Strafrecht overig

De rechtbank veroordeelt verdachte voor de misdrijven 194, 323a, 343 en 344a Sr. Verdachte heeft zich als…

Rechtbank Overijssel, 18 juni 2026

Zaakgegevens

Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
18 juni 2026
Datum publicatie
18 juni 2026
Zaaknummer
84.199616.23 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:3456
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt verdachte voor de misdrijven 194, 323a, 343 en 344a Sr.

Verdachte heeft zich als feitelijke leidinggever schuldig gemaakt aan subsidiefraude en - als (feitelijk) bestuurder - zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. NOW en TVL. Schending administratieplicht. Niet verschijnen bij curator.

Strafoplegging taakstraf 240 uren en geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84.199616.23 (P)

Datum vonnis: 18 juni 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats],

wonende aan de [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 juni 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. D.C. van den Heuvel, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 7 april 2020 tot en met heden feitelijke leiding heeft gegeven aan

het door [bedrijf] B.V. (mede)plegen van het opzettelijk en wederrechtelijk

aanwenden van subsidiegelden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn

verstrekt;
feit 2: in de periode van 8 september 2020 tot en met 2 maart 2021 als bestuurder

van [bedrijf] B.V., welke op 2 maart 2021 in staat van faillissement is

verklaard, tezamen en in vereniging meerdere geldbedragen heeft onttrokken aan de boedel, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat hierdoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;

feit 3: in de periode van 3 oktober 2019 tot en met 2 maart 2021 als (feitelijk) bestuurder van [bedrijf] B.V., welke op 2 maart 2021 in staat van faillissement is verklaard, opzettelijk niet heeft voldaan aan de administratie- en bewaarplicht;

feit 4: in de periode van 2 maart 2021 tot en met heden als bestuurder van de met ingang

van 2 maart 2021 failliet verklaarde [bedrijf] B.V., zonder geldige reden

opzettelijk is weggebleven en/of heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

[bedrijf] B.V. op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 april

2020 tot en met heden te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen en/of alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk en wederrechtelijk,

middelen die met een bepaald doel door de overheid zijn verstrekt, te weten

subsidiegelden inzake:

- de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van

werkgelegenheid (publicatie 01-04-2020);

- de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van

werkgelegenheid (publicatie 25-06-2020), en/of

- de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van

werkgelegenheid (publicatie 09-10-2020),

in elk geval subsidiegelden,

heeft aangewend en/of heeft doen aanwenden voor (een) ander(e) doeleinde(n) dan

waarvoor zij zijn/is verstrekt, te weten (het de werkgever tegemoet komen in) de

betaling van de loonkosten, als bedoeld in artikel 3 van genoemde regeling(en),

immers heeft [bedrijf] B.V. telkens (een deel van) de uitgekeerde

subsidiegelden (totaal uitgekeerd 214.616 EUR) aangewend anders dan voor

loonkosten van en/of loonbetalingen aan werknemer(s) van [bedrijf] B.V.,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte telkens

opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedragingen

verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

2

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 8 september 2020 tot en

met 2 maart 2021, te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf] B.V., welke

op 2 maart 2021 door de Rechtbank Amsterdam in staat van faillissement is

verklaard,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen en/of alleen,

voor bovengenoemd faillissement,

- op 2 december 2020 een geldbedrag van (ongeveer) € 17.500, althans een

geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf] B.V. naar

rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [medeverdachte];

- op 2 december 2020 één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van

(ongeveer) € 20.500, althans een geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke

rekening van [bedrijf] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en

[rekeningnummer 3] ten name van [verdachte];

- op 3 december 2020 een geldbedrag van (ongeveer) € 1.250, althans een

geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf] B.V. naar

rekeningnummer [rekeningnummer 3] ten name van [verdachte];

- op 24 december 2020 een geldbedrag van (ongeveer) € 10.000, althans een

geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf] B.V. naar

rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [medeverdachte];

