Strafrecht overig

De rechtbank veroordeelt een 28-jarige man tot een taakstraf van 90 uren en een gevangenisstraf van 120…

Rechtbank Overijssel, 8 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Almelo
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
08.296886.24 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6484
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 28-jarige man tot een taakstraf van 90 uren en een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 116 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast moet hij het slachtoffer een schadevergoeding van € 850,00 betalen. De verdachte heeft zich als mededader schuldig gemaakt aan afpersing.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.296886.24 (P)

Datum vonnis: 8 oktober 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats],

wonende aan de [adres 1].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 september 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. P.A. Speijdel, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door de benadeelde partij [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring en hetgeen door de benadeelde partij is aangevoerd.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

al dan niet samen met een ander of anderen, (onder bedreiging) met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het afgeven van goederen (primair) dan wel (onder bedreiging) met geweld goederen van [slachtoffer] heeft gestolen (subsidiair).

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 14 september 2024 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] hebben gedwongen tot de afgifte van shag, wiet en/of vloei, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze niet alleen zijn en/of dat ze mensen in [plaats] kennen en/of dat ze een mes en een pistool op zak hebben, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of
- een mes en/of priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [slachtoffer] te tonen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 september 2024 te Enschede, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, shag, wiet en/of vloei, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze niet alleen zijn en/of dat ze mensen in [plaats] kennen en/of dat ze een mes en een pistool op zak hebben, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of
- een mes en/of priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [slachtoffer] te tonen.

3 De bewijsmotivering

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat de ongeloofwaardige aangifte volledig op zichzelf staat en niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Bovendien is het de vraag of de situatie waarover aangever heeft verklaard objectief bezien bedreigend was.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststelling van de feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het behandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) heeft [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) benaderd via een Snapchat-account onder de valse naam ‘[bijnaam 1] ’. Zij heeft een afspraak met hem gemaakt om elkaar op zaterdag 14 september 2024 in [plaats] bij het station te ontmoeten. Een dag voor de ontmoeting, op 13 september 2024, heeft verdachte berichten gestuurd naar [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) met de woorden "ik ga straks nog em na die [slachtoffer]" en "haha em hem pakken". De volgende ochtend zei verdachte dat hij [slachtoffer] in een ‘setup’ wilde gooien. Later die dag heeft [medeverdachte 1] [slachtoffer] opgepikt en meegenomen naar een schoolgebouw aan de [adres 2], waar verdachte en [medeverdachte 2] ook bleken te zijn. Ondertussen werden vanaf het telefoontoestel van verdachte berichten gestuurd naar de telefoon van [medeverdachte 1] met de teksten: "Schatje loop zo deze kant beetje op oke ik en broer wachten hier.", “Kom hier." "Nu.", "Wij wachter achter die school.", "Kom hier heen want dan kan die sws ni weg.”, "Top." "Waar ben je nu.". Bij het schoolgebouw kwamen verdachte en [medeverdachte 2] direct naar [slachtoffer] toe en vroegen zij om geld. Verdachte had een (soort) priem bij zich en liet die aan [slachtoffer] zien. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben onder meer tegen [slachtoffer] gezegd dat zij niet alleen waren, dat zij mensen in [plaats] kennen, dat zij een mes en een pistool op zak hadden. Ook hebben zij in de buiktas van [slachtoffer] gekeken. [slachtoffer] heeft daarop, uit angst en onder dreiging van geweld, zijn shag, wiet en vloei aan verdachte en [medeverdachte 2] gegeven. [medeverdachte 1] heeft ook in de buiktas van [slachtoffer] gekeken en zij zei dat zij de Clipper aansteker uit die tas wilde hebben. Hierop heeft [slachtoffer], nog altijd onder invloed van de dreigende setting, zijn aansteker aan haar gegeven. Verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn na het incident samen weggegaan en [medeverdachte 2] heeft de priem verstopt. Kort na het incident werden verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] door de politie aangehouden. Bij verdachte werden de wiet en shag van [slachtoffer] aangetroffen. [medeverdachte 1] was in het bezit van de aansteker van [slachtoffer].

