Strafrecht overig
Verzoek om uitlevering ten behoeve van vervolging door de Bermuda Eilanden. Uitlevering is toelaatbaar verklaard.
Rechtbank Overijssel, 12 oktober 2021
ECLI:NL:RBOVE:2021:3798 · Rechtbank Overijssel · 12 oktober 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbove-2021-3798
Zaakgegevens
Op 12 oktober 2021 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2021
- Datum publicatie
- 12 oktober 2021
- Zaaknummer
- UTL-I-2020011035
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2021:3798
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om uitlevering ten behoeve van vervolging door de Bermuda Eilanden. Uitlevering is toelaatbaar verklaard.
Uitspraak
Rechtbank OVERIJSSEL
Locatie Zwolle
Team straf
Lurisnummer: UTL-I-2020011035
Datum uitspraak: 12 oktober 2021
Uitspraak
van de meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de autoriteiten van de Bermuda Eilanden tot uitlevering van:
[opgeëist persoon] ,
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu verblijvende in [adres] ,
verder te noemen: de opgeëiste persoon.
Procedure
De Bermudaanse autoriteiten hebben op 4 maart 2021 aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken Justitie een verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon gedaan en daartoe stukken overgelegd.
De Minister van Justitie heeft bij brief van 13 juli 2021 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de hoofdofficier van justitie in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering d.d. 21 juli 2021 gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.
Op 28 september 2021 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord:
- De officier van justitie, mr. B. Veelders;
- De opgeëiste persoon alsmede zijn raadsvrouw, mr. I.J.M. van der Meer, advocaat te Haarlem.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd.
Met instemming van de officier van justitie en de raadsvrouw zal de rechtbank bij uitspraak een beslissing nemen over de vordering tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon.
Verzoek
De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten omschreven in het uitleveringsverzoek van 4 maart 2021. Van een gedeelte van dit verzoek is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht, waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.
Toepasselijk verdrag
Van toepassing zijn:
- het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-
Brittannië en Ierland tot uitleveringen van misdadigers, Londen, 26 september 1898
(hierna: het verdrag);
- de Uitleveringswet (hierna: Uw).
Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij is de persoon genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek en dat hij de Britse nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.
Genoegzaamheid van de stukken
Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht.
De stukken voldoen aan de eisen van artikel XII van het verdrag en artikel 18 Uw.
Dubbele strafbaarheid
De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zijn volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Bermudaans recht strafbaar. Ter zake van die feiten kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste een jaar.
De raadsvrouw heeft verweer gevoerd met betrekking tot de strafbaarheid naar Nederlands recht van het in het uitleveringsverzoek onder 2 genoemde feit. Allereerst heeft zij aangevoerd dat de uitlevering ten aanzien van een verdenking van witwassen ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat dit feit niet is opgenomen in de lijst met feiten in artikel II van het verdrag. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat het verplaatsen van geld van het ene land naar het andere land naar Nederlands recht niet per definitie onder de verdenking witwassen valt, maar dat voor strafbaarheid vereist is dat sprake is van verhullen of verbergen, en de wetenschap dat een voorwerp van misdrijf afkomstig is. Uit het uitleveringsverzoek blijkt niet dat sprake is van verbergen of verhullen van geldbedragen, maar enkel dat er geld wordt overgeboekt via bankrekeningen, hetgeen geen verhullingshandeling is. Ten slotte heeft de raadsvrouwe ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 aangevoerd dat deze naar Nederlands recht niet kwalificeren als valsheid in geschrift. Een vergelijkbare strafbepaling kan wellicht gevonden worden in artikel 1:74, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, maar dergelijke feiten worden in Nederland in de regel met een bestuurlijke boete afgedaan, zodat niet wordt voldaan aan de voor uitlevering vereiste minimale strafbedreiging met 1 jaar gevangenisstraf.
De rechtbank is van oordeel dat de uitlevering ter zake van de verdenking van witwassen toelaatbaar kan worden verklaard. De lijst met feiten in artikel II van het verdrag is niet limitatief. Onderaan dit artikel is de volgende zinsnede opgenomen: ‘Uitlevering zal ook kunnen worden toegestaan, naar het goeddunken van den staat, aan welken de uitlevering wordt aangevraagd, ten opzichte van eenig ander misdrijf waarvoor, overeenkomstig de wetten der beide Contracteerende Partijen op dat tijdstip van kracht, de toestemming kon worden verleend’. De rechtbank is van oordeel dat dit inhoudt dat uitlevering ook toelaatbaar is ten aanzien van feiten die niet specifiek in artikel II van het verdrag zijn genoemd, mits voldaan is aan de vereisten van de Uitleveringwet. In het geval van witwassen wordt voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid als bedoeld in artikel 5 Uw, waarbij de rechtbank ook in dit verband aansluiting zoekt bij vaste jurisprudentie van de Hoge Raad over dubbele strafbaarheid, waaruit volgt dat bij beoordeling hiervan de strafbaarheid van de gedraging zoals omschreven in de ‘uiteenzetting der feiten’ beslissend is en dat niet is vereist is dat de delictsomschrijvingen uit beide staten elkaar precies dekken, zolang ze maar in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermen.