- op 24 december 2020 één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van

(ongeveer) € 13.500, althans een geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke

rekening van [bedrijf] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en

[rekeningnummer 3] ten name van [verdachte];

- op 25 januari 2021 een geldbedrag van (ongeveer) € 10.000, althans een

geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf] B.V. naar

rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [medeverdachte];

- op 25 januari 2021 één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van

(ongeveer) € 11.500, althans een geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke

rekening van [bedrijf] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en

[rekeningnummer 3] ten name van [verdachte];

- op 29 januari 2021 een geldbedrag van (ongeveer) € 10.000, althans een

geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf] B.V. naar

rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [medeverdachte], en/of

- op 29 januari 2021 één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van

(ongeveer) € 13.500, althans een geldbedrag, heeft overgeboekt van de zakelijke

rekening van [bedrijf] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en

[rekeningnummer 3] ten name van [verdachte],

waardoor hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) enig goed aan de boedel

heeft onttrokken,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat hierdoor één of

meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;

3

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 3 oktober 2019 tot en met

2 maart 2021, te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf] B.V., welke

op 2 maart 2021 door de Rechtbank Amsterdam in staat van faillissement is

verklaard,

opzettelijk,

niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke

verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de

daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge

waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt;

4

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 2 maart 2021 tot en met

heden te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

als (feitelijk) bestuurder van de met ingang van 2 maart 2021 failliet verklaarde

rechtspersoon [bedrijf] B.V.,

wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen,

zonder geldige reden opzettelijk is weggebleven en/of heeft geweigerd de vereiste

inlichtingen te geven.

3. De bewijsmotivering

3.1

Inleiding en aanleiding onderzoek

Verdachte (hierna ook [verdachte]) was samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna [medeverdachte]) als volgt gelieerd aan de onderneming [bedrijf] B.V. (hierna [bedrijf]).

[bedrijf] is op 10 februari 2006 opgericht en dreef een restaurant. Met ingang van 3 oktober 2019 tot 3 augustus 2020 was [medeverdachte] de bestuurder van [bedrijf] en vanaf 3 augustus 2020 was [verdachte] de bestuurder van [bedrijf]. [medeverdachte] was (samen met nog een ander persoon) aandeelhouder van [bedrijf] tot 18 december 2020. Vanaf 18 december 2020 was [verdachte] de (enig) aandeelhouder.

[bedrijf] is op 2 maart 2021 failliet verklaard. In dit faillissement werd mr. S.A.L.L. Caris tot curator benoemd.

Op 21 mei 2021 ontving de Opsporingsdienst van de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: ODNLA) een rapport van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) met fraudemeldingen welke betrekking hadden op [bedrijf]. Daarna werd op 9 september 2021 door de curator melding gedaan van faillissementsfraude. De ODNLA heeft vervolgens een strafrechtelijk onderzoek ingesteld onder de naam ‘Sugar Valley’.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd.

3.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

  • de verklaring van verdachte ter zitting van 4 juni 2026;

  • het proces-verbaal van bevindingen ten aanzien van de besteding NOW subsidies van 17 november 2023, pagina’s 159 t/m 164 en genummerd als AMB-002-01;

  • het proces-verbaal van bevindingen ten aanzien van de besteding NOW subsidies van 17 november 2023, pagina’s 165 t/m 169 en genummerd als AMB-003-001;

  • het proces-verbaal van bevindingen benadelen schuldeisers van 17 november 2023, pagina’s 170 t/m 172 en genummerd als AMB-004-01;

  • de melding faillissementsfraude van 9 september 2021 van voornoemde curator Caris, pagina’s 337 t/m 341 en genummerd als DOC-003-07.