Bewijsoverwegingen en conclusie

De rechtbank heeft geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer]. De verklaring is vrijwel direct na de gebeurtenissen afgelegd, waarbij ook de emoties die het voorval bij [slachtoffer] teweeg hebben gebracht duidelijk zijn waargenomen. Bovendien vindt de aangifte van [slachtoffer] ten aanzien van de handelingen die zijn gepleegd, de daarbij gebruikte bewoordingen, de betrokkenheid van verdachte en het feit dat [slachtoffer] goederen heeft afgegeven, steun in de verklaringen van [medeverdachte 1].

De rechtbank overweegt daarbij dat er weliswaar verschillen zijn in de verklaringen die [medeverdachte 1] heeft afgelegd, maar in de kern ondersteunen die verklaringen op cruciale onderdelen de verklaring van [slachtoffer] over de feitelijke gang van zaken en in zoverre ook de geloofwaardigheid daarvan. De rechtbank zal die verklaringen dan ook voor het bewijs gebruiken.

Op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde goederen door [slachtoffer] zijn afgegeven, dat daarbij de in de tenlastelegging genoemde woorden zijn gebruikt en dat ook de genoemde priem is gebruikt om dit mogelijk te maken. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] dat dat verdachte [slachtoffer] wilde terugpakken (voor iets wat [slachtoffer] zou hebben gezegd) en sprake was van een ‘setup’, leidt de rechtbank af dat verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vooraf wisten dat mogelijk geweld zou worden gebruikt bij de ontmoeting. Ook had verdachte de dag daarvoor naar [medeverdachte 2] een bericht gestuurd met de strekking dat hij [slachtoffer] zou pakken. De ontkennende verklaring van verdachte met betrekking tot zijn betrokkenheid acht de rechtbank in het licht van het voorgaande niet geloofwaardig.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een gezamenlijk plan en een gezamenlijke uitvoering van de afpersing. Verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren in elkaars nabijheid voorafgaand, gedurende en na het incident, in de volle wetenschap van wat hun bedoeling was, namelijk spullen afhandig maken van [slachtoffer]. Geen van hen heeft zich op enig moment gedistantieerd of geprobeerd de ander tegen te houden. Ook waren zij na het incident in het bezit van de buit. Door betrokken te zijn en te blijven, is naar het oordeel van de rechtbank de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen. Dat mogelijk niet alle afpersingshandelingen door verdachte zelf zijn begaan, is niet vereist om tot een bewezenverklaring te komen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

primair

hij op of omstreeks 14 september 2024 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van shag, wiet en vloei, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze niet alleen zijn en/of dat ze mensen in [plaats] kennen en/of dat ze een mes en een pistool op zak hebben, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of
- een mes en/of priem, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [slachtoffer] te tonen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 317 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6 De op te leggen straf of maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 102 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, en een proeftijd van drie jaar. Verder heeft officier van justitie gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf voor de duur van 30 uur, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 15 dagen hechtenis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat bij een bewezenverklaring een voorwaardelijke gevangenisstraf en eventueel een taakstraf een passende straf is.

6.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De ernst van het feit

Verdachte heeft het initiatief genomen om [slachtoffer] naar het schoolplein te lokken. Hij heeft zich als mededader schuldig gemaakt aan afpersing waarbij het slachtoffer is misleid om naar een stille locatie te komen waar hij volledig was overgeleverd aan zijn berovers. Het slachtoffer zich niet bewust van deze ‘setup’. Onder dreiging van geweld heeft het slachtoffer spullen moeten afgeven, waarbij zelfs een priem werd getoond. Dit moet zeer beangstigend zijn geweest. Verdachte en ook zijn mededaders hebben geen respect getoond voor de geestelijke integriteit en het persoonlijke eigendom van het slachtoffer. Slachtoffers van feiten als deze gaan vaak nog lang gebukt onder de (psychische) gevolgen daarvan, wat in deze zaak ook blijkt uit de door het slachtoffer, een kwetsbare jongen, ter terechtzitting afgelegde verklaring en het verzoek tot schadevergoeding. De rechtbank rekent dit alles ook verdachte zwaar aan.

