Strafrecht overig

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan…

Rechtbank Overijssel, 29 april 2025

Zaakgegevens

Op 29 april 2025 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Almelo
Datum uitspraak
29 april 2025
Datum publicatie
30 april 2025
Zaaknummer
08.310991.24 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2025:2638
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

De verdachte was ten laste gelegd dat hij met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren een seksuele handeling had verricht.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.310991.24 (P)

Datum vonnis: 29 april 2025

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1961 in [geboorteplaats], Syrië,

wonende aan de [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 april 2025.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman R.F. Speijdel, advocaat in Almelo, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte een dertienjarig meisje onverhoeds heeft aangerand.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 31 juli 2024 te Enschede

met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer]

een seksuele handeling heeft verricht, te weten

- het met zijn hand over de borsten van die [slachtoffer] vegen/wrijven

en welke aanranding werd vergezeld van dwang, door onverhoeds genoemde

seksuele handeling te verrichten.

3 De bewijsmotivering

3.1

Inleiding

Op 1 augustus 2024 liep verdachte op de stoep van de Broekheurne-ring in Enschede. Verdachte tegemoetkomend liepen, naast elkaar, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) en een vriendin. Tijdens het lopen waren zij TikTok dansjes aan het doen. [slachtoffer] heeft aangifte gedaan en verklaard dat zij verdachte uit tegengestelde richting aan zag komen lopen. Bij het passeren van verdachte zag en voelde [slachtoffer] dat verdachte met zijn hand over haar borsten veegde.

Kort na de gebeurtenis, tijdens het politieverhoor, en ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij uit een reflex zijn hand uitstak in de richting van [slachtoffer] omdat hij dacht dat zij haar telefoon liet vallen. Verdachte verklaarde ter zitting dat het zou kunnen dat hij [slachtoffer] daarbij heeft aangeraakt.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de aangifte van [slachtoffer] wordt ondersteund door de verklaringen van twee getuigen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte het bewust vegen over de borsten van aangeefster steeds stellig heeft ontkend. Het moment dat verdachte en aangeefster elkaar passeerden ging snel. Gebeurtenissen kunnen daardoor anders zijn waargenomen.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1

Juridisch kader

De strafzaak tegen verdachte gaat over de aanranding, in dit geval onder de strafverzwarende omstandigheid van dwang, van een kind in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaar, dat sinds de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven strafbaar is gesteld in artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde is onder andere nodig dat wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat er een seksuele handeling is verricht. Volgens de Memorie van Toelichting zijn seksuele handelingen, handelingen die bestaan uit een op een seksuele beleving gerichte aanraking(en) van lichaamsdelen. Hierbij kan het gaan om aanraking(en) over de kleding als om de aanraking(en) van het naakte lichaam alsook een combinatie hiervan.

3.4.2.

Is er sprake geweest van een seksuele handeling?

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [slachtoffer] over het vegen over haar borsten door verdachte wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Hiermee is er wettig bewijs dat verdachte over de borsten van [slachtoffer] heeft geveegd. De rechtbank heeft echter op grond van de overige stukken in het dossier en de consistente verklaring van verdachte over de context waarbinnen de aanraking heeft plaatsgevonden, niet de overtuiging gekregen dat deze aanraking een op een seksuele beleving gerichte aanraking betrof.

3.4.3

Conclusie

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte een seksuele handeling heeft verricht met [slachtoffer]. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde feit.

4 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en mr. T.M. Weeda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Kleinlugtenbeld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.

Buiten staat

Mr. Bos is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Kamerstukken II 2022/23, 36222, 3, p. 78.