De rechtbank heeft ten aanzien van feit 1 de einddatum van de pleegperiode bepaald op 29 januari 2021, zijnde de datum van de laatste onttrekking zoals opgenomen onder feit 2 van de bewezenverklaring. Verder spreekt de rechtbank verdachte onder feit 1 partieel vrij van het tezamen en in vereniging plegen mét de vennootschap, omdat feitelijk leidinggeven aan eigen (mede)plegen niet mogelijk is.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

[bedrijf] B.V. op tijdstippen in de periode van 7 april 2020 tot en met 29 januari 2021 in Nederland, meermalen telkens opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel door de overheid zijn verstrekt, te weten subsidiegelden inzake:

- de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van

werkgelegenheid (publicatie 01-04-2020);

- de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van

werkgelegenheid (publicatie 25-06-2020), en/of

- de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van

werkgelegenheid (publicatie 09-10-2020),

heeft aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, te weten de

betaling van de loonkosten, als bedoeld in artikel 3 van genoemde regelingen,

immers heeft [bedrijf] B.V. telkens een deel van de uitgekeerde

subsidiegelden (totaal uitgekeerd 214.616 EUR) aangewend anders dan voor

loonkosten van en/of loonbetalingen aan werknemers van [bedrijf] B.V.,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen

verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

2

hij op meer tijdstippen in de periode 8 september 2020 tot en met 2 maart 2021 in Nederland

als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf] B.V., welke op 2 maart 2021 door de Rechtbank Amsterdam in staat van faillissement is verklaard,

tezamen en in vereniging met één ander, voor bovengenoemd faillissement,

- op 2 december 2020 een geldbedrag van € 17.500 heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf] B.V. naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [medeverdachte];

- op 2 december 2020 een totaalbedrag van € 20.500 heeft overgeboekt van de zakelijke

rekening van [bedrijf] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en

[rekeningnummer 3] ten name van [verdachte];

- op 3 december 2020 een geldbedrag van € 1.250 heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf] B.V. naar rekeningnummer [rekeningnummer 3] ten name van [verdachte];

- op 24 december 2020 een geldbedrag van € 10.000 heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf] B.V. naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [medeverdachte];

- op 24 december 2020 een totaalbedrag van € 13.500 heeft overgeboekt van de zakelijke

rekening van [bedrijf] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en

[rekeningnummer 3] ten name van [verdachte];

- op 25 januari 2021 een geldbedrag van € 10.000 heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf] B.V. naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [medeverdachte];

- op 25 januari 2021 een totaalbedrag van € 11.500 heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] ten name van [verdachte];

- op 29 januari 2021 een geldbedrag van € 10.000 heeft overgeboekt van de zakelijke rekening van [bedrijf] B.V. naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [medeverdachte], en

- op 29 januari 2021 een totaalbedrag van € 13.500 heeft overgeboekt van de zakelijke

rekening van [bedrijf] B.V. naar rekeningnummers [rekeningnummer 2] en

[rekeningnummer 3] ten name van [verdachte],

waardoor hij, verdachte, en zijn mededader telkens enig goed aan de boedel

heeft onttrokken,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededader telkens wisten dat hierdoor één of

meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;

3

hij op tijdstippen in de periode 3 oktober 2019 tot en met 2 maart 2021 in Nederland

als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf] B.V., welke

op 2 maart 2021 door de Rechtbank Amsterdam in staat van faillissement is

verklaard opzettelijk niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de

daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge

waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt;

4

hij op tijdstippen in de periode 2 maart 2021 tot en met heden in Nederland als bestuurder van de met ingang van 2 maart 2021 failliet verklaarde rechtspersoon [bedrijf] B.V.,

wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk is weggebleven en/of heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 194, 323a, 343 en 344a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel zijn verstrekt, aanwenden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: tezamen en in vereniging met een ander, als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt;

feit 4

het misdrijf: als bestuurder van een failliet verklaarde rechtspersoon, wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk wegblijven en weigeren de vereiste inlichtingen te geven.