De persoon van verdachte

Uit het strafblad van verdachte van 21 juli 2026 blijkt dat hij vaker met politie en justitie in aanraking is gekomen, maar niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

In het rapport van de reclassering “terugmelding schorsingstoezicht” van 7 april 2026 wordt onder meer beschreven, zakelijk weergegeven, dat de reclassering op 8 oktober 2025 heeft gerapporteerd ten behoeve van de inhoudelijke zitting, maar dat het advies (ambulant kader) tot op heden niet uitvoerbaar is gebleken. Uit verouderde diagnostiek is naar voren gekomen dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking (LVB), een autisme spectrumstoornis en traumagerelateerde klachten. Het schorsingstoezicht kent een moeizaam verloop en wordt gekenmerkt door het overtreden van de bijzondere voorwaarden, onrust, motivatieproblemen, conflicten en een gebrek aan betrouwbaarheid. De houding van verdachte en het gebrek aan betrouwbaarheid staan een constructieve samenwerking met zowel de betrokken hulpverlening als de reclassering in de weg. Er is door verschillende instanties veel geduld betracht en er zijn verschillende begeleidingsstijlen en benaderingswijzen ingezet om tot een werkalliantie te komen, maar dit heeft tot op heden niet tot gedragsverandering geleid. Verdachte heeft de behandeling bij Trajectum gefrustreerd en blijft soft drugs gebruiken. De recidiverisico’s worden ingeschat als gemiddeld tot hoog. Op alle leefgebieden worden risico’s waargenomen en eerdere beschermende factoren in de vorm van een beschermde woonplek, intensieve ambulante (woon)begeleiding, dagbesteding en enige mate van motivatie zijn alle komen te vervallen. Gelet op de huidige gang van zaken ziet de reclassering geen mogelijkheden om op de korte termijn met voorwaarden en/of toezicht de risico's te beperken.

In het e-mailbericht van de reclassering van 22 september 2026 wordt onder meer beschreven, zakelijk weergegeven, dat de reclassering geen bemoeienis meer heeft met verdachte omdat de casus onuitvoerbaar is gebleken. Naar aanleiding van het rapport van de reclassering “terugmelding schorsingstoezicht” heeft in april 2026 een corrigerend gesprek met de officier van justitie plaatsgevonden. Het gesprek heeft niet tot gedragsverandering geleid. In juli 2026 kreeg de reclassering het verzoek om de casus af te sluiten en is de toezichtopdracht beëindigd. Op 3 september 2026 heeft een eindgesprek met verdachte plaatsgevonden dat niet goed verliep.

De op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte daarvan rekening gehouden met het rapport van de reclassering. Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straf die in soortgelijke zaken doorgaans wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat in beginsel oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en nodig is, gelet op de ernst van het feit.

De rechtbank weegt bij het bepalen van de straf de rol van verdachte en de proceshouding van verdachte in strafverzwarende zin mee. Ondanks de ontkenning van zijn betrokkenheid bij het bewezenverklaarde feit, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat het initiatief bij hem lag. Door te blijven ontkennen heeft hij geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Hierdoor is duidelijk dat verdachte het strafwaardige van zijn handelen niet inziet en daar ook geen afstand van wil nemen. De rechtbank vindt dit zorgelijk, maar realiseert zich dat de persoonlijke problematiek van verdachte daarin een rol kan spelen. Bij de bepaling van de straf houdt de rechtbank ook rekening met het aanzienlijke tijdsverloop sinds het begaan van het feit, waardoor verdachte lange tijd in onzekerheid heeft moeten verkeren over de afdoening van de strafzaak. Gelet op het rapport van de reclassering ziet de rechtbank geen mogelijkheden voor toezicht en/of begeleiding. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte thans in een begeleidingstraject zit van hulpverleningsorganisatie [instelling], waar hij een positieve ontwikkeling laat zien. Een (korte) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals gevorderd door de officier van justitie acht de rechtbank niet passend.

Samengevat geldt dat de ernst van het feit en de proceshouding van verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Om strafbare feiten in de toekomst te voorkomen is van belang dat verdachte een positieve invulling geeft aan zijn leven. Weliswaar heeft hij tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis daarvan geen blijk gegeven, maar nu lijkt er enig zicht op positieve verandering door de inzet van [instelling]. De rechtbank geeft verdachte nog een kans om te laten zien dat hij geen strafbare feiten meer wil plegen. Een voorwaardelijke gevangenisstraf is daarvoor een goed hulpmiddel, omdat verdachte ter zitting heeft gezegd en getoond de gevangenis te vrezen. Dat betekent echter ook dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd die fors hoger is dan die van zijn medeverdachte.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 116 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf (werkstraf) voor de duur van 90 uur, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 45 dagen hechtenis.

