RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12288423 \ EJ VERZ 26-187 & 12288460 \ EJ VERZ 26-188
Beschikking van 7 september 2026
[partij A]
, in hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van de hierna te noemen erflater en pro se,
wonende te [woonplaats 1],
verzoekende partij in zaak 12288423 EJ VERZ 26-187,
verwerende partij in zaak 12288460 EJ VERZ 26-188,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. J.W. Stegeman,
[partij B]
,
wonende te [woonplaats 2],
verwerende partij in zaak 12288423 EJ VERZ 26-187,
verzoekende partij in zaak 12288460 EJ VERZ 26-188,
hierna te noemen: [partij B],
gemachtigde: mr. R.J.M.H. Orgel.
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [partij A] gedateerd 23 juni 2026 en in reactie daarop het verweerschrift van [partij B], ontvangen op 4 augustus 2026;
- het verzoekschrift van [partij B], gedateerd op 24 juni 2026 en in reactie daarop het verweerschrift van [partij A], ontvangen op 31 juli 2026
- akte van de zijde van [partij B] ingekomen op 4 augustus 2026 in de zaak
12288460 EJ VERZ 26-188.
1.2
De mondelinge behandeling van 10 augustus 2026. [partij A] en [partij B] zijn beiden met hun gemachtigden bij deze mondelinge behandeling verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.
1.3
De beschikking is bepaald op vandaag.
3.1
Op [overlijdensdatum] 2025 is [erflater] (hierna te noemen: erflater) overleden.
3.2
Erflater en [partij B] waren sinds 1971 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.
Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren:
- [naam] (hierna: [naam]) en
- [partij A].
3.3
Erflater heeft enkele weken voor zijn overlijden – op 13 november 2025 –
een echtscheidingsverzoek ingediend bij de rechtbank, locatie Almelo. Nog voordat de echtscheiding werd uitgesproken, is het huwelijk ontbonden door het overlijden van erflater.
3.4
Erflater heeft bij testament van 10 oktober 2025 over zijn nalatenschap beschikt. In het testament heeft hij [partij B] en [naam] onterfd:
ONTERVING
1. Onterving
In verband met de (voorgenomen) echtscheidingsprocedure sluit ik mijn echtgenote, mevrouw [partij B], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] negentienhonderd vijftig ([geboortedatum 1]-1950), uitdrukkelijk uit als erfgename in mijn nalatenschap.
In verband met het hiervoor vermelde slechte contact met mijn genoemde dochter, sluit ik mijn dochter, mevrouw [naam], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] negentienhonderd tweeënzeventig ([geboortedatum 2]-1972), uitdrukkelijk uit als erfgename in mijn nalatenschap.
3.5
[partij A] is enig erfgenaam in de nalatenschap van erflater. [partij A] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. [partij A] is ook benoemd tot executeur. Zij heeft deze benoeming aanvaard en op 17 juli 2026 een ruimschoots-toereikend-verklaring afgelegd.
3.6
De nalatenschap van erflater bestaat, voor de onverdeelde helft, uit onder meer het volgende:
- de voormalige echtelijke woning met berging, staande en gelegen aan de [adres] (hierna: de woning) en de daarin aanwezige inboedel;
- de personenauto van het merk Opel Crossland, kenteken [kenteken] (hierna: de auto);
- de mantelzorgwoning.
3.7
[partij B] heeft bij aangetekende brief van 15 januari 2026 en bij e-mail van
19 februari 2026 jegens [partij A] een beroep gedaan op de wettelijke rechten van artikel 4:29 BW en 4:30 BW.
3.8
[partij A] weigert om het vruchtgebruik op de woning, de inboedel en de auto te vestigen.
4
De verzoeken en verweren
De verzoeken van [partij B]
4.1
verzoekt de kantonrechter – samengevat en na wijziging en verduidelijking van de verzoeken – om:
I. [partij A] te veroordelen mee te werken aan de vestiging van een (levenslang) vruchtgebruik ten behoeve van [partij B] op de woning inclusief de aanwezige inboedel van erflater, waaronder:
- het opdracht geven aan een nader door [partij B] aan te wijzen notaris tot het vestigen van het (levenslange) vruchtgebruik op de hiervoor genoemde woning en de in die woning aanwezige inboedel van erflater ten behoeve van [partij B];
- het akkoord geven op de (notariële) akte(s) tot vestiging van het vruchtgebruik op de hiervoor genoemde woning en de in die woning aanwezige inboedel van erflater ten behoeve van [partij B] door ondertekening van de (notariële) akte(s);
- het opdracht geven aan de notaris tot de inschrijving van het vruchtgebruik op de hiervoor genoemde woning en de in die woning aanwezige inboedel van erflater ten behoeve van [partij B] in de openbare registers.
