RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 08-247032-24 (P)
Datum vonnis: 28 november 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats],
nu verblijvende in Justitieel Complex [locatie],
1
Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8 november 2024, 3 februari 2025, 2 mei 2025, 29 juli 2025, 9 oktober 2025 en
14 november 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door [verdachte] en zijn raadsman mr. C.Y. Kekik, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.
De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 2 mei 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]:
feit 1: op 30 juli 2024 in [plaats 1] al dan niet samen met anderen opzettelijk 1.201 kilogram cocaïne binnen Nederlands grondgebied heeft gebracht en/of heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad;
feit 2: op 15 augustus 2024 in Enschede opzettelijk 424 gram heroïne aanwezig heeft gehad;
feit 3: op 6 februari 2024 in [plaats 2] opzettelijk 5.999 gram cocaïne binnen Nederlands grondgebied heeft gebracht;
feit 4: in de periode van 1 november 2023 tot en met 30 juli 2024 met (onder andere)
[medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft deelgenomen aan een criminele (drugs)organisatie.
Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte], dat:
1.
hij op of omstreeks 30 juli 2024 te [plaats 1], in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk
- binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en/of
- heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of
- in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
1.201 kilogram cocaïne, in elk geval een (zeer grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij op 15 augustus 2024 te Enschede, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 424 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel als bedoeld in de bij de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
hij op of omstreeks 6 februari 2024 te [plaats 2], althans in Nederland, Opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, 5.999 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4.
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2023 tot en met 30 juli 2024 te [plaats 1], althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1],
[medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 3], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet.
Op 3 april 2025 is tussen [verdachte] en het Openbaar Ministerie een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken zijn gemaakt over de strafzaak van [verdachte]. Deze overeenkomst maakt onderdeel uit van het strafdossier. [verdachte] is bij de totstandkoming van de procesafspraken bijgestaan door zijn raadsman. De rechtbank heeft geen bemoeienis gehad met de totstandkoming en de inhoud van de procesafspraken.
De procesafspraken houden, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, in dat
- de verdediging/de verdachte
? geen (inhoudelijke) verweren zal voeren,
? de feiten en kwalificaties zoals tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging vastgesteld niet zal ontkennen,
? geen appel zal instellen, met dien verstande dat het recht om hoger beroep in te stellen behouden blijft wanneer de gevangenisstraf meer dan vier maanden afwijkt van de in het kader van de procesafspraken vermelde gevangenisstraf,
- het Openbaar Ministerie ter zitting zal rekwireren
? tot bewezenverklaring van alle aan [verdachte] ten laste gelegde feiten,
? tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en drie maanden met aftrek van het voorarrest.
De beoordeling van de procesafspraken
Bij de beoordeling van de procesafspraken heeft de rechtbank het door de Hoge Raad ontwikkelde kader als uitgangspunt genomen (HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252).
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de terechtzitting van 9 oktober 2025 zijn de procesafspraken uitgebreid en indringend met [verdachte] besproken in aanwezigheid van zijn raadsman. Daarbij heeft de rechtbank getoetst of [verdachte] vrijwillig aan de gemaakte afspraken heeft meegewerkt, of deze medewerking op basis van voldoende en duidelijke informatie heeft plaatsgevonden, of hij begreep wat deze afspraken inhielden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak zouden hebben. [verdachte] heeft daarnaar gevraagd verklaard dat hij bekend is met de inhoud van de procesafspraken, dat hij heeft begrepen wat de gemaakte afspraken inhouden, wat de gevolgen daarvan zijn en dat deze afspraken op basis van voldoende en duidelijke informatie tot stand zijn gekomen. Hij heeft vrijwillig ingestemd met de afspraken en is bij het hele proces om tot afspraken te komen steeds voorzien geweest van rechtskundige bijstand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat [verdachte] vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken met het Openbaar Ministerie. De rechtbank stelt daarnaast vast dat [verdachte] zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) stelt.
Het voorgaande betekent dat de door het Openbaar Ministerie en [verdachte] gemaakte procesafspraken door de rechtbank kunnen worden beoordeeld. De rechtbank is niet gebonden aan deze afspraken. Bij de inhoudelijke beoordeling of de procesafspraken kunnen worden gevolgd is de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv leidend. Die beantwoording volgt hierna.
Overwegingen
4.1
Inleiding: onderzoek Maïs23
Op 29 november 2023 is in onderzoek Larix23 een cocaïnewasserij aangetroffen in [plaats 3]. Uit de in dit onderzoek verkregen informatie ontstond onder andere het vermoeden dat [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) betrokken zou zijn bij drugshandel. Op 13 december 2023 is door de Dienst Regionale Recherche van de eenheid Oost-Nederland een strafrechtelijk onderzoek onder de naam Maïs23 gestart. Het onderzoek richtte zich op het (in crimineel samenwerkingsverband) invoeren van harddrugs. Stelstelmatige observatie van [medeverdachte 1] leidde naar een loods aan de [adres] in [plaats 1]. Door middel van observaties en interceptie van communicatiemiddelen ontstond het sterke vermoeden dat op 30 juli 2024 een container bij de loods zou worden afgeleverd met daarin een hoeveelheid harddrugs. Nadat op 30 juli 2024 werd gezien dat er een container werd afgeleverd in de loods die kort daarna weer werd opgehaald, vond een instap plaats. De instap in de loods op 30 juli 2024 leidde tot de vondst van 1.201,2 kilogram cocaïne en de aanhoudingen op heterdaad van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]. In de periode na 30 juli 2024 zijn de aanhoudingen verricht van [verdachte] en [medeverdachte 3].
[verdachte] wordt ook verdacht van betrokkenheid bij de invoer van een hoeveelheid cocaïne op 6 februari 2024. Het betrof bijna 6 kilo cocaïne, verstopt in de stelen van rozen. De vracht met daarin de rozen met cocaïne werd onderschept door medewerkers van de Douane op Schiphol, en uit onderzoek bleek dat de lading rozen bestemd was voor [bedrijf 1] B.V., het bedrijf van [verdachte]. Het zaaksdossier van deze verdenking maakt ook onderdeel uit van het onderzoek Maïs23.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, onder verwijzing naar de procesafspraken, geen bewijsverweer gevoerd.
4.4
Het oordeel van de rechtbank en de bewezenverklaring
De rechtbank acht door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring, steunt - en die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met bewijsmiddelen eist in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen - wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 30 juli 2024 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk
- binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en
- heeft afgeleverd, vervoerd en
- opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 1.201 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij op 15 augustus 2024 te Enschede opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 424 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
hij op 6 februari 2024 in Nederland opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.999 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4.
hij in de periode van 1 november 2023 tot en met 30 juli 2024 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 3], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en 10a eerste lid van de Opiumwet.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 10 en 11b van de Opiumwet (OW) en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
de misdrijven:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 4
het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.
Beslissing
- verklaart bewezen dat [verdachte] het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
de misdrijven:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 4
het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezen verklaarde;
- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren en 7 (zeven) maanden;
- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Miltenburg, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en
mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink en mr. E.A.B. Kroeze, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.
Mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.