Strafrecht overig

Verwijzing naar andere rechtbank: beslissing op vordering artikel 282b Wetboek van Strafvordering.

Rechtbank Oost-Brabant, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
01-197389-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7743
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verwijzing naar andere rechtbank: beslissing op vordering artikel 282b Wetboek van Strafvordering.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.197389.25

Uitspraakdatum: 27 oktober 2026

Beslissing na vordering verwijzing artikel 282b Wetboek van Strafvordering

Beslissing op de vordering als bedoeld in artikel 282b Wetboek van Strafvordering van de officier van justitie bij deze rechtbank betreffende verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1998] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd te: [verblijfplaats]

Procesgang

De verdachte wordt in de onderhavige zaak kort gezegd verdacht van het seksueel binnendringen bij één slachtoffer beneden de leeftijd van zestien jaar, het plegen van ontuchtige handelingen met twee slachtoffers beneden de leeftijd van zestien jaar, misbruik van seksueel beeldmateriaal en het bezit van kinderpornografische afbeeldingen.

De rechtbank heeft de zaak van de verdachte ter terechtzitting van 25 juni 2026 behandeld.

De rechtbank is tijdens beraadslaging tot de conclusie gekomen onvoldoende geïnformeerd te zijn over de persoon van de verdachte. Het onderzoek ter terechtzitting is daarop geschorst, waarbij de rechtbank heeft bevolen dat omtrent de verdachte een psychologisch én psychiatrisch Pro Justitia rapport (dubbelrapportage) zal worden opgemaakt.

De officier van justitie heeft per e-mailbericht van 13 oktober 2026 aangegeven dat zij voornemens is een vordering ex artikel 282b van het Wetboek van Strafvordering te doen. De raadsman van de verdachte en de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer] hebben op voorhand aangegeven zich niet te verzetten tegen een beslissing tot toewijzing van deze vordering.

De rechtbank heeft op 27 oktober 2026 de officier van justitie, de gemachtigde raadsman van de verdachte, mr. T. van Riel, en de advocaat van het slachtoffer [slachtoffer] , te weten mr. A.C. de Voogd, op de openbare terechtzitting gehoord. De verdachte is niet verschenen.

Beoordeling

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd om de zaak, ex artikel 282b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), te verwijzen naar de rechtbank te Amsterdam. Daartoe heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.

De verdachte bevindt zich op dit moment in voorlopige hechtenis in de Amsterdamse strafzaak met parketnummer 13.193224.26. In die strafzaak is sprake van soortgelijke strafbare feiten als in de strafzaak met parketnummer 01.197389.25 die bij de rechtbank Oost-Brabant aanhangig is.

In dat kader heeft de officier van justitie aangevoerd dat deze verwijzing zowel een proceseconomisch belang heeft, als in het belang van de verdachte is. Net als in de onderhavige zaak, moet ook in de Amsterdamse strafzaak een persoonlijkheidsonderzoek worden uitgevoerd. De wachttijden voor een dergelijk onderzoek zijn lang. Verdachte hoeft na een verwijzing slechts één keer aan een dergelijk onderzoek onderworpen te worden. Ook kan na verwijzing één inhoudelijke behandeling volgen bij één rechtbank, in plaats van twee inhoudelijke behandelingen bij twee rechtbanken. Tot slot kan, in geval van een veroordeling, ook één straf worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Standpunt van de advocaat van de benadeelde partij

De advocaat van de benadeelde partij heeft zich – onder benadrukking van de wens dat de strafzaak met parketnummer 01.197389.25 met de benodigde voortvarendheid zal worden behandeld – gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling

Op grond van artikel 282b, eerste lid, Sv kan de rechtbank een zaak verwijzen naar een andere rechtbank, indien zij oordeelt dat vereniging van de zaak met een zaak die voor die andere rechtbank in onderzoek is in het belang is van een goede rechtsbedeling.

De rechtbank is van oordeel dat vereniging van de zaak met parketnummer 01.197389.25, in behandeling bij deze rechtbank, (hierna: de Bossche zaak) met de zaak met parketnummer 13.193224.26, in behandeling bij de rechtbank Amsterdam, (hierna: de Amsterdamse zaak) in het belang is van een goede rechtsbedeling.

Voor dat oordeel is relevant dat de verdachte in beide zaken wordt verdacht van soortgelijke feiten. Voorts weegt de rechtbank mee dat in de Amsterdamse zaak voorlopige hechtenis is bevolen. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat in beide zaken is beslist dat persoonlijkheidsonderzoek moet worden uitgevoerd. Zoals hiervoor is overwogen, heeft deze rechtbank bevolen dat omtrent de verdachte een dubbelrapportage wordt opgemaakt. In de Amsterdamse zaak is bevolen dat de verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar het Pieter Baan Centrum.

De rechtbank acht het zeer onwenselijk als deze zaken los van elkaar worden behandeld met in beide zaken afzonderlijk persoonlijkheidsonderzoek. Ook is vereniging van beide zaken in het belang van de goede rechtsbedeling met het oog op eventueel te nemen beslissingen aangaande oplegging van straf of maatregel in geval van enige bewezenverklaring.

De rechtbank realiseert zich dat vereniging van beide zaken het risico met zich brengt dat in de Bossche zaak vertraging optreedt. Hoewel de uitvoering van slechts één persoonlijkheidsonderzoek mogelijk tijdswinst op kan leveren, is het politieonderzoek in de Amsterdamse zaak nog gaande. Daarmee is, zoals de raadsman van de verdachte ook kenbaar heeft gemaakt ter terechtzitting, nog niet duidelijk of in die zaak van de zijde van de verdediging onderzoekswensen zullen worden ingediend. De rechtbank heeft oog voor de zorgen aan de zijde van de slachtoffers, maar is evenwel van oordeel dat dit risico van vertraging niet opweegt tegen de strafvorderlijke voordelen die vereniging van beide zaken heeft.

De rechtbank Amsterdam heeft voorafgaand aan de zitting ingestemd met een eventuele verwijzing van de Bossche zaak naar Amsterdam.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de zaak ter verdere behandeling verwijzen naar de rechtbank Amsterdam, afdeling strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank:

schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd;

verwijst de zaak ter verdere behandeling naar de rechtbank Amsterdam, afdeling strafrecht;

stelt daartoe de stukken in handen van de rechtbank Amsterdam.

Deze beslissing is genomen door:

mr. T. Kraniotis, voorzitter,

mr. S.H.C. Merkx en mr. I.C. Meuris, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 27 oktober 2026.