Strafrecht overig
Wraking. Verzoek afgewezen, omdat het is gericht tegen een processuele beslissing.
ECLI:NL:RBOBR:2026:5741 · Rechtbank Oost-Brabant · 19 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/wraking/ecli-nl-rbobr-2026-5741
Zaakgegevens
Op 19 maart 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 19 maart 2026
- Datum publicatie
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- WR 26/007
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:5741
Samenvatting
Wraking. Verzoek afgewezen, omdat het is gericht tegen een processuele beslissing.
Uitspraak
Inhoudsopgave
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beslissing
RECHTBANK Oost-Brabant
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 26-007
Beslissing van 19 maart 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:
[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van:
mr. N. Freese,
rechter-commissaris in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter-commissaris.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 4 maart 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter-commissaris van 9 maart 2026;
- de schriftelijke reactie van de officier van justitie van 5 maart 2026;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 12 maart 2026.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- de raadsman van verzoeker: mr. R. den Riet, advocaat te Amsterdam;
- de rechter-commissaris.
Verzoeker is niet verschenen.
2 Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter-commissaris
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter-commissaris in de ontnemingszaak tegen verzoeker (verdachte) met parketnummer 71.165527.22.
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek en zijn toelichting bij de mondelinge behandeling, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de rechter-commissaris blijk heeft gegeven van vooringenomenheid door geen oog te hebben voor de agenda van de verdediging, maar enkel die van hemzelf en het Openbaar Ministerie. Daarbij betrekt verzoeker ook de eerdere verzoeken van de voorgaande raadsman (mr. Doesburg).
Op 11 augustus 2025 is [getuige] naar aanleiding van een artikel 182 Sv-procedure door de raadkamer alsnog als getuige toegewezen in de zaak tegen verzoeker. Het getuigenverhoor is gepland op 1 oktober 2025, ondanks dat de voorgaande raadsman had aangegeven dan verhinderd te zijn. In de tussenliggende periode is tussen de voorgaande raadsman en het kabinet rechter-commissaris gecorrespondeerd over het verplaatsen van het getuigenverhoor, hetgeen niet heeft geleid tot aanpassing van die datum.
Op 1 oktober 2025 is de getuige gehoord. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de getuige enkel in de strafzaak van verzoeker is gehoord – en dus niet in de ontnemingszaak. Het verhoor is namelijk buiten de aanwezigheid van de voorgaande raadsman georganiseerd en hij is ook niet waargenomen. Ook uit het proces-verbaal van het verhoor blijkt niet dat de getuige is gehoord in beide zaken, maar enkel in ‘de zaak’.
Gelet op dit standpunt heeft de raadsman, na het overnemen van de ontnemingszaak, op 2 maart 2023 verzocht om het verhoor van getuige [getuige] alsnog te organiseren. Dit verzoek heeft de rechter-commissaris op 3 maart 2026 afgewezen, met verwijzing naar zijn eerdere beslissing van 13 oktober 2025. Daarin heeft de rechter-commissaris aan de voorgaande raadsman laten weten dat de getuige niet opnieuw wordt opgeroepen, omdat hij zich op 1 oktober 2025 integraal op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, heeft verklaard geen vragen in de betreffende zaken te zullen beantwoorden en niet op afzienbare termijn te verwachten is dat zijn verschoningsrecht komt te vervallen.
De raadsman betoogt dat niet kan worden vastgesteld dat de getuige over verschoningsrecht beschikte in de ontnemingszaak omdat aan hem geen enkele vraag is gesteld in de ontnemingszaak. Het is voor de raadsman niet in te schatten of de getuige zich überhaupt op zijn verschoningsecht kan beroepen in de ontnemingszaak, omdat deze op punten substantieel afwijkt van de strafzaak.
De verdediging stelt dat de vrees is ontstaan dat de rechter-commissaris haar belangen ondergeschikt acht aan zijn eigen belangen. Dit levert volgens de raadsman een objectieve en gerechtvaardigde vrees op voor de vooringenomenheid van de rechter-commissaris. De beslissing van 3 maart 2026 is zo onbegrijpelijk dat dit niet anders kan worden verstaan dan als een blijk van vooringenomenheid.
De rechter-commissaris heeft in zijn reactie laten weten niet in de wraking te berusten. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3 De beoordeling
Een rechter-commissaris kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de onpartijdigheid van de rechter-commissaris schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter-commissaris jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter-commissaris wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter-commissaris is aangesteld. Voor het oordeel dat de onpartijdigheid van de rechter-commissaris toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
Artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
Het wrakingsverzoek is gedaan op 4 maart 2026 naar aanleiding van de beslissing van de rechter-commissaris van 3 maart 2026. Het verzoek is daarom tijdig ingediend en verzoeker kan dan ook worden ontvangen in het verzoek. Dat het wrakingsverzoek deels is gebaseerd op de beslissing van 13 oktober 2025 en de gestelde omstandigheden die daaraan vooraf gingen, verandert het oordeel van de wrakingskamer niet.
Het wrakingsverzoek zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld.
De wrakingskamer overweegt als volgt.
Zoals ook de raadsman heeft gesteld, is de beslissing van de rechter-commissaris van 3 maart 2026 een rechterlijke (tussen)beslissing.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre dit ook geldt voor de motivering van de (tussen)beslissing moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (o.a. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).
De raadsman stelt dat aan laatstgenoemd criterium is voldaan.
De raadsman baseert zijn wrakingsverzoek op de ‘starre’ houding van de rechter-commissaris bij de op 3 maart 2026 genomen beslissing en vraagt de wrakingskamer bij de beoordeling daarvan te betrekken hetgeen zich vanaf september/oktober 2025 heeft afgespeeld.
Zoals hierboven onder 2.2 aangegeven, heeft de rechter-commissaris in zijn beslissing van 3 maart 2026 verwezen naar de eerdere beslissing van 13 oktober 2025 en hetgeen daarin is gezegd over het beroep op het verschoningsrecht dat de getuige op 1 oktober 2025 heeft gedaan.
Ook indien de feiten en omstandigheden uit gehele periode vanaf september/oktober 2025 in beschouwing wordt genomen, kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet worden gezegd dat de op 3 maart 2026 gegeven procedurele beslissing van de rechter-commissaris om de getuige [getuige] niet opnieuw op te roepen voor een getuigenverhoor, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid.
Dit wordt als volgt toegelicht.
Anders dan de raadsman stelt de wrakingskamer vast dat getuige [getuige] op 1 oktober 2025 is gehoord in zowel de strafzaak als de ontnemingszaak tegen verzoeker. Naar aanleiding van de artikel 182 Sv-procedure is de getuige immers door de raadkamer toegewezen in zowel de strafzaak als de ontnemingszaak van verzoeker (en zijn medeverdachte). In het proces-verbaal is niet vermeld dat het verhoor alleen betrekking heeft op de strafzaak. Bij de mondelinge behandeling heeft de rechter-commissaris echter toegelicht dat verhoren in zaken als deze vanuit praktisch oogpunt altijd tegelijkertijd plaatsvinden. Aan de omstandigheid dat in het proces-verbaal van het verhoor niet expliciet is opgenomen dat het om beide zaken gaat, kan niet de door de raadsman gewenste betekenis worden toegekend.
Van vooringenomenheid van de rechter-commissaris is de wrakingskamer ten aanzien van hetgeen verzoeker heeft gesteld niet gebleken, noch is de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
4 De beslissing
De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. F.H.E. Boerma en mr. E.M. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier, en in openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.