Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOVE:2025:6867

Op 28 November 2025 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 08-241178-24 (P), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2025:6867. De plaats van zitting was Almelo.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
08-241178-24 (P)
Datum uitspraak:
28 November 2025
Datum publicatie:
28 November 2025

Indicatie

Onderzoek Maïs23 – de rechtbank veroordeelt de verdachte conform de gemaakte procesafspraken tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden voor het medeplegen van (verlengde) invoer van ruim 1.200 kilogram cocaïne en deelname aan een criminele organisatie. Daarnaast zijn bijkomende (financiële) straffen opgelegd ter hoogte van € 50.000,--.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-241178-24 (P)

Datum vonnis: 28 november 2025

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,

nu verblijvende in de P.I. [locatie] ,

hierna: [verdachte] .

1
Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8 november 2024, 3 februari 2025, 2 mei 2025, 29 juli 2025, 9 oktober 2025 en

14 november 2025.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door [verdachte] en zijn raadsman mr. J.C. Stam, advocaat in Borne, naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 2 mei 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] :

feit 1: op 30 juli 2024 in [plaats 1] al dan niet samen met anderen opzettelijk 1.201 kilogram cocaïne binnen Nederlands grondgebied heeft gebracht en/of heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 2: in de periode van 1 november 2023 tot en met 30 juli 2024 met (onder andere)

[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft deelgenomen aan een criminele (drugs)organisatie.

Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte] , dat:

1.

hij op of omstreeks 30 juli 2024 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk

- binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en/of

- heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of

- in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

1.201 kilogram cocaïne, in elk geval een (zeer grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2023 tot en met 30 juli 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] ,

[verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet.

3
Procesafspraken

Op 3 april 2025 is tussen [verdachte] en het Openbaar Ministerie een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken zijn gemaakt over de strafzaak van [verdachte] . Op

29 juli 2025 is een addendum bij deze overeenkomst in werking getreden. Deze overeenkomst en dit addendum maken onderdeel uit van het strafdossier. [verdachte] is bij de totstandkoming van de procesafspraken bijgestaan door zijn raadsman. De rechtbank heeft geen bemoeienis gehad met de totstandkoming en de inhoud van de procesafspraken.

De procesafspraken houden, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, in dat

- de verdediging/de verdachte

? geen (inhoudelijke) verweren zal voeren,

? de feiten en kwalificaties zoals tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging vastgesteld niet zal ontkennen,

? afstand doet van de inbeslaggenomen goederen zoals opgenomen in de procesafspraken,

? geen appel zal instellen,

en dat

- het Openbaar Ministerie ter zitting zal rekwireren

? tot bewezenverklaring van alle aan [verdachte] ten laste gelegde feiten,

? tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden met aftrek van het voorarrest, en

? tot oplegging van een geldboete ter hoogte van € 50.000,00, waarop de waarde van de inbeslaggenomen goederen, zijnde € 18.452,00, in mindering wordt gebracht,

? tot verbeurdverklaring van alle inbeslaggenomen goederen.

Het addendum houdt, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, in dat

? [verdachte] de eerste helft van de te vorderen geldboete, zijnde € 25.000,00, voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, uiterlijk op 1 augustus 2025, voldoet, waarbij

? de waarde van de in beslag genomen goederen (€ 18.452,00) op die eerste helft in mindering wordt gebracht, waardoor uiterlijk op 1 augustus 2025 een betaling moet worden gedaan van € 6.548,00.

De beoordeling van de procesafspraken

Bij de beoordeling van de procesafspraken heeft de rechtbank het door de Hoge Raad ontwikkelde kader als uitgangspunt genomen (HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252).

Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de terechtzitting van 9 oktober 2025 zijn de procesafspraken uitgebreid en indringend met [verdachte] besproken in aanwezigheid van zijn raadsman. Daarbij heeft de rechtbank getoetst of [verdachte] vrijwillig aan de gemaakte afspraken heeft meegewerkt, of deze medewerking op basis van voldoende en duidelijke informatie heeft plaatsgevonden, of hij begreep wat deze afspraken inhielden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak zouden hebben. [verdachte] heeft daarnaar gevraagd verklaard dat hij bekend is met de inhoud van de procesafspraken, dat hij heeft begrepen wat de gemaakte afspraken inhouden, wat de gevolgen daarvan zijn en dat deze afspraken op basis van voldoende en duidelijke informatie tot stand zijn gekomen. Hij heeft vrijwillig ingestemd met de afspraken en is bij het hele proces om tot afspraken te komen steeds voorzien geweest van rechtskundige bijstand.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat [verdachte] vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken met het Openbaar Ministerie. De rechtbank stelt daarnaast vast dat [verdachte] zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) stelt.

