Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOVE:2025:6865

Op 28 November 2025 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 08-246353-24 (P), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2025:6865. De plaats van zitting was Almelo.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
08-246353-24 (P)
Datum uitspraak:
28 November 2025
Datum publicatie:
28 November 2025

Indicatie

Onderzoek Maïs23 – de rechtbank veroordeelt de verdachte conform de gemaakte procesafspraken tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden waarvan 16 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren voor het medeplegen van (verlengde) invoer van ruim 1.200 kilogram cocaïne. Daarnaast is aan de verdachte een geldboete ter hoogte van € 10.000,-- opgelegd. Aan het voorwaardelijk strafdeel zijn bijzondere voorwaarden gekoppeld. De verdachte fungeerde als uithaler van de cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-246353-24 (P)

Datum vonnis: 28 november 2025

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] ,

hierna: [verdachte] .

1
Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8 november 2024, 3 februari 2025, 2 mei 2025, 9 oktober 2025 en 14 november 2025.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door [verdachte] en zijn raadsman mr. I.A. van Straalen, advocaat in 's-Gravenhage, naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 3 februari 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] op 30 juli 2024 in [plaats 1] al dan niet samen met anderen opzettelijk 1.201 kilogram cocaïne binnen Nederlands grondgebied heeft gebracht en/of heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte] , dat:

hij op of omstreeks 30 juli 2024 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk

- binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en/of

- heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of

- in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

1.201 kilogram cocaïne, in elk geval een (zeer grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3. Procesafspraken

Op 2 april 2025 is tussen [verdachte] en het Openbaar Ministerie een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken zijn gemaakt over de strafzaak van [verdachte] . Deze overeenkomst maakt onderdeel uit van het strafdossier. [verdachte] is bij de totstandkoming van de procesafspraken bijgestaan door zijn raadsman. De rechtbank heeft geen bemoeienis gehad met de totstandkoming en de inhoud van de procesafspraken.

De procesafspraken houden, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, in dat

- de verdediging/de verdachte

? geen (inhoudelijke) verweren zal voeren,

? het feit en de kwalificatie zoals tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging vastgesteld niet zal ontkennen,

? geen appel zal instellen,

en dat

- het Openbaar Ministerie ter zitting zal rekwireren

? tot bewezenverklaring van het aan [verdachte] ten laste gelegde feit,

? tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden waarvan 16 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, en

? tot oplegging van een geldboete ter hoogte van € 10.000,00, waarvan [verdachte] uiterlijk op 18 april 2025 € 5.000,00 moet hebben voldaan.

Ter terechtzitting van 9 oktober 2025 zijn de officier van justitie en de verdediging overeengekomen dat de bijzondere voorwaarden, zoals die zijn geadviseerd door de reclassering in het rapport van 29 september 2025, eveneens onderdeel uitmaken van de procesafspraken en dat deze gekoppeld worden aan het voorwaardelijk strafdeel.

De beoordeling van de procesafspraken

Bij de beoordeling van de procesafspraken heeft de rechtbank het door de Hoge Raad ontwikkelde kader als uitgangspunt genomen (HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252).

Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de terechtzitting van 9 oktober 2025 zijn de procesafspraken uitgebreid en indringend met [verdachte] besproken in aanwezigheid van zijn raadsman. Daarbij heeft de rechtbank getoetst of [verdachte] vrijwillig aan de gemaakte afspraken heeft meegewerkt, of deze medewerking op basis van voldoende en duidelijke informatie heeft plaatsgevonden, of hij begreep wat deze afspraken inhielden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak zouden hebben. [verdachte] heeft daarnaar gevraagd verklaard dat hij bekend is met de inhoud van de procesafspraken, dat hij heeft begrepen wat de gemaakte afspraken inhouden, wat de gevolgen daarvan zijn en dat deze afspraken op basis van voldoende en duidelijke informatie tot stand zijn gekomen. Hij heeft vrijwillig ingestemd met de afspraken en is bij het hele proces om tot afspraken te komen steeds voorzien geweest van rechtskundige bijstand.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat [verdachte] vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken met het Openbaar Ministerie. De rechtbank stelt daarnaast vast dat [verdachte] zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) stelt.

Het voorgaande betekent dat de door het Openbaar Ministerie en [verdachte] gemaakte procesafspraken door de rechtbank kunnen worden beoordeeld. De rechtbank is niet gebonden aan deze afspraken. Bij de inhoudelijke beoordeling of de procesafspraken kunnen worden gevolgd is de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv leidend. Die beantwoording volgt hierna.

Overwegingen

4
De bewijsmotivering
4.1

Inleiding: onderzoek Maïs23

Op 29 november 2023 is in onderzoek Larix23 een cocaïnewasserij aangetroffen in [plaats 2]. Uit de in dit onderzoek verkregen informatie ontstond onder andere het vermoeden dat [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) betrokken zou zijn bij drugshandel. Op 13 december 2023 is door de Dienst Regionale Recherche van de eenheid Oost-Nederland een strafrechtelijk onderzoek onder de naam Maïs23 gestart. Het onderzoek richtte zich op het (in crimineel samenwerkingsverband) invoeren van harddrugs. Stelstelmatige observatie van [medeverdachte 1] leidde naar een loods aan de [adres] in [plaats 1] . Door middel van observaties en interceptie van communicatiemiddelen ontstond het sterke vermoeden dat op 30 juli 2024 een container bij de loods zou worden afgeleverd met daarin een hoeveelheid harddrugs. Nadat op 30 juli 2024 werd gezien dat er een container werd afgeleverd in de loods die kort daarna weer werd opgehaald, vond een instap plaats. De instap in de loods leidde tot de vondst van 1.201,2 kilogram cocaïne en de aanhoudingen op heterdaad van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [verdachte] . In de periode na 30 juli 2024 zijn de aanhoudingen verricht van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] .