Dit alles op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat [partij A] daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,00.
II. [partij A] te veroordelen om de kosten voor of in verband met de vestiging van het vruchtgebruik op de woning, inclusief de aanwezige inboedel van erflater, te voldoen:
- kosten van de notaris voor of in verband met het vestigen van het vruchtgebruik;
- de eventuele kosten voor het inschrijven van het vruchtgebruik in de openbare registers.
III. [partij A] te veroordelen mee te werken aan de vestiging van een (levenslang) vruchtgebruik op de auto, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 met een maximum van € 50.000,00.
IV. [partij A] te veroordelen om de kosten voor of in verband met de vestiging van het vruchtgebruik op de auto te voldoen; en
V. [partij A] te veroordelen in de proceskosten.
4.2
[partij B] legt aan haar verzoeken ten grondslag dat [partij A] op grond van artikel 4:29 lid 1 BW verplicht is om mee te werken aan de vestiging van een (levenslang) vruchtgebruik op de woning en de aanwezige inboedel van erflater. Ook heeft [partij B] voor haar verzorging behoefte aan het kunnen gebruiken van de auto en daarom verzoekt [partij B] ook dat [partij A] moet meewerken aan het vestigen van het vruchtgebruik op de auto als bedoeld in artikel 4:30 BW.
Het verweer en de verzoeken van [partij A]
4.3
voert verweer. Volgens [partij A] heeft [partij B] voor haar verzorging geen behoefte aan het vestigen van het vruchtgebruik op de woning, inboedel en auto. [partij A] verzoekt de kantonrechter daarom – kort samengevat en na vermindering van eis – om:
primair
I. de verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:29 BW op te heffen.
Subsidiair
I. het vruchtgebruik onder bewind te stellen, met aanwijzing van [partij A] als bewindvoerder.
Meer subsidiair
I. te bepalen dat het recht van vruchtgebruik niet zal inhouden de bevoegdheid tot vervreemding of vertering van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen, althans dat de toestemming van [partij A] voor de vervreemding en voor de vertering nodig is;
II. te bepalen dat het recht van vruchtgebruik niet zal inhouden de bevoegdheid tot verhuur of verpachting zonder de toestemming van [partij A];
III. te bepalen dat het recht van vruchtgebruik niet zal inhouden de bevoegdheid om het recht van de vruchtgebruiker over te dragen of te bezwaren.
Het verweer van [partij B]
4.4
meent dat zij wel behoefte heeft aan het vestigen van het vruchtgebruik op de woning, inboedel en auto voor haar verzorging.
4.5
[partij A] heeft in haar verzoekschrift ook een voorwaardelijk incidenteel verzoek ingediend te weten de benoeming van een deskundige voor de taxatie van de marktwaarde van de woning per overlijdensdatum erflater en per (toekomstige) datum verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen hebben hierover overeenstemming bereikt in die zin dat [partij B] binnen een week na datum mondelinge behandeling drie taxateurs zal voorstellen waaruit [partij A] een keuze zal maken. Een beoordeling van dit onderdeel door de kantonrechter is daarom niet meer nodig.
Overwegingen
5.1
De kantonrechter zal in deze zaak beoordelen of [partij A] op grond van
artikel 4:29 BW en 4:30 BW moet meewerken aan het vestigen van het vruchtgebruik op de woning, de inboedel en de auto. Gelet op de samenhang van de verzoeken, worden deze gezamenlijk beoordeeld.
Verzoekers zijn over en weer ontvankelijk
5.2
De kantonrechter merkt allereerst op dat [partij A] en [partij B] beiden ontvankelijk zijn in hun verzoeken. [partij A] heeft haar verzoeken als executeur (Voetnoot 1) én pro se ingediend en is ook in die hoedanigheden verweerster met betrekking tot de verzoeken van [partij B]. De kantonrechter komt dus toe aan een inhoudelijke behandeling van de verzoeken.
Vestiging van het vruchtgebruik op de woning en inboedel
5.3
[partij B] maakt op grond van artikel 4:29 BW aanspraak op het vruchtgebruik van de woning en inboedel. De stelling van [partij B] komt er kort gezegd op neer dat zij voor haar verzorging behoefte heeft aan het vestigen van vruchtgebruik op de woning en inboedel.