In het licht van het vorenstaande wordt ook het verweer dat het overboeken van geldbedragen niet kan leiden tot een witwasverdenking, verworpen. In artikel 420bis Sr zijn twee witwasvarianten strafbaar gesteld. Bij de A-variant is een verbergings- of verhullingshandeling vereist. Bij de B-variant is het verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten of gebruikmaken van een van misdrijf afkomstig voorwerp strafbaar gesteld. Onder de B-variant is een verdenking van witwassen mogelijk in geval van het wegsluizen van door oplichting verkregen gelden. Er wordt dan ook in dit geval voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid.
Daarnaast is de rechtbank ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 van oordeel dat voor wat betreft het te beschermen rechtsgoed voldoende overeenkomst bestaat met de in Nederland strafbaar gestelde overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachten artikel 1:74, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, welke overtredingen, indien opzettelijk begaan, op grond van de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten kunnen worden gekwalificeerd als een economisch misdrijf, waarop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren kan worden opgelegd.
Dat dit soort strafbare feiten in de praktijk doorgaans bestuursrechtelijk worden afgedaan met een boete, staat niet aan de mogelijkheid van strafrechtelijke handhaving in de weg, zodat het verweer wordt verworpen.
De rechtbank concludeert dat ook naar Nederlands recht de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar zijn, te weten als:
feit 1: oplichting, strafbaar gesteld bij artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr);
feit 2: witwassen, strafbaar gesteld bij artikel 420bis Sr;
feiten 3, 4 en 5: telkens overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachten artikel 1:74, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan, strafbaar gesteld bij de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.
Voor alle hiervoor genoemde feiten kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd.
Onschuld van de opgeëiste persoon
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon onschuldig is aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht en dat hij dit onverwijld kan aantonen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de opgeëiste persoon bij zijn bedrijf [bedrijf opgeëist persoon] Limited in Bermuda een ‘non-executive chairman’ was. Anderen hielden zich bezig met de bedrijfsvoering, waarover de opgeëiste persoon tijdens bestuursvergaderingen op de hoogte werd gehouden.
De rechtbank overweegt dat een onschuldverweer alleen opgaat als de uitleveringsrechter onverwijld – dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek zoals dat in het strafgeding zelf – tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AU2698). De rechtbank overweegt dat de beoordeling van het verweer van de raadsvrouw een verdergaand onderzoek vergt, zodat niet geconcludeerd kan worden dat de opgeëiste persoon zijn onschuld onverwijld kan aantonen.
Gevoerd verweer
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uitlevering ter zake van witwassen ontoelaatbaar is, omdat dit in strijd is met het ne bis in idem-beginsel. De verdenking waarvoor uitlevering wordt gevraagd, gaat in de basis om dezelfde feiten als die waarvoor de opgeëiste persoon in Nederland is vervolgd (parketnummer 08-996125-17).
Beoordeling van het verweer
Het verweer van de verdediging dat de verdenking van witwassen dezelfde verdenking betreft als waarvoor de opgeëiste persoon in Nederland is vervolgd, mist feitelijke grondslag. De verdenking in Bermuda ziet op mogelijke malversaties met geld dat door Japanners is geïnvesteerd in de onderneming van de opgeëiste persoon. Dat staat geheel los van de witwasverdenking in de Nederlandse strafzaak. Daar betreft het de gegrondheid van betalingen tussen diverse vennootschappen waarin verdachte overwegende zeggenschap heeft. Daarnaast komt de ten laste gelegde periode in de Nederlandse strafzaak niet overeen met periode vermeld in de aanklacht (onder feit 2) die aan het uitleveringsverzoek ten grondslag ligt. Bovendien wordt in de Nederlandse strafzaak niet gerept over gelden die in Bermuda zouden zijn witgewassen. De rechtbank verwerpt het verweer.
Gevangenhouding
In het uitleveringsverzoek komt naar voren dat de opgeëiste persoon Bermuda heeft verlaten, terwijl dit in strijd was met de schorsingsvoorwaarden die hem aldaar in het kader van de strafzaak zijn opgelegd. De rechtbank stelt daarom vast dat er sprake is van vluchtgevaar, op grond waarvan de gevangenhouding kan worden bevolen.
De opgeëiste persoon heeft in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis in aanloop naar de behandeling van het uitleveringsverzoek laten zien dat de doelen die met de gevangenhouding worden nagestreefd, voldoende kunnen worden gerealiseerd door het stellen van voorwaarden aan een schorsing. De rechtbank zal daarom de gevangenhouding direct schorsen. De bevelen tot gevangenhouding en schorsing zijn apart geminuteerd.
Slotsom
Nu ten aanzien van de feiten ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging tot tenuitvoerlegging wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en toepasselijk verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.
Toepasselijke artikelen
De beslissing is, behalve op de reeds genoemde artikelen, gegrond op
de artikelen VIII, XII en XIII van het verdrag,
en de artikelen 2, 4, 5, 26 en 28 van de Uitleveringswet.
Beslissing
De rechtbank:
VERKLAART TOELAATBAAR de uitlevering aan de Bermuda Eilanden van
[opgeëist persoon] , geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,
ter strafvervolging van de feiten omschreven in het hiervoor genoemde verzoek.
Deze beslissing is genomen door:
mr. M. Melaard, voorzitter,
mrs. M.B. Werkhoven en J. Wentink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M.B. Cakir, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 oktober 2021.
Buiten staat
Mrs. Werkhoven en Cakir zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.