Omdat [gedaagde] de factuur niet betaalde, heeft [eiser] op 21 maart 2025 een betalingsherinnering aan [gedaagde] gezonden (productie 7 bij dagvaarding) en op 15 april 2025 een sommatiebrief (productie 4 bij antwoord en productie 10 bij dagvaarding). Kort gezegd, heeft [eiser] [gedaagde] daarin gesommeerd uiterlijk op 22 april 2025 het factuurbedrag vermeerderd met wettelijke rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten te betalen.
[gedaagde] is niet overgegaan tot betaling van de factuur van [eiser] .
Het schip is uiteindelijk door Unigarant total loss verklaard en de verzekeraar heeft aan [gedaagde] de verzekerde waarde van € 55.000,00 uitgekeerd, waar tegenover [gedaagde] de eigendom van het schip heeft overgedragen aan Unigarant .
4 Het geschil
[eiser] vordert – samengevat – het volgende:
-
[gedaagde] te veroordelen een bedrag van € 68.701,07 aan haar te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 30 dagen na de factuurdatum, althans vanaf 24 april 2024, althans vanaf datum dagvaarding,
-
[gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.462,00,
-
[gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
[eiser] vordert dat deze veroordelingen voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
5 De beoordeling
Kwalificatie van de overeenkomst
Gelet op wat partijen over en weer hebben aangevoerd, kwalificeert de rechtbank de rechtsverhouding tussen partijen als een overeenkomt van opdracht in de zin van artikel 7:400 lid 1 BW. [eiser] heeft werkzaamheden uitgevoerd/laten uitvoeren om het schip en de zich daarin bevindende inboedel, gebruiksvoorwerpen, kleding en beddengoed schoon te maken. Anders dan bij een overeenkomst van aanneming van werk, is daarbij geen sprake geweest van het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat [gedaagde] zich hierin kan vinden, ondanks een andersluidend standpunt in de conclusie van antwoord.
De hoogte van het verschuldigd loon
Partijen twisten over de vraag welk loon [gedaagde] aan [eiser] moet betalen voor de door [eiser] uitgevoerde schoonmaakwerkzaamheden. Dat die werkzaamheden zijn uitgevoerd, staat niet ter discussie.
[eiser] stelt dat [gedaagde] haar zonder enig voorbehoud opdracht geeft gegeven tot het uitvoeren van schoonmaakwerkzaamheden aan het schip en dat zij die opdracht heeft uitgevoerd, zodat [gedaagde] daarvoor het door haar in rekening gebrachte bedrag van
€ 68.701,07 verschuldigd is.
[gedaagde] betwist dat hij de volledige factuur aan [eiser] moet betalen en voert aan dat hij slechts een redelijke prijs aan [eiser] verschuldigd is. Volgens hem heeft [eiser] een richtprijs van € 30.000,00 afgegeven, waardoor bij hem de verwachting is gewekt dat hij niet substantieel meer dan zou hoeven betalen voor het schoonmaken van het schip. [eiser] betwist dat zij deze prijsindicatie heeft afgegeven.
Toetsingskader
Uit artikel 7:405 lid 1 BW volgt dat ook als partijen niet zijn overeengekomen dat loon is verschuldigd, de opdrachtgever loon verschuldigd is aan een opdrachtnemer die handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. [eiser] handelt – onweersproken – in de uitoefening van haar bedrijf, zodat op grond van deze bepaling [gedaagde] loon aan [eiser] verschuldigd is. Omdat [eiser] loon vordert en zich op het standpunt stelt dat de hoogte daarvan niet tussen partijen is overeengekomen, rust op haar de stelplicht (en bij betwisting de bewijslast) van feiten waaruit volgt dat het door haar gevorderde loon op de gebruikelijke wijze is berekend, dan wel redelijk is. [eiser] roept namelijk het rechtsgevolg in van artikel 7:405 lid 2 BW.
