Strafrecht overig

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen bij een minderjarig slachtoffer door haar…

Rechtbank Oost-Brabant, 14 juli 2026

Zaakgegevens

Op 14 juli 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14 juli 2026
Datum publicatie
9 juli 2026
Zaaknummer
01-333606-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:4863
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen bij een minderjarig slachtoffer door haar bij de schaamstreek vast te houden. De rechtbank legt op een taakstraf voor de duur van 160 uren

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.333606.25

Datum uitspraak: 14 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1966,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 mei 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 november 2020 tot en met 25 april 2023 te Schaijk, gemeente Landerd

met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2018, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van de vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] ,

terwijl voornoemde [slachtoffer] een minderjarige was die aan zijn, verdachtes zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde ontuchtige handelingen met het minderjarige slachtoffer terwijl zij aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd, kunnen worden bewezenverklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft - op de gronden zoals verwoord in de pleitaantekeningen – vrijspraak bepleit omdat er geen sprake is van (opzet op) ontuchtige handelingen.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in dit vonnis. Na de uitwerking en opgave van de bewijsmiddelen wijdt de rechtbank nog enkele overwegingen aan het bewijs.

1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 juni 2026, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

[slachtoffer] en haar moeder zijn in december 2020 bij mij komen wonen in Schaijk. In januari 2023 heb ik een nieuwe bank gekregen. Vanaf dat moment kwam [slachtoffer] vaak bij mij zitten op de bank. [slachtoffer] gebruikte mijn benen dan als leunstoel en zat dus tussen mijn benen in, met haar rug naar mij toe, leunend tegen mijn borst. De hond zat dan ook op de bank en wilde ook bij mij zitten. Om te voorkomen dat [slachtoffer] door de hond zou vallen, hield ik haar vast. Ik hield haar dan vast met mijn arm als een soort veiligheidsgordel zodat ze niet voorover kon vallen. Mijn arm ging dan over schouder heen en dan hield ik haar tussen haar benen vast bij haar schaamstreek. [slachtoffer] kon wel zelfstandig zitten, maar ik vond het veiliger om haar toch vast te houden. De moeder van [slachtoffer] heeft wel eens tegen mij gezegd dat ik haar niet zo moest vasthouden. Ik vond het onschuldig en heb haar daarna niet op een andere manier vastgehouden. De moeder van [slachtoffer] was soms in de woonkamer als wij zo zaten. Er zijn ook momenten geweest dat de moeder van [slachtoffer] weg was en [slachtoffer] en ik alleen waren. Ik hield haar altijd op deze manier vast op de bank.

2) Een proces-verbaal voorbereiding studioverhoor, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] op 2 mei 2023, pag. 21, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 2 mei 2023 te 14:10 uur heb ik de voorbereiding gedaan op het studioverhoor van de getuige [slachtoffer] (15/11/2018). Betreffend verhoor in de kindvriendelijke studio staat gepland op 3 mei 2023.

Ik vroeg wat [slachtoffer] nog meer leuk vindt om te doen. [slachtoffer] zei: "Ik vind de wipwap ook leuk maar die hebben wij nog thuis". Ik vroeg: "Nog thuis, waar is dan thuis?". [slachtoffer] zei: "Bij [verdachte] ". Ik vroeg: " [verdachte] ?". [slachtoffer] zei: "Ja [verdachte] , die zit altijd hier aan". Hierbij wees [slachtoffer] met haar hand tussen haar benen naar haar kruis. Ik zei: " [verdachte] zit altijd daar aan. Hoe noem jij dat wat je aanwijst?". [slachtoffer] zei: "Poes".

3) Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] op 3 mei 2023, pag. 25, voor zover inhoudende:

Op woensdag 3 mei 2023 om 10:20 uur werd in de kindvriendelijke studio op de locatie Eindhoven de 4-jarige [slachtoffer] als getuige gehoord. Ik, verbalisant, hoorde dat [slachtoffer] zei tijdens de Free Recall:

- ik kom praten over [verdachte] ,

- hij heeft aan mijn poes gezeten,

- hij heeft dat gedaan en hieraan gezeten ( [slachtoffer] wijst met haar hand tussen haar

benen),(…)

- dat het elke keer gebeurde als mama weg was,(…)

- dat het gebeurde bij [verdachte] ,

- dat het gebeurde in Schaijk,

- dat het binnen in het huis gebeurde,(…)

- dat zij die laatste keer dat het gebeurde nog in huis was,
- dat mama toen weg was,(…)
- dat [verdachte] met zijn handen aan haar poes zat,(…)

- dat zij haar kleren op dat moment aan had

4) Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] op 14 juni 2023, pag. 36, voor zover inhoudende:

hij ( [verbalisant 2] ) en [verbalisant 1] vroegen aan [verdachte] wat er precies gebeurd was met [slachtoffer] en hoorden [verdachte] zeggen dat [slachtoffer] tussen hem in zat, hij met zijn handen naar zijn (de rechtbank begrijpt: haar) schaamstreek ging, hij nooit verder was gegaan, niet naar binnen was geweest, hij niet hiervan opgewonden was geworden.

5) Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] op 13 juni 2023, pag. 66, voor zover inhoudende:
V: En ik was er eerst helemaal niet aan toe om dat te horen maar wat is er nou precies gebeurd, want zij wil niks zeggen.

M: Niet echt veel.

V: Wat dan wel want ik kon het eerst niet aanhoren maar nu ben ik er aan toe om het

aan te horen.

M: Als ze bij mij zat op de bank dan zat ze recht voor de TV. Gebruikte ze m'n, deze

hoek als leunstoel. Dan zakten mijn handen wel eens af naar haar poesje. Verder niks.

De bewijsoverwegingen.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Vanaf december 2020 woonde het slachtoffer met haar moeder bij verdachte in huis. Vanaf januari 2023, het slachtoffer is dan 4 jaar oud, zit verdachte vaker met het slachtoffer op de bank. Als zij samen op de bank zitten, zit het slachtoffer tussen de benen van verdachte met haar rug tegen zijn borst. Verdachte houdt haar dan vast met een arm over haar schouder en zijn hand op de schaamstreek van het slachtoffer. De moeder van het slachtoffer zegt tegen verdachte dat hij het slachtoffer niet zo moet vasthouden. Dat zorgt er niet voor dat verdachte het slachtoffer op een andere manier vastpakt. Er zijn ook momenten waarop verdachte alleen met het slachtoffer is. Ook op die momenten houdt verdachte vast op de hiervoor omschreven manier.

Ontuchtig karakter van het vasthouden en opzet.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het op deze manier vasthouden van het slachtoffer een ontuchtig karakter heeft en zo ja of verdachte hier opzet op heeft gehad.

Ontuchtige handelingen in de zin van het Wetboek van Strafrecht zijn handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. De beoordeling of een handeling als zodanig kan worden gekwalificeerd, hangt af van de aard van de gedraging en de omstandigheden van het geval.

Verdachte stelt dat hij het slachtoffer zo vasthield zodat ze niet voorover zou vallen. Het zou gaan om een soort ‘veiligheidsgordel’ en er waren geen seksuele intenties. Met andere woorden: het ontuchtige karakter en de opzet daarop, ontbraken volgens verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat wel sprake is van ontuchtige handelingen. Verdachte erkent dat hij het slachtoffer bij de schaamstreek vasthield vanaf (in ieder geval) januari 2023. Het slachtoffer was op dat moment vier jaar oud en verdachte was 57 jaar oud. Gelet op de leeftijd van het slachtoffer en de verklaring van verdachte dat zij zelfstandig kon zitten, was het vanuit veiligheidsoverwegingen niet noodzakelijk om het slachtoffer op deze wijze vast te houden. Verdachte had het slachtoffer ook op een andere manier vast kunnen houden zodat zij niet voorover zou vallen, zonder daarbij haar schaamstreek aan te raken. Hij had haar bijvoorbeeld kunnen vasthouden met een arm om haar middel. Dit heeft verdachte niet gedaan.

