De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 3 februari 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] op 30 juli 2024 in [plaats 1] al dan niet samen met anderen opzettelijk 1.201 kilogram cocaïne binnen Nederlands grondgebied heeft gebracht en/of heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte] , dat:
hij op of omstreeks 30 juli 2024 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk
- binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en/of
- heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of
- in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
1.201 kilogram cocaïne, in elk geval een (zeer grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
3. Procesafspraken
Op 2 april 2025 is tussen [verdachte] en het Openbaar Ministerie een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken zijn gemaakt over de strafzaak van [verdachte] . Deze overeenkomst maakt onderdeel uit van het strafdossier. [verdachte] is bij de totstandkoming van de procesafspraken bijgestaan door zijn raadsman. De rechtbank heeft geen bemoeienis gehad met de totstandkoming en de inhoud van de procesafspraken.
De procesafspraken houden, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, in dat
- de verdediging/de verdachte
? geen (inhoudelijke) verweren zal voeren,
? het feit en de kwalificatie zoals tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging vastgesteld niet zal ontkennen,
? geen appel zal instellen,
- het Openbaar Ministerie ter zitting zal rekwireren
? tot bewezenverklaring van het aan [verdachte] ten laste gelegde feit,
? tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden waarvan 16 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, en
? tot oplegging van een geldboete ter hoogte van € 10.000,00, waarvan [verdachte] uiterlijk op 18 april 2025 € 5.000,00 moet hebben voldaan.
Ter terechtzitting van 9 oktober 2025 zijn de officier van justitie en de verdediging overeengekomen dat de bijzondere voorwaarden, zoals die zijn geadviseerd door de reclassering in het rapport van 29 september 2025, eveneens onderdeel uitmaken van de procesafspraken en dat deze gekoppeld worden aan het voorwaardelijk strafdeel.
De beoordeling van de procesafspraken
Bij de beoordeling van de procesafspraken heeft de rechtbank het door de Hoge Raad ontwikkelde kader als uitgangspunt genomen (HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252).
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de terechtzitting van 9 oktober 2025 zijn de procesafspraken uitgebreid en indringend met [verdachte] besproken in aanwezigheid van zijn raadsman. Daarbij heeft de rechtbank getoetst of [verdachte] vrijwillig aan de gemaakte afspraken heeft meegewerkt, of deze medewerking op basis van voldoende en duidelijke informatie heeft plaatsgevonden, of hij begreep wat deze afspraken inhielden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak zouden hebben. [verdachte] heeft daarnaar gevraagd verklaard dat hij bekend is met de inhoud van de procesafspraken, dat hij heeft begrepen wat de gemaakte afspraken inhouden, wat de gevolgen daarvan zijn en dat deze afspraken op basis van voldoende en duidelijke informatie tot stand zijn gekomen. Hij heeft vrijwillig ingestemd met de afspraken en is bij het hele proces om tot afspraken te komen steeds voorzien geweest van rechtskundige bijstand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat [verdachte] vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken met het Openbaar Ministerie. De rechtbank stelt daarnaast vast dat [verdachte] zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) stelt.
Het voorgaande betekent dat de door het Openbaar Ministerie en [verdachte] gemaakte procesafspraken door de rechtbank kunnen worden beoordeeld. De rechtbank is niet gebonden aan deze afspraken. Bij de inhoudelijke beoordeling of de procesafspraken kunnen worden gevolgd is de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv leidend. Die beantwoording volgt hierna.
Beslissing
- verklaart bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
de misdrijven:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezen verklaarde;
- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 (tweeëndertig) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 16 (zestien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien [verdachte] voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien [verdachte] gedurende de
proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] :
- zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met [verdachte] opnemen voor de eerste afspraak;
- actief deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. [verdachte] houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. [verdachte] geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat [verdachte] :
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt [verdachte] tot betaling van een geldboete van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro);
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 85 (vijfentachtig) dagen;
- beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van 28 november 2025 voor onbepaalde tijd, welk bevel apart is geminuteerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Miltenburg, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en
mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink en mr. E.A.B. Kroeze, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.
Mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.