7 De schade van benadeelde

7.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. Hij vordert verdachte te veroordelen om € 850,00 aan schadevergoeding te betalen. De schade bestaat uit immateriële schade (zoals pijn of verdriet), met daarbij de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Ook wil [slachtoffer] dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schadevergoeding, kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering wegens het ontbreken van een bijzondere en schriftelijke volmacht van de wettelijke vertegenwoordiger. De benadeelde partij in de gelegenheid stellen om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De raadsman heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de grondslag waarop de gevorderde schade is gebaseerd onvoldoende is onderbouwd en de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De benadeelde partij in de gelegenheid stellen om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, leidt eveneens tot een te grote belasting van deze strafprocedure.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van schending van een formeel vereiste wegens het ontbreken van een bijzondere en schriftelijke volmacht van de wettelijke vertegenwoordiger, zijnde de bewindvoerder. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Naar het oordeel van de rechtbank strekt dit vereiste niet tot bescherming van de verdachte. Dit betekent dat de verdachte zich niet op het ontbreken van een bijzondere en schriftelijke volmacht van de wettelijke vertegenwoordiger kan beroepen om de door hem veroorzaakte schade niet te hoeven vergoeden. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De rechtbank stelt voorop dat de benadeelde partij heeft gesteld dat de psychiater een lichte PTSS heeft vastgesteld, maar dat de benadeelde partij het medisch dossier niet wenst te delen. Het betreft in dit geval echter een ernstig feit, namelijk afpersing van een kwetsbaar slachtoffer, waarvan de kwetsbaarheid bekend is bij verdachten, en waarbij een priem als wapen is gebruikt en met de aanwezigheid van een pistool is gedreigd. Met name door de kwetsbaarheid van het slachtoffer is hij nog steeds doodsbang voor verdachten, gaat hij niet zorgeloos over straat en heeft hij ook ruim een jaar na de feiten nog steeds nachtmerries.

Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Gelet op bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.

6.5

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

7.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 8 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: afpersing, terwijl het feit door twee of meer verenigde personen is gepleegd.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 116 (honderdzestien) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 90 (negentig) uren;

- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 850,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2024) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 8 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. C. Verdoold en

mr. P. de Mos, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.

Buiten staat

Mr. Jordaans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PLO600-2024432219. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 september 2026, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

Op 14 september 2024 was ik in [plaats] bij een schoolgebouw met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Ik word wel “[bijnaam 2]” genoemd.