Indien [gedaagde] zich tegen de vordering ter zake van het op de gebruikelijke wijze berekende of redelijke loon zou willen verweren met de stelling dat een vaste prijsafspraak is gemaakt, dan rusten de stelplicht en bij betwisting de bewijslast van die vaste prijsafspraak op [gedaagde] .
[gedaagde] heeft niet aangevoerd dat de volgens hem door [eiser] afgegeven prijsindicatie geldt als een vaste prijs. Hooguit zou sprake zijn van een prijsindicatie. Uit het dossier blijkt verder dat ook [a] in zijn e-mail van 6 november 2024 bevestigt dat is gesproken over een globaal bedrag aan kosten. Uit die e-mail blijkt niet dat een prijsafspraak is gemaakt tussen partijen. Voor zover [gedaagde] wel heeft bedoeld dat de volgens hem door [eiser] afgegeven prijsindicatie tussen partijen is overeengekomen als vaste prijs, heeft hij daartoe onvoldoende gesteld. Of [eiser] de prijsindicatie daadwerkelijk heeft afgegeven kan in het midden blijven. [gedaagde] heeft daaraan immers alleen het rechtsgevolg verbonden dat hij aan [eiser] een redelijke prijs verschuldigd zou zijn, terwijl de rechtbank in het hierna volgende op grond van artikel 7:405 lid 2 BW het redelijk loon zal vaststellen.
Redelijk loon verschuldigd
Nu het dossier geen aanknopingspunten bevat dat partijen afspraken hebben gemaakt over het loon voor de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden, is [gedaagde] het op gebruikelijke wijze berekende, of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd.
[eiser] heeft onvoldoende gesteld dat de door haar in rekening gebrachte bedragen op de factuur op een – in de scheepsreinigingsbranche – gebruikelijke wijze zijn berekend. [eiser] heeft slechts gesteld dat het lastig was om de te besteden tijd vooraf in te schatten en verwezen naar de factuur en kostenspecificatie. Daarmee heeft [eiser] onvoldoende aanknopingspunten verstrekt om haar loon op een gebruikelijke wijze te kunnen berekenen. De rechtbank zal daarom het redelijk loon vaststellen.
Anders dan bij de berekening van een gebruikelijk loon, kan aan de bepaling van een redelijk loon niet een nauwkeurige berekening ten grondslag worden gelegd. Wat in een concreet geval als een redelijk loon moet gelden, zal onder meer afhangen van de aard en – zo nodig schattenderwijs – te bepalen omvang van de verrichte werkzaamheden en van wat in de desbetreffende branche gebruikelijk is. Dat geldt ook indien de omvang van de werkzaamheden niet exact vaststaat.
De rechtbank stelt het redelijk loon van [eiser] schattenderwijs vast op € 35.625,00. Met inachtneming van de hierna te noemen omstandigheden is de rechtbank bij het vaststellen van dit bedrag uitgegaan van een ondergrens van € 30.000,00 (de kosten waarvan [gedaagde] ter zitting heeft erkend dat hij die in elk geval zou moeten betalen) en van een bovengrens van € 41.250,00, zijnde 75% van de verzekerde waarde van het schip. De volgende overwegingen leiden tot dit oordeel.
De rechtbank neemt bij de bepaling van het redelijk loon tot uitgangspunt dat niet in geschil is dat [eiser] onder een zekere tijdsdruk schoonmaakwerkzaamheden aan het schip heeft verricht in opdracht van [gedaagde] . Het ging in dit geval om een van de zwaarst vervuilde schepen in de loods, terwijl het een ouder schip was dat vanwege het aanwezige hout niet met een hogedrukreiniger schoongemaakt kon worden.