5 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6 De op te leggen straf of maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij de strafbepaling rekening te houden met het feit dat verdachte ter zitting openheid van zaken heeft gegeven en verantwoording neemt voor zijn handelen. Gelet hierop en de ouderdom van de feiten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. De raadsman is van mening dat kan worden aangehaakt bij de strafeis van de officier van justitie, maar dat de proeftijd aanzienlijk ingekort dient te worden.

6.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft in jaren 2019 tot en met 2021 zich als feitelijke leidinggever van [bedrijf] schuldig gemaakt aan subsidiefraude en - als (feitelijk) bestuurder - zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude inzake het faillissement van [bedrijf]. Verdachte heeft daarna het werk van de curator in aanzienlijke mate gefrustreerd en bemoeilijkt door niet te voldoen aan de administratieplicht en heeft doelbewust op geen enkele wijze zijn medewerking verleend. Verdachte heeft ter zitting zelfs verklaard administratie bewust te hebben verbrand. Door het handelen van verdachte was het voor de curator niet mogelijk om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen, terwijl het maatschappelijke en economische verkeer verlangt dat faillissementen voortvarend en efficiënt worden afgewikkeld. Daarnaast en daardoor hebben de schuldeisers van [bedrijf] financiële schade geleden.

Met onttrekking van subsidiegelden (in het kader van de NOW en TVL) heeft verdachte misbruik gemaakt van overheidssteun in een financieel onzekere tijd. De NOW-regeling was zodanig ingericht dat, middenin een pandemie waarin veel mensen en bedrijven zich zorgen maakten om hun respectievelijke inkomen en voortbestaan, snel en eenvoudig financiële steun kon worden aangevraagd en verkregen. Controle op de juistheid van de opgegeven gegevens zou daarom pas achteraf plaatsvinden. Van deze laagdrempelige toegang tot financiële ondersteuning hebben de verdachte en zijn mededader misbruik gemaakt. Hierdoor is een groot bedrag aan overheidsgelden verdwenen, wat ten laste van de samenleving is gekomen. Dit alles neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk, temeer nu van hem als bestuurder integer en professioneel handelen mocht worden verwacht.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 7 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte recentelijk is veroordeeld voor andersoortige strafbare feiten.

Gezien het tijdsverloop en de overige omstandigheden acht de rechtbank de eis van de officier alleszins passend en geboden en zij zal daarom overeenkomstig beslissen. De rechtbank ziet geen aanleiding de proeftijd te verkorten. De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met wat zij in de zaak van de medeverdachte bewezen heeft verklaard en welke straf zij daarvoor heeft opgelegd, waarbij de rechtbank als uitgangspunt heeft gehanteerd: gelijke monniken, gelijke kappen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachte en [medeverdachte] een evenredige rol vervuld. Zij hebben allebei een substantiële bijdrage geleverd aan de strafbare gedragingen op basis van een (destijds) vriendschappelijke en zakelijke relatie en hebben een soortgelijk voordeel genoten van de uitgekeerde subsidiegelden.

7 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 51, 57, 63 Sr.

8 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel zijn verstrekt, aanwenden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: tezamen en in vereniging met een ander, als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt;

feit 4

het misdrijf: als bestuurder van een failliet verklaarde rechtspersoon, wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk wegblijven en weigeren de vereiste inlichtingen te geven;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, en mr. R.P. van Campen en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Nederlandse Arbeidsinspectie (ODNLA) met zaaknummer 6640-2023-0084 en onderzoeksnaam Sugar Valley). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Geschriften, zijnde uittreksels van de Kamer van Koophandel van [bedrijf] van 10 november 2021 en 22 maart 2023, genummerd als DOC-002-01 en DOC-002-02, pagina’s 246 t/m 248 en 254 en de aktes aandelen overdracht en levering van aandelen genummerd als DOC-003-11 en DOC-003-12, pagina’s 457, 462 t/m 464. Een geschrift, zijnde het vonnis faillietverklaring van de rechtbank Amsterdam van 2 maart 2021, pagina 344.