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 14 september 2024, pagina’s 20 t/m 22, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Op 14 september 2024 had ik een afspraak met een meisje om af te spreken in [plaats]. Op 8 september 2024 zag ik op mijn snap account dat ik werd toegevoegd aan het account van iemand die ik niet kende. Deze account stond op naam van ene [gebruikersnaam]. Daar stond de naam [bijnaam 1] bij. Ik wist niet wie dit was. Deze [bijnaam 1] stuurde afgelopen woensdag een bericht met hoi. Daar is het bij gebleven. Vandaag omstreeks 15:00 uur kreeg ik weer een bericht van deze [bijnaam 1] die mij vroeg om een foto te sturen. Zij stuurde mij toen een foto van zichzelf. Ik herkende haar toen als het meisje van een paar maanden terug die ik had ontmoet bij het station in [plaats]. Zij vroeg mij om af te spreken om elkaar beter te leren kennen. Wij spraken uiteindelijk af om tegen half vijf elkaar te ontmoeten bij het station te [plaats]. Omstreeks 16:30 uur was ik bij het station in [plaats]. Zij stuurde mij een live locatie om te laten zien waar zij was. Ik zag toen dat zij bij het schooltje aan de [adres 2] stond. Ze zei dat daar geen camera's hingen of zo iets. Ik ben toen meegelopen. Ik wist in eerste instantie niet dat er anderen bij zouden zijn. Ik zag bij de school twee mannen staan. Ik herkende eentje van hen als [verdachte] . De tweede man herkende ik ook wel van vroeger, maar ik ken zijn naam niet. Ik hoorde dat die tweede man mij aanriep. Ik hoorde dat hij naar mij riep: "He, kom eens hier". Ik ben toen naar hem toe gelopen. Toen ik dichterbij kwam hoorde ik dat die tweede man zei dat ik [verdachte] neer wilde steken. Vandaag bij de school stond [verdachte] bij die tweede man. Ik hoorde dat beide mannen mij begonnen te bedreigen. Ik hoorde dat ze zeiden: We zijn niet alleen. Ze zouden mensen in [plaats] kennen en dat ze een mes en een pistool op zak hadden. Ik hoorde dat zij vroegen wat ik bij mij had. Zij vroegen mij of ik geld bij mij had. Ik had geen geld bij mij. In mijn buiktasje had ik een zakje weed, een pakje shag, een grinder, een pakje vloei en een aansteker van het merk Clipper. Ik zag dat beide mannen naar mij toe kwamen. Ik zag dat [verdachte] een mes in zijn broeksband had zitten. Deze liet hij zien door zijn trui omhoog te trekken. Hij heeft het mes niet in zijn handen gehad. Beide mannen kwamen dichtbij en vroegen om de weed, de shag en een grinder uit mijn tasje te halen en om dat aan hen te geven. Ik gaf hen de shag, de weed en de vloei. Ik zag dat beide mannen hierna in mijn tas keken. Gedurende dit hele incident voelde ik mij erg bedreigd. Ik had het vermoeden dat zij het mes zouden gebruiken als ik niet mee zou werken. Tijdens de beroving deed het meisje ook mee. Zij heeft namelijk ook in mijn tasje gekeken en zag de Clipper aansteker. Deze wilde zij hebben en heb ik haar gegeven. Ik voelde mij namelijk nog bedreigd en deed wat zij wilden. Daarna hoorde ik dat die twee mannen begonnen te dreigen dat ik beter niets kon doen omdat zij een mes hadden. Ik moest van hen naar huis lopen, recht naar huis. Zij vertelden mij dat zij mij hadden gevolgd. Ik ben ervan overtuigd dat het meisje erbij betrokken was. Zij heeft mij namelijk meteen na onze ontmoeting naar [verdachte] en die andere man gebracht. En zij heeft actief meegedaan aan de beroving van mij.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1], van 15 september 2024, pagina’s 63 t/m 70, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:


V: Wie is [slachtoffer]?

A: (..) [verdachte] wilde [slachtoffer] terugpakken.

A: Ik moest van [verdachte] een ander account maken op Snap. Ik heb toen dat andere account aangemaakt.
V: Wat was de naam van dit account?
A: iets met [afkorting].
V: Wie is [bijnaam 1] ?
A: Deze naam heeft [verdachte] verzonnen.
V: Wie beheert het Snap Chat account [gebruikersnaam]?
A: Hij staat op mijn telefoon. Ik ben de enige die erin kan. Ik heb getypt wat [verdachte] tegen mij zei. Hij gaf mij dus instructies wat ik moest typen.
V: Wie heeft via dit account een afspraak gemaakt met [slachtoffer] ?
A: Ik heb getypt, maar het moest van [verdachte].
V: Hoe kwam jij erbij dat jij zou gaan afspreken met [slachtoffer] bij het station van [plaats]?
A: Ik moest van [verdachte] afspreken bij de basisschool aan de [adres 2] in [plaats].
V: Waarom vroeg jij [slachtoffer] om mee te lopen naar de basisschool aan de [adres 2]?
A: Omdat dat moest van [verdachte]. [verdachte] had ook tegen [slachtoffer] gezegd dat [medeverdachte 2] een vuurwapen had.

4.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1], van 30 september 2024, pagina’s 72 t/m 77, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

A: [verdachte] zei eerst tegen mij of ik die [slachtoffer] kon appen. [verdachte] zei dat hij [slachtoffer] in een setup wilde gooien.

V: Wat deed en zei [medeverdachte 2] tegen [slachtoffer]?

A: Ik zag wel dat [verdachte] en [medeverdachte 2] met z’n tweeën stonden bij [slachtoffer]. Ik zag dat [medeverdachte 2] nog zijn hand op de schouder van [slachtoffer] legde.