Ondergrens
[gedaagde] betoogt zelf dat [eiser] niet meer dan € 30.000,00 in rekening mocht brengen voor de uitgevoerde werkzaamheden. [gedaagde] ging er bij het verlenen van de opdracht naar eigen zeggen van uit dat de kosten tot ongeveer dit bedrag beperkt zouden blijven en op basis daarvan heeft hij de opdracht gegeven. Dat bedrag was dus kennelijk voor [gedaagde] akkoord en redelijk. Dit bedrag beschouwt de rechtbank daarom als de ondergrens bij het vaststellen van het redelijk loon dat in dit geval aan [eiser] toekomt.
Bovengrens
De door [gedaagde] gestelde verzekerde waarde van het schip van € 55.000,00 is een omstandigheid waarmee de rechtbank rekening houdt bij het bepalen van de bovengrens van het redelijk loon. [gedaagde] heeft gesteld dat [b] op de hoogte was van die verzekerde waarde, en daarmee ook van de total losswaarde, waardoor [b] ook wist dat de schoonmaakkosten lager moesten zijn, omdat de verzekeraar het schip anders total loss zou verklaren, wat achteraf ook is gebeurd. De total losswaarde bedroeg 75% van de verzekerde waarde (75% van € 55.000 = € 41.250). Bij kosten hoger dan € 41.250,00 zou het schip dus total loss worden verklaard.
[eiser] heeft in de dagvaarding betwist dat [b] op de hoogte was van de verzekerde waarde van het schip. Tijdens de zitting heeft [eiser] echter gesteld dat – en dat heeft [gedaagde] niet weersproken – [gedaagde] zelf aanstuurde op een total lossverklaring, omdat hij de uitkering van de verzekerde waarde goed kon gebruiken. [gedaagde] stuurde er volgens [eiser] dus op aan dat de kosten voor herstel op 75% van de verzekerde waarde zou worden gesteld. Hieruit blijkt voldoende dat de verzekerde waarde van het schip in de contacten tussen [eiser] en [gedaagde] (of [a] namens [gedaagde] ) aan de orde is gekomen.
Ook indien de verzekerde waarde en de total losswaarde niet bekend zouden zijn geweest bij [eiser] , lag het in dit geval als goed opdrachtnemer – gelet op haar jarenlange ervaring binnen de scheepsreinigingsbranche en haar specialisme ‘verzekerde schade’ (zoals vermeld op haar website, die tijdens de zitting samen met de rechtbank is bekeken) – op haar weg om bij [gedaagde] te informeren naar die verzekerde waarde en af te stemmen wat het schoonmaken maximaal zou mogen kosten. Los van de informatieplicht die op [eiser] als dienstverlener rustte -waarover later in dit vonnis meer- mocht [eiser] er niet van uitgaan dat schoonmaakkosten hoger dan € 41.250,00 voor [gedaagde] akkoord zouden zijn. [eiser] moest redelijkerwijs rekening houden met een dergelijke limiet en mocht de aan haar verstrekte opdracht daarom niet opvatten als een opdracht zonder limiet. De rechtbank beschouwt € 41.250,00 (de total losswaarde) daarom als de bovengrens bij het vaststellen van het redelijk loon van [eiser] .
Geen van partijen heeft in de procedure iets gesteld dat verder van belang zou kunnen zijn voor de vaststelling van het redelijk loon, terwijl voorzienbaar was dat het aspect van het redelijk loon aan de orde zou komen. Het aspect van het redelijk loon is door de rechtbank tijdens de zitting nog specifiek aan de orde gesteld, maar ook toen hebben partijen daarover niets concreet gesteld.
De rechtbank gaat in dit geval daarom uit van een redelijk loon dat is gelegen in het midden van de hiervoor al genoemde boven- en ondergrens, namelijk een bedrag van
€ 35.625,00. De rechtbank betrekt daarbij dat beide partijen ervan lijken te zijn uitgegaan dat de verzekeraar de kosten van reiniging van het schip wel zou betalen en dat beide partijen met dat uitgangspunt kennelijk weinig reden hebben gezien om zich concreet te verdiepen in dit aspect van de overeenkomst. Tegen die achtergrond komt het de rechtbank redelijk voor om de nadelige gevolgen van deze onduidelijkheid, waarvoor beide partijen in de optiek van de rechtbank verantwoordelijkheid dragen, ook gelijkelijk over beide partijen te verdelen.