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, onder verwijzing naar de procesafspraken, geen bewijsverweer gevoerd.

4.4

Het oordeel van de rechtbank en de bewezenverklaring

De rechtbank acht door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring, steunt - en die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met bewijsmiddelen eist in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen - wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 juli 2024 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

- binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en

- heeft afgeleverd, vervoerd en

- opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 1.201 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 10 van de Opiumwet (OW) en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

de misdrijven:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

6
De strafbaarheid van [verdachte]

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7
De op te leggen straf of maatregel
7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – conform de procesafspraken – gevorderd dat aan [verdachte] zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden waarvan 16 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een geldboete ter hoogte van € 10.000,00. Over de proeftijd is geen standpunt ingenomen. Verder is gevorderd om de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, aan het voorwaardelijke strafdeel te verbinden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de vordering van de officier van justitie te volgen, conform de procesafspraken, inclusief oplegging van de bijzondere voorwaarden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Ernst van het feit

[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van een enorme hoeveelheid cocaïne (ongeveer 1.201 kilogram met een geschatte straatwaarde van tientallen miljoenen euro’s). Hij was op 30 juli 2024 in de loods in [plaats 1] aanwezig om de drugs uit de daar naartoe gebrachte container te laden en van de deklading te scheiden voor het verdere vervoer. Daarmee heeft hij een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de markt voor harddrugs in Nederland. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen stoffen bevatten die zeer verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid en het welzijn van gebruikers. Daarnaast leert de ervaring dat het plegen van dit soort feiten, in het bijzonder bij grensoverschrijdende handel in de invoer- en uitvoerlanden, vaak gepaard gaat met vele vormen van zware criminaliteit. [verdachte] heeft hier kennelijk geen oog voor gehad, maar zijn eigen financiële belangen voorop gesteld. Dat rekent de rechtbank hem aan.

De persoon van [verdachte]

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van [verdachte] van 27 januari 2025. [verdachte] is niet eerder veroordeeld voor Opiumwetfeiten, en daarom zal de rechtbank het strafblad van [verdachte] niet in zijn nadeel meewegen.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het over [verdachte] opgemaakte reclasseringsrapport van 29 september 2025. De reclassering rapporteert dat de financiële situatie en een gedeelte van het sociaal netwerk van [verdachte] risicoverhogende factoren zijn. Zo heeft [verdachte] openstaande schulden, waarvoor nog geen betalingsregelingen zijn getroffen. Uit de referenteninformatie en het gesprek dat de reclassering met [verdachte] heeft gevoerd ontstaat de indruk dat hij ontvankelijk is voor negatieve beïnvloeding. [verdachte] staat open om deel te nemen aan interventies die hem weerbaarder kunnen maken en zijn beschermende factoren kunnen versterken. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag tot gemiddeld en het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie gericht op cognitieve vaardigheden en het meewerken aan schuldhulpverlening.

De op te leggen straf

De rechtbank stelt voorop dat zij haar eigen afweging maakt bij het bepalen van de op te leggen straf. Hierbij heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarnaast acht de rechtbank bij de strafoplegging van belang dat procesafspraken naar hun aard kunnen bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waar de afspraken op zien. Door het afdoen van deze strafzaak op de wijze als in de procesafspraken is overeengekomen, wordt de behandeltijd van de zaak aanzienlijk verkort en kan de zaak efficiënter worden afgedaan.

Gelet op het voorgaande en hetgeen op zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de afdoening zoals gevorderd door de officier van justitie, mede in het licht van de belangen die met de gemaakte procesafspraken gemoeid zijn, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak en daarbij voldoende recht doet aan de inhoud van de strafzaak en alle betrokken belangen. Gezien de aard en de ernst van het gepleegde feit kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de rol die [verdachte] heeft vervuld. Die is kleiner geweest dan die van enkele medeverdachten die hebben deelgenomen aan het criminele samenwerkingsverband dat zich onder meer met dit drugstransport heeft beziggehouden. Alles afwegende acht de rechtbank de voorgelegde straf passend.

De rechtbank legt aan [verdachte] een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden waarvan 16 maanden voorwaardelijk op met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een geldboete ter hoogte van € 10.000,00. Over de proeftijd is niets opgenomen in de procesafspraken. De rechtbank bepaalt de duur daarvan op twee jaren. Verder zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen.

De voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van [verdachte] is geschorst tot vandaag. Omdat [verdachte] zich gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis aan alle schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en de (zwaarwegende) persoonlijke belangen van [verdachte] sinds de vorige schorsingsbeslissing onveranderd zijn gebleven, zal de rechtbank de voorlopige hechtenis van [verdachte] met ingang van vandaag opnieuw schorsen en wel voor onbepaalde tijd. Dit bevel zal apart geminuteerd worden. Dit schorsingsbevel blijft op grond van artikel 75 Sv van kracht totdat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

8
De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c Sr.

Beslissing

9
De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de misdrijven:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

strafbaarheid [verdachte]

- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 (tweeëndertig) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 16 (zestien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien [verdachte] voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien [verdachte] gedurende de

proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden

niet is nagekomen:

- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] :

- zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met [verdachte] opnemen voor de eerste afspraak;

- actief deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. [verdachte] houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. [verdachte] geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat [verdachte] :

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt [verdachte] tot betaling van een geldboete van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro);

- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 85 (vijfentachtig) dagen;

voorlopige hechtenis

- beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van 28 november 2025 voor onbepaalde tijd, welk bevel apart is geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Miltenburg, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en

mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink en mr. E.A.B. Kroeze, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.

Mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.