Strafrecht overig
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 uren en een rijontzegging van 6 maanden…
Rechtbank Overijssel, 5 november 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6768 · Rechtbank Overijssel · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbove-2026-6768
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- 08.047362.26 (P)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:6768
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 uren en een rijontzegging van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk.
De verdachte is schuldig bevonden aan een verkeersovertreding, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.047362.26 (P)
Datum vonnis: 5 november 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2002 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. U. Yildirim, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte (primair) een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt als gevolg waarvan zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering is ontstaan bij [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en/of [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]), althans (subsidiair) door zijn rijgedrag gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt, althans (meer subsidiair) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 16 oktober 2025 te Wesepe, gemeente Olst-Wijhe als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Raalterweg/N348, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl op de door hem bereden rijstrook sprake was van filevorming,
- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of
- in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiel elektronisch apparaat (een telefoon) heeft vastgehouden en/of deze telefoon heeft gebruikt en/of bediend en/of
- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met de voor hem uit langzamer rijdende andere voertuigen (personenauto’s merk Volkswagen en Kia) en/of
- (vervolgens) in strijd met artikel 3 van voornoemd reglement niet aan zijn verplichting heeft voldaan om zoveel mogelijk rechts te houden en/of op de weghelft van tegengesteld verkeer is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een ander voertuig (bedrijfsauto, merk Mercedes-Benz met aanhangwagen), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 oktober 2025 te Wesepe, gemeente Olst-Wijhe als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Raalterweg/N348, terwijl op de door hem bereden rijstrook sprake was van filevorming,
- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of
- in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een mobiel elektronisch apparaat (een telefoon) heeft vastgehouden en/of deze telefoon heeft gebruikt en/