[gedaagde] heeft nog betoogd dat [eiser] ten onrechte allerlei kosten in rekening heeft gebracht die niet direct met de reiniging van het schip te maken hadden (zoals managementkosten) en ook allerlei kleine zaken in de boot heeft gereinigd (waaronder slippers en een badjas) waarvan de reinigingskosten niet tegen de baten opwogen.
De rechtbank acht dat verweer voor de vaststelling van het redelijk loon onvoldoende steekhoudend. Allereerst heeft [eiser] tijdens de zitting gesteld dat blijkens de vermelding “TBE/Afkeur” op de schadelijsten voor het reinigen van allerlei kleine gebruiksvoorwerpen niets is berekend. Die zaken waren weliswaar vermeld op de schadelijsten, maar die zaken waren ofwel niet gereinigd ofwel de reiniging ervan was niet gefactureerd. [gedaagde] heeft dit niet weersproken.
[eiser] was in beginsel vrij om zelf te bepalen hoe zij invulling zou geven aan die opdracht (behoudens tijdig aan haar verleende aanwijzingen over de uitvoering van de opdracht; zie artikel 7:402 BW). Dat [gedaagde] instructies heeft gegeven of bepaalde aspecten buiten de opdracht heeft willen houden, heeft hij onvoldoende toegelicht. Het door hemzelf gemaakte onderscheid tussen ‘op de boot’ en ‘in de boot’, volgt de rechtbank dan ook niet. In zoverre ziet de rechtbank ook geen aanleiding om concrete posten, zoals door [eiser] vermeld in de kostenspecificatie, in mindering te brengen op het vastgestelde redelijk loon. Wat [eiser] – in de ogen van [gedaagde] – wellicht allemaal extra of onnodig heeft gedaan, is voor de vaststelling van het redelijk loon niet relevant. Voor zover de kosten die gemoeid zijn met dergelijke extra of onnodige werkzaamheden het door de rechtbank vastgestelde redelijk loon te boven gaan, krijgt [eiser] daar eenvoudigweg geen vergoeding voor.
[gedaagde] heeft verder nog aangevoerd dat hij teleurgesteld was over het eindresultaat, maar hij heeft erkend dat op [eiser] slechts een inspanningsverplichting rustte en geen resultaatsverplichting. Dit voor [gedaagde] wellicht teleurstellende eindresultaat geeft daarom geen aanleiding het redelijk loon op een lager bedrag vast te stellen dan in het midden van de hiervoor genoemde onder- en bovengrens. [gedaagde] heeft namelijk niet gesteld dat [eiser] tekortgeschoten is in de nakoming van haar inspanningsverplichting en daarom geen recht zou hebben op loon (of op een lager bedrag).
Dit leidt ertoe dat de rechtbank het aan [eiser] – op grond van de overeenkomst van opdracht – in beginsel toekomende redelijk loon vaststelt op € 35.625,00.
Schending informatieplichten
De vordering van [eiser] is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar/dienstverlener en een consument. Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie moet de rechtbank ambtshalve toetsen of de handelaar/dienstverlener heeft voldaan aan de informatieplichten die zijn opgenomen in afdeling 2B van titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk wetboek.
In zijn beslissing van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677) heeft de Hoge Raad bepaald dat bij overeenkomsten op afstand en buiten de verkoopruimte de ambtshalve toets zich kan beperken tot de in die beslissing genoemde essentiële informatieplichten. Ook heeft de Hoge Raad in die beslissing uitgemaakt dat bij voldoende ernstige schending van die plichten de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichting (gedeeltelijk) vernietigd kan worden.