De rechtbank vindt hierbij ook van belang dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat de moeder van het slachtoffer op meerdere momenten tegen hem heeft gezegd dat hij het slachtoffer niet op deze manier moet vasthouden. Op dat moment had bij verdachte de gedachte moeten opkomen dat de manier waarop hij het slachtoffer vasthield, gelet op haar leeftijd en ontwikkeling, niet wenselijk was. Door deze opmerkingen van de moeder te negeren en het slachtoffer steeds zonder een functionele reden in haar schaamstreek vast te houden, hebben deze handelingen een seksuele lading gekregen en zijn zij in strijd met de sociaal-ethische norm.

De rechtbank leidt hieruit ook de opzet van verdachte af. Verdachte heeft door het negeren van de opmerkingen van de moeder de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij ontuchtige handelingen zou plegen door het slachtoffer op deze manier vast te blijven houden. Daarmee heeft verdachte in ieder geval voorwaardelijk opzet gehad op het plegen van deze ontuchtige handelingen. Verdachte heeft deze ontuchtige handelingen bovendien ook gepleegd op momenten dat het slachtoffer aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd als de moeder van het slachtoffer niet thuis was.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in de periode van 01 januari 2023 tot en met 25 april 2023 te Schaijk, gemeente Landerd

met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2018, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt,

ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van de schaamstreek van die [slachtoffer] ,

terwijl voornoemde [slachtoffer] een minderjarige was die aan zijn, verdachtes waakzaamheid was toevertrouwd;

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Voor het voorwaardelijke deel van de straf geldt een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een nieuw strafbaar feit. De officier van justitie heeft daarbij ook gewezen op het taakstrafverbod.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat het taakstrafverbod niet van toepassing is omdat er geen sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Verdachte heeft in zijn woning met een vierjarig kind ontuchtige handelingen gepleegd door haar boven de kleren in haar schaamstreek vast te houden. Verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

De handelingen zijn gepleegd terwijl het slachtoffer aan de waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd en de moeder van het slachtoffer niet aanwezig was. Dat is een strafverzwarende omstandigheid. Uit de slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer blijkt dat deze schending van het vertrouwen de situatie extra pijnlijk maakt.

De rechtbank houdt daarnaast ook rekening met de omstandigheid dat geen sprake is van vergaande ontuchtige handelingen, zonder het bewezenverklaarde te bagatelliseren.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Over verdachte is op 12 mei 2026 een reclasseringsrapport uitgebracht. De kans op geweldsrecidive of onttrekking aan voorwaarden wordt door de reclassering ingeschat als laag. De kans op algemene recidive kan de reclassering niet inschatten, omdat verdachte ontkent dat er sprake is geweest van ontuchtige handelingen. Bij veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Er is sprake van stabiliteit op diverse leefgebieden en de reclassering kan niet onderbouwen dat er sprake is van seksueel afwijkend gedrag.

Oplegging straf.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het taakstrafverbod niet van toepassing is. Er is weliswaar sprake van een inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer maar, gelet op de wijze waarop het bewezenverklaarde feit is gepleegd, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een ernstige inbreuk die aan het opleggen van een taakstraf in de weg staat.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. Het door verdachte gepleegde strafbare feit heeft inmiddels ruim 3 jaar geleden plaatsgevonden. Het feit heeft bovendien tot gevolg gehad dat verdachte zijn woning en werk is kwijtgeraakt.

Op grond van dit alles is de rechtbank van oordeel dat het opleggen aan verdachte van een taakstraf van 160 uren passend en geboden is. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Daarbij is ook van belang dat de bewezenverklaarde periode enkele maanden bedraagt in plaats van de tenlastegelegde periode van meerdere jaren. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 22c, 22d, 247 (oud), 248 (oud) Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

Een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.V. Vullings, voorzitter,

mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. G.M. Blanken, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,

en is uitgesproken op 14 juli 2026.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2 100-2023088044, afgesloten op 11 november 2025, aantal doorgenummerde bladzijden: 91.