V: Wie heeft die priem meegenomen?

A: Wat is een priem?

V: Het soort mes wat is gevonden.

A: Die heeft [verdachte] meegenomen van huis.

V: Heeft [verdachte] deze gebruikt tijdens het voorval?

A: Niet gebruikt, wel laten zien.

V: Zijn jullie met z’n drieën weggefietst?

A: Ja, ik [medeverdachte 2] en [verdachte].

V: Wie had toen die priem in zijn bezit?

A: [verdachte]. En ik heb ook gezien dat [medeverdachte 2] deze heeft verstopt.

5.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], van 17 september 2024, pagina 47, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisant:

Op 17 september 2024 was ik, verbalisant, in dienst voor de recherche van basisteam Enschede en tevens belast met het digitaal onderzoek in het Alcatel toestel dat eigendom is van verdachte [medeverdachte 2]. In de whatsapp op het toestel van verdachte [medeverdachte 2] staat een gesprek dat gevoerd is met verdachte [verdachte] . Dit gesprek is gevoerd op 13 september daarin is te lezen dat verdachte [verdachte] naar verdachte [medeverdachte 2], om 11.16 uur, stuurde; "ik ga straks nog em na die [slachtoffer]" en om 11.17 uur stuurde verdachte [verdachte] naar verdachte [medeverdachte 2]; "haha em hem pakken".

[afbeelding]

6.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], van

14 september 2024, pagina’s 32 t/m 33, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisanten:

Op 14 september 2024 waren wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2], belast met de (noodhulp)surveillance in de gemeente Enschede. Op bovengenoemde dag en datum kregen wij omstreeks 17:00 uur de opdracht van het Operationeel Centrum te gaan naar de [adres 2]. Daar zou melder door twee verdachten onder bedreiging van een mes en een vuurwapen zijn pak shag en wiet hebben moeten afstaan aan de verdachten.

Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2], vervoerden verdachte [medeverdachte 1]. Voor ons bezoek aan het arrestantencomplex bracht zij ons eerst naar de locatie waar het mogelijke mes was verstopt. Wij kwamen uit op de [adres 3] die gelegen was aan de [adres 4]. Wij zagen een priem die achter een boom verstopt lag en in de grond was gestoken.

7.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4], van 14 september 2024, pagina’s 39 t/m 40, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisant:

Op 14 september 2024 was ik, verbalisant [verbalisant 4], in dienst als Officier van Dienst Politie in het Politiedistrict Twente. Omstreeks 16.55 uur die dag kwam er een melding via het OC dat er aan de [adres 2] in [plaats] zojuist iemand overvallen zou zijn. De persoon zou door twee mannen zijn overvallen. Omstreeks 18.00 uur reed ik over de [adres 5]. Toen ik over de kruising [adres 6] met de [adres 5] reed zag ik op de [adres 6] 3 personen fietsen. Ik herkende [verdachte] direct als een van de mannen. Bij [verdachte] werden toen een zakje wiet en een zak shag van het merk Rancho Bloom aangetroffen.

8.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5], van 14 september 2024, pagina 42, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisant:

Ik ben begonnen in de telefoon van verdachte [medeverdachte 1]. In de sms-berichten vond ik een chatgeschiedenis met contact "[bijnaam 2]". In het verhoor van verdachte [verdachte] staat dat hij twee aliassen heeft genaamd "[bijnaam 3]" en "[bijnaam 4]". Ik zag dat de berichten van 14 september waren en begonnen om 16:27 uur. Dit is 25 minuten voordat de melding van de overval is gemeld. De chatgeschiedenis gaat als volgt:

-[bijnaam 2]: "Schatje loop zo deze kant beetje op oke ik en broer wachten hier

-[medeverdachte 1]: "Kom hier." "Nu."

-[bijnaam 2]: "En." "Wij wachter achter die school." "Kom hier heen want dan kan die sws ni weg." (sowieso niet weg)

-[medeverdachte 1]: "Sg." (Is goed)

-[bijnaam 2]: "Top." "Waar ben je nu."

-[medeverdachte 1]: "Terug weg."

-[bijnaam 2]: "Oke.”

-[medeverdachte 1]: "Ik kom naar jullie met hem."