Het voorgaande betekent dat de door het Openbaar Ministerie en [verdachte] gemaakte procesafspraken door de rechtbank kunnen worden beoordeeld. De rechtbank is niet gebonden aan deze afspraken. Bij de inhoudelijke beoordeling of de procesafspraken kunnen worden gevolgd is de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv leidend. Die beantwoording volgt hierna.

Overwegingen

4
De bewijsmotivering
4.1

Inleiding: onderzoek Maïs23

Op 29 november 2023 is in onderzoek Larix23 een cocaïnewasserij aangetroffen in [plaats 2]. Uit de in dit onderzoek verkregen informatie ontstond onder andere het vermoeden dat [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) betrokken zou zijn bij drugshandel. Op 13 december 2023 is door de Dienst Regionale Recherche van de eenheid Oost-Nederland een strafrechtelijk onderzoek onder de naam Maïs23 gestart. Het onderzoek richtte zich op het (in crimineel samenwerkingsverband) invoeren van harddrugs. Stelstelmatige observatie van [medeverdachte 1] leidde naar een loods aan de [adres] in [plaats 1] . Door middel van observaties en interceptie van communicatiemiddelen ontstond het sterke vermoeden dat op 30 juli 2024 een container bij de loods zou worden afgeleverd met daarin een hoeveelheid harddrugs. Nadat op 30 juli 2024 werd gezien dat er een container werd afgeleverd in de loods die kort daarna weer werd opgehaald, vond een instap plaats. De instap in de loods leidde tot de vondst van 1.201,2 kilogram cocaïne en de aanhoudingen op heterdaad van [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . In de periode na 30 juli 2024 zijn de aanhoudingen verricht van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, onder verwijzing naar de procesafspraken, geen bewijsverweer gevoerd.

4.4

Het oordeel van de rechtbank en de bewezenverklaring

De rechtbank acht door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring, steunt - en die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met bewijsmiddelen eist in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen - wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 30 juli 2024 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

- binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en

- heeft afgeleverd, vervoerd en

- opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 1.201 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 1 november 2023 tot en met 30 juli 2024 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en

[medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en 10a eerste lid van de Opiumwet.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 10 en 11b van de Opiumwet (OW) en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

de misdrijven:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2

het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

6
De strafbaarheid van [verdachte]

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7
De op te leggen straf of maatregel
7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – conform de procesafspraken – gevorderd dat aan [verdachte] zal worden opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast is gevorderd om aan [verdachte] , rekening houdend met de verrekening met de waarde van het beslag van € 18.452,00, een geldboete op te leggen ter hoogte van € 31.548,00.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de vordering van de officier van justitie te volgen, conform de procesafspraken.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte] zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Ernst van de feiten

[verdachte] heeft negen maanden lang deelgenomen aan een criminele organisatie die zich onder andere bezighield met de invoer van harddrugs in Nederland. Hij heeft zich daarnaast samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van een enorme hoeveelheid cocaïne (ruim 1.201 kilogram met een geschatte straatwaarde van tientallen miljoenen euro’s), waarbij hij een essentiële rol in de uitvoering had.

Binnen het criminele samenwerkingsverband en bij de invoer van de cocaïne op

30 juli 2024 was sprake van een bepaalde rolverdeling. De ogenschijnlijke leider van de criminele organisatie was de binnen onderzoek Maïs23 niet geïdentificeerde ‘ [medeverdachte 7] ’, die in de chatcommunicatie ook gebruik maakte van de namen ‘ [alias 1] ’ en ‘ [alias 2] ’. Hij gaf opdrachten, stuurde de verdachten aan op afstand en regelde een vervalste zegel voor de drugscontainer. [medeverdachte 2] hield zich voornamelijk bezig met de inklaring van de (drugs)container(s) waarvan zijn bedrijf [bedrijf] B.V. de ontvanger was, zodat het leek alsof het om legale handel ging. [medeverdachte 1] en [verdachte] waren belangrijke uitvoerders die in nauw contact stonden met ‘ [medeverdachte 7] ’. Zij waren ook vrijwel dagelijks in de loods in [plaats 1] aanwezig om het te doen lijken alsof daar normale bedrijvigheid plaatsvond, maar om in de tussentijd de drugslading te ontvangen. Daarnaast verrichtten [medeverdachte 1] en [verdachte] ook andere essentiële taken zoals het afleveren van contante betalingen en documenten voor de inklaring van de container. [medeverdachte 3] verrichtte het drugstransport via zijn transportbedrijf Kader Transport en stond in contact met alle leden van de criminele organisatie, en was chauffeur van de container waar de cocaïne in zat. [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] waren op de dag van de inval in de loods aanwezig om de drugs uit de container te laden en van de deklading te scheiden ten behoeve van het verdere vervoer. Daarnaast heeft [medeverdachte 5] (daaraan voorafgaand) op de uitkijk gestaan buiten de loods.

Criminele organisaties ondermijnen de rechtsorde, veroorzaken maatschappelijke onrust en brengen de maatschappij (financieel) nadeel toe. De criminele organisatie waartoe [verdachte] behoorde heeft een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de markt voor harddrugs in Nederland. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen stoffen bevatten die zeer verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid en het welzijn van gebruikers. De rechtbank acht [verdachte] dan ook medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen op de gebruikers en hun omgeving heeft. Het plegen van dit soort feiten levert veel geld op voor de personen die betrokken zijn in de lijn van invoer tot aan de uiteindelijke verkoop van de verdovende middelen. [verdachte] heeft met zijn handelen laten zien dat hij deze criminele activiteiten en de nadelige gevolgen hiervan niet schuwt ten behoeve van zijn eigen financiële gewin. Dat rekent de rechtbank hem zwaar aan.

De persoon van [verdachte]

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende [verdachte] van 6 september 2025. Hieruit blijkt dat [verdachte] in het verleden is veroordeeld voor onder meer Opiumwetfeiten. Omdat er geen sprake is van recente veroordelingen, zal de rechtbank het strafblad van [verdachte] niet in zijn nadeel, maar ook niet in zijn voordeel meewegen.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het over [verdachte] opgemaakte reclasseringsrapport van 13 maart 2025. Daaruit volgt dat, door de ontkennende houding van [verdachte] , het voor de reclassering moeilijk is vast te stellen wat een mogelijke oorzaak is voor onderhavige verdenking. Op praktisch gebied heeft [verdachte] zijn leven op orde. Er is sprake van stabiele huisvesting, er zijn geen financiële problemen en de partner van [verdachte] is een bron van steun. [verdachte] heeft in het verleden zowel openlijke als heimelijke delicten gepleegd. De kans op een langdurige criminele levensstijl is voor dit type delinquent groter dan voor de groep delinquenten die alleen openlijke dan wel heimelijke delicten pleegt. De pro-criminele houding en het sociaal netwerk van [verdachte] worden gezien als belangrijke risicofactoren. [verdachte] blijft in contact komen met mensen uit het criminele milieu waardoor er een risico blijft bestaan op terugval in oude patronen. De reclassering is van oordeel dat een gedragsverandering bij [verdachte] moeilijk te bewerkstelligen is. Interventies en reclasseringstoezicht worden om die reden niet geadviseerd.

De op te leggen straf

De rechtbank stelt voorop dat zij haar eigen afweging maakt bij het bepalen van de op te leggen straf. Hierbij heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarnaast acht de rechtbank bij de strafoplegging van belang dat procesafspraken naar hun aard kunnen bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waar de afspraken op zien. Door het afdoen van deze strafzaak op de wijze als in de procesafspraken is overeengekomen, wordt de behandeltijd van de zaak aanzienlijk verkort en kan de zaak efficiënter worden afgedaan.

Gelet op het voorgaande en hetgeen op zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de afdoening zoals gevorderd door de officier van justitie, mede in het licht van de belangen die met de gemaakte procesafspraken gemoeid zijn, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak en daarbij voldoende recht doet aan de inhoud van de strafzaak en alle betrokken belangen. Gezien de aard en de ernst van de gepleegde feiten kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de strafoplegging neemt de rechtbank in het nadeel van [verdachte] in aanmerking dat hij een essentiële rol in het geheel heeft gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat personen met een dergelijke rol rijkelijk beloond worden. Een forse geldboete acht de rechtbank dan ook op zijn plaats. Gelet op alle feiten en omstandigheden in deze zaak acht de rechtbank de voorgelegde straf passend.

De rechtbank legt aan [verdachte] een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden op, met aftrek van de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een geldboete ter hoogte van € 31.548,00.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan [verdachte] voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

7.4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen goederen – zoals vermeld op de beslaglijst bij de procesafspraken en op de hernieuwde beslaglijst van 9 oktober 2025 – moeten worden verbeurdverklaard, conform de procesafspraken.

7.4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aansluiting te zoeken bij de procesafspraken.

7.4.3

Het oordeel van de rechtbank

[verdachte] heeft op 21 maart 2025 schriftelijk afstand gedaan van alle goederen en geldbedragen zoals vermeld op de beslaglijst. De rechtbank zal om die reden geen beslissing nemen over het beslag. Het Openbaar Ministerie kan over die goederen beschikken als zijnde verbeurdverklaard.

8
De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23, 24c en 57 Sr.

Beslissing

9
De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat [verdachte] het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

de misdrijven:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2

het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;

strafbaarheid [verdachte]

- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt [verdachte] tot betaling van een geldboete van € 31.548,00 (zegge: eenendertigduizend vijfhonderd achtenveertig euro);

- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 192 (honderdtweeënnegentig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Miltenburg, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en

mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink en mr. E.A.B. Kroeze, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.

Mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.