5.4
[partij A] betwist dat er sprake is van een verzorgingsbehoefte. Bij verkoop van de woning zal [partij B] dankzij de opgebouwde overwaarde naar schatting een bedrag van € 173.235,00 verkrijgen en daarmee kan [partij B] met gemak nog een aantal jaren een woning huren. Daarnaast voert [partij A] aan dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om aan haar de verplichting op te leggen het vruchtgebruik te vestigen. Volgens [partij A] heeft [partij B] in de laatste periode voor het overlijden van erflater slecht voor erflater gezorgd, waardoor erflater zich genoodzaakt voelde om een echtscheidingsverzoek in te dienen. [partij B] haar rechten daarmee ‘verspeeld’.
5.5
De kantonrechter overweegt als volgt. In artikel 4:29 lid 1 BW is bepaald dat, voor zover de echtgenote van de erflater ten gevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater niet of niet enig rechthebbende is op de tot de nalatenschap van de erflater behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen bewoond werd, of op de tot de nalatenschap behorende inboedel daarvan, zijn de erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op die woning en die inboedel ten behoeve van de echtgenote, voor zover de echtgenote dit van hen verlangt. Dit betekent in beginsel dat [partij A] dient mee te werken aan de vestiging van het vruchtgebruik op de woning en inboedel.
5.6
Op grond van artikel 4:33 lid 2 onder a BW kan de kantonrechter de verplichting van [partij A] om het vruchtgebruik te vestigen, opheffen indien [partij B] voor haar verzorging geen behoefte heeft aan de vestiging van het vruchtgebruik.
Verondersteld wordt dat [partij B] voor haar verzorging behoefte heeft aan de vestiging van het vruchtgebruik en het ligt daarom op de weg van [partij A] om de veronderstelde verzorgingsbehoefte gemotiveerd te betwisten. De kantonrechter dient daarbij in ieder geval rekening te houden met de volgende omstandigheden:
a. de leeftijd van [partij B];
b. de samenstelling van de huishouding waartoe [partij B] behoort;
c. de mogelijkheid van [partij B] om zelf in de verzorging te voorzien door middel van arbeid, pensioen, eigen vermogen dan wel andere middelen of voorzieningen;
d. hetgeen in de gegeven omstandigheden als een passend verzorgingsniveau voor [partij B] kan worden beschouwd.
5.7
De kantonrechter stelt voorop dat artikel 4:29 BW als vangnet dient voor personen wiens verzorging niet of onvoldoende gewaarborgd is. Voor de omvang van de verzorgingsbehoefte kan de langstlevende echtgenote aanspraak maken op een passende voorziening, maar dat betekent niet per definitie dat de echtgenote onder alle omstandigheden het leefpatroon van voorheen kan voortzetten. Het gaat om een vangnet voor het geval onvoldoende in de verzorging van de echtgenote is voorzien.
5.8
Gelet op voorgaand toetsingskader is de kantonrechter van oordeel dat [partij B] voor haar verzorging behoefte heeft aan het vestigen van het vruchtgebruik. Daarvoor is het volgende van belang.
5.9
[partij B] is 76 jaar. [partij B] heeft daarmee de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en er zijn voor haar geen mogelijkheden om het inkomen te vermeerderen door arbeid. [partij B] is dus volledig afhankelijk van haar pensioen en uitkeringen, volgens [partij B] een totaalbedrag van zo’n € 1.800,00 netto per maand. Daarnaast woont [partij B] alleen en zijn er dus geen huisgenoten die kunnen bijdragen in de kosten van de huishouding. [partij B] betaalt thans circa € 195,00 per maand aan hypotheeklasten en een maandelijkse VvE-bijdrage van € 247,40. [partij B] heeft aangevoerd dat zij, gezien haar bescheiden financiële middelen, niet in staat is passende vervangende woonruimte te vinden in de vrije huursector, zich nog maar recentelijk (opnieuw) heeft ingeschreven bij een woningcorporatie (‘Woonzorg’) en ook geen indicatie heeft voor een verpleegtehuis. Op grond hiervan acht de kantonrechter het niet waarschijnlijk dat [partij B] binnen een afzienbare periode een woning vindt, passend bij haar financiële mogelijkheden.
5.10
De kantonrechter vindt het verder van belang dat de woning voor de helft aan [partij B] in eigendom toebehoort en het gaat daarmee dus niet om een woning die uitsluitend aan erflater toebehoorde. [partij B] woont al sinds 1998 in de woning, waardoor zij volledig is ingebed in de sociale omgeving en [partij B] heeft verklaard dat zij veel sociale contacten heeft met haar buren.
5.11
Het beroep van [partij A] op de redelijkheid en billijkheid slaagt niet. De wetgever heeft blijkens artikel 4:32 BW al rekening gehouden met de situatie dat erflater en de onterfde echtgenoot vlak voor het overlijden van erflater een verslechterde verstandhouding hadden. De langstlevende kan op grond van voornoemd artikel geen aanspraak maken op vestiging van het vruchtgebruik wanneer meer dan een jaar voor het openvallen van de nalatenschap een procedure tot echtscheiding was aangevangen. De procedure tot echtscheiding was enkele weken voor het overlijden van erflater in gang gezet en dat [partij B], ondanks de (mogelijk) slechte verstandhouding, een beroep kan doen op het verzorgingsvruchtgebruik is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
[partij A] moet meewerken aan het vestigen van het vruchtgebruik op de woning en inboedel
5.12
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter [partij A] verplichten om mee te werken aan de vestiging van het levenslang vruchtgebruik op de woning en de daarbij behorende inboedel. [partij B] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen het opleggen van de door [partij A] verzochte beperkingen.
Dit betekent dat de kantonrechter zal bepalen dat [partij B] niet zonder toestemming van [partij A] de bevoegdheid heeft tot vervreemding of vertering van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen. De toestemming van [partij A] is ook nodig voor de verhuur of verpachtingen. Ook mag [partij B] haar rechten als vruchtgebruiker niet overdragen of bezwaren.
5.13
De kantonrechter ziet (thans) geen aanleiding om het vruchtgebruik onder bewind te stellen. Gelet op de beperkingen die aan het vruchtgebruik zullen worden verbonden, is in voldoende mate rekening gehouden met de belangen van [partij A]. Ook is [partij B] mede-eigenaar zodat het ook in haar belang is zich als een goed vruchtgebruiker te gedragen.
5.14
De kantonrechter zal de door [partij B] ingestelde nevenverzoeken – betrekking hebbende op het vestigen van het vruchtgebruik op de woning en inboedel – toewijzen zoals deze zijn verzocht. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn deze verzoeken voldoende bepaald; duidelijk is dat [partij A] bij de notaris slechts hoeft mee te werken voor zover het betreft het vestigen van het vruchtgebruik op de woning en inboedel. Als [partij A] niet meewerkt aan de vestiging van het vruchtgebruik, moet zij een dwangsom betalen van € 100,00 per dag. De dwangsommen kunnen oplopen tot maximaal € 10.000,00.
Kosten vestigen vruchtgebruik
5.15
Verder verzoekt [partij B] om [partij A] te veroordelen tot het betalen van de kosten voor of in verband met de vestiging van het vruchtgebruik.
5.16
De kantonrechter is van oordeel dat deze kosten voor rekening van [partij A] dienen te komen. Het zijn namelijk schulden van de nalatenschap, zoals blijkt uit artikel
4:7 lid 1 sub f BW. De kantonrechter wijst dit verzoek dus toe.
5.17
[partij B] verzoekt om [partij A] ook te verplichten tot het vestigen van vruchtgebruik op de auto. Op grond van artikel 4:30 lid 1 BW kan [partij A] worden verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap dan bedoeld in artikel 4:29 BW ten behoeve van [partij B], voor zover [partij B] daaraan behoefte heeft, de omstandigheden in aanmerking genomen. Het is aan [partij B] om aannemelijk te maken dat zij voor haar verzorging behoefte heeft aan een vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:30 BW.
5.18
[partij B] heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat zij behoefte heeft aan het verzorgingsvruchtgebruik gesteld dat zij de auto onder meer nodig voor het doen van boodschappen, het onderhouden van sociale contacten en voor ziekenhuisbezoeken in Hengelo.
5.19
[partij A] betwist dat het voor de verzorging van [partij B] noodzakelijk is dat zij het vruchtgebruik op de auto verkrijgt.
5.20
De kantonrechter is van oordeel dat het voor de verzorging van [partij B] niet noodzakelijk is dat [partij B] het vruchtgebruik op de auto verkrijgt.
[partij B] woont in het centrum van Enschede en vrijwel alle voorzieningen zijn daarmee al lopend of fietsend te bereiken. Ook blijkt uit wat [partij B] in het kader van het vruchtgebruik van de woning heeft gesteld, dat haar sociale contacten zich bevinden in haar omgeving. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat het voor [partij B] prettig is om met een auto naar het ziekenhuis in Hengelo te kunnen, is het ziekenhuis in Hengelo ook goed bereikbaar met het openbaar vervoer. De conclusie is dus dat [partij A] niet hoeft mee te werken aan het vestigen van het vruchtgebruik op de auto.
5.21
Gelet op de tussen partijen bestaande familierechtelijke relatie, ziet de kantonrechter aanleiding om te bepalen dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.