In deze zaak is sprake van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. Partijen hebben in dit geval op locatie (bij het schip en op kantoor van [eiser] ) met elkaar gesproken; de uiteindelijke opdracht is schriftelijk (per e-mail) door [gedaagde] aan [eiser] verstrekt. In artikel 6:230l onder a tot en met h BW is voor dit soort overeenkomsten bepaald welke informatie de handelaar aan de consument dient te verstrekken.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet heeft voldaan aan alle essentiële informatieplichten van artikel 6:230l BW. Op grond van artikel 6:230l onder c BW moet namelijk de totale prijs worden vermeld of, als door de aard van de zaak of de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend, en, voor zover van toepassing, alle extra vracht-, leverings- of portokosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, in ieder geval het feit dat er eventueel dergelijke extra kosten verschuldigd kunnen zijn.
In dit geval heeft [eiser] gesteld dat het niet mogelijk was om een prijsindicatie te geven vooraf, gelet op de aard van de werkzaamheden. Dat betekent dat een prijsopgave of prijsindicatie ontbreekt, zodat aan dit vereiste in artikel 6:230l onder c BW niet is voldaan.
Maar dan had [eiser] in ieder geval enige indicatie moeten geven over de manier waarop de prijs zou worden berekend (uurloon, prijs per stuk etc.), zodat haar opdrachtgever enig handvat zou hebben om een enigszins weloverwogen beslissing te nemen alvorens zich jegens [eiser] te verbinden. [eiser] heeft niet toegelicht waarom deze klus zo uitzonderlijk was dat zij, ondanks haar ruime ervaring en expertise op het gebied van beschadigde schepen, ook die basale informatie niet zou kunnen verschaffen.
De rechtbank oordeelt daarom dat artikel 6:230l onder c BW is geschonden.
Deze schending van de informatieplicht is naar het oordeel van de rechtbank voldoende ernstig om daaraan het gevolg te verbinden dat de overeenkomst tussen partijen gedeeltelijk wordt vernietigd, in die zin dat de betalingsverplichting van [gedaagde] wordt verminderd. De rechtbank zal de betalingsverplichting verminderen met 10%.
Dit percentage is gebaseerd op de Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten
In dit geval is sprake van één voldoende ernstige schending van een essentiële informatieplicht, wat volgens deze richtlijn als sanctie een vermindering oplevert van 20% van de hoofdsom. De rechtbank halveert die als algemeen richtsnoer geldende sanctie vanwege de volgende omstandigheden:
-
de opdracht is verstrekt onder tijdsdruk (de loods moest leeg); en
-
ook [gedaagde] ging er aanvankelijk vanuit dat de kosten zouden worden gedekt door zijn verzekeraar. Daardoor is voorstelbaar dat hij zelf ook minder belang heeft gehecht aan de financiële verplichtingen die hij aanging en dat zijn beslissing niet anders zou zijn uitgevallen indien hij wel geïnformeerd zou zijn over uurloon of prijs per stuk.
Op grond van voorgaande overwegingen zal van het hiervoor genoemde bedrag wegens redelijk loon, na aftrek van deze sanctie in totaal worden toegewezen een bedrag van € 32.062,50 (= 90% van € 35.625,00).
De daarover gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de vervaldatum van de factuur van 5 november 2024, nu [gedaagde] daartegen geen afzonderlijk inhoudelijk verweer heeft gevoerd.
De buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde] is een consument (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
[eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
De proceskosten
[gedaagde] heeft tijdens de zitting erkend dat hij [eiser] ook naar eigen opvatting in ieder geval circa € 30.000,00 zou hebben moeten betalen. Hij heeft echter geen verklaring gegeven waarom hij dat niet betaalde. Om die reden en gelet op het toe te wijzen bedrag merkt de rechtbank [gedaagde] aan als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij. [gedaagde] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
122,35 |
|
|
- griffierecht |
€ |
2.995,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.672,00 |
(2 punten × € 836,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
4.978,35 |
6 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 32.062,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de vervaldatum van de factuur van 5 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.978,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.