Civiel recht overig
Verlening voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Het is onduidelijk waar de…
Rechtbank Overijssel, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6700 · Rechtbank Overijssel · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-6700
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 5 november 2026
- Zaaknummer
- C/08/352394 / JE RK 26-1680
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:6700
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verlening voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Het is onduidelijk waar de minderjarige op dit moment verblijft waardoor er geen zicht is op de veiligheidssituatie.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/352394 / JE RK 26-1680
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
Beschikking voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad,
gevestigd te Zwolle,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
bijgestaan door mr. N.R. Breman-Kleine,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2],
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Zwolle,
en [minderjarige].
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking in deze zaak van 15 oktober 2026.
De mondelinge behandeling in deze zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 21 oktober 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader,
- [naam 1], een vertegenwoordiger van de raad, en
- [naam 2], een vertegenwoordiger van de GI.
Aan mevrouw [naam 3], de partner van de vader, heeft de kinderrechter bijzondere toegang verleend.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 19 oktober 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 oktober 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Overijssel met ingang van 15 oktober 2026 tot 29 oktober 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 oktober 2026 ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een crisisgroep verleend met ingang van 15 oktober 2026 tot 29 oktober 2026.
3 Het aangehouden verzoek
Er dient nog beslist te worden op het overige deel van de verzoeken van de raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een crisisgroep te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De raad heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De raad handhaaft de verzoeken.
Op de zitting geeft de raad aan dat er zicht moet komen op waar [minderjarige] verblijft. Daarnaast moet er onderzoek worden gedaan naar welke plek passend en veilig is voor [minderjarige] en wat er nodig is om [minderjarige] op die plek te laten verblijven. Er zijn namelijk veel zorgen over [minderjarige]. De ouders zijn bereid de huidige situatie te verbeteren, maar zij hebben geen grip meer op [minderjarige]. [minderjarige] kan op dit moment niet naar huis waardoor de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is.
4 De standpunten
[minderjarige] geeft aan dat het thuis niet goed gaat. Op dit moment verblijft [minderjarige] bij [naam 4] (hierna: [naam 4]). [minderjarige] vindt dit een veilige plek en hij wil graag bij [naam 4] blijven. [minderjarige] geeft aan dat de instanties hem moeten vertrouwen op zijn woord dat dit een veilige plek is voor hem. [minderjarige] wil niet naar een groep.
De moeder is het eens met de verzoeken van de raad. Het is niet veilig wanneer [minderjarige] weer thuis komt wonen. [minderjarige] vertoont zelfbepalend gedrag. Het is noodzakelijk dat hij uit de huidige omgeving wordt gehaald, omdat zijn vrienden een negatieve invloed hebben op [minderjarige]. De moeder is niet akkoord met een verblijf bij [naam 4]. [naam 4] zou de buurman zijn van de vrouw waar [minderjarige] ook een tijdje heeft verbleven. De moeder herkent [minderjarige] niet meer en hoopt dat hij hulp krijgt zodat onderzocht kan worden waar de boosheid van [minderjarige] vandaan komt.
De vader is het eens met de verzoeken van de raad. Het gaat niet goed met [minderjarige] sinds hij contact heeft met een vriend van school en diens moeder. Zij hebben geen goede invloed op [minderjarige]. De ouders hebben geen grip meer op [minderjarige] en [minderjarige] moet uit zijn omgeving worden gehaald. [minderjarige] bepaalt alles zelf en kan agressief gedrag vertonen. [minderjarige] heeft blijkbaar moeite om bepaalde dingen te verwerken waardoor hij drugs gaat gebruiken. De vader herkent [minderjarige] niet meer en hoopt dat hij de hulp krijgt die hij nodig heeft.
De GI geeft aan dat [minderjarige] op 19 oktober 2026 in het gesprek met de GI en de vertrouwenspersoon heeft verteld dat hij bij [naam 4] verblijft en dat dat veilig is. De ouders en de politie hebben echter grote twijfels of [minderjarige] daar echt verblijft. De ontwikkelingen volgden elkaar snel op waardoor de GI nog aan het onderzoeken is hoe zij ervoor kan zorgen dat [minderjarige] zo snel mogelijk op een veilige plek gaat verblijven.
5 De beoordeling
De kinderrechter blijft bij hetgeen in de hiervoor genoemde tussenbeschikking is overwogen en beslist, welke gronden en overwegingen worden geacht hier herhaald en ingelast te zijn, tenzij de kinderrechter hierna anders overweegt en beslist. Aan de kinderrechter ligt nog voor het aangehouden deel van het verzoek van de raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging uithuisplaatsing in een crisisgroep te verlenen voor het resterende deel van de verzochte drie maanden.
De kinderrechter is van oordeel dat ook voor het resterende deel aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. De kinderrechter zal het resterende deel van de verzoeken daarom toewijzen en legt hieronder uit waarom.
de voorlopige ondertoezichtstelling:
[minderjarige] is weggelopen van huis. In de thuissituatie speelden al langere tijd problemen. [minderjarige] vertoonde zelfbepalend gedrag en accepteerde het gezag van zijn ouders niet meer. Op dit moment is het onduidelijk waar [minderjarige] precies verblijft; bij de moeder van een vriend of bij [naam 4]. De ouders stemmen niet in met het verblijf van [minderjarige] bij één van deze mensen, omdat zij een slechte invloed zouden hebben op [minderjarige] op onder andere het gebied van middelengebruik. De ouders staan machteloos en maken zich, net als de hulpverlenende instanties, veel zorgen over [minderjarige]. De kinderrechter deelt deze zorgen. Er is namelijk geen contact met de mensen waar [minderjarige] wellicht verblijft en er is totaal geen zicht op de situatie van [minderjarige] waardoor zijn veiligheid niet beoordeeld kan worden.
De kinderrechter is daarom van oordeel dat het noodzakelijk is dat de GI de komende periode zicht krijgt op de veiligheidssituatie van [minderjarige]. Daarnaast is het belangrijk dat de GI onderzoek gaat doen naar hoe zij ervoor kan zorgen dat [minderjarige] op een passende en veilige plek gaat verblijven.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
de machtiging tot uithuisplaatsing:
De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het verzoek wordt toegewezen. [minderjarige] vertoonde in toenemende mate zelfbepalend gedrag en hij accepteerde het gezag van de ouders niet meer. [minderjarige] kan op dit moment niet terugkeren naar huis waardoor een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel met ingang van 29 oktober 2026 tot 15 januari 2027,
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een crisisgroep met ingang van 29 oktober 2026 tot 15 januari 2027,
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026 door mr. A.M. Koene, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S. Koster als griffier, en op schrift gesteld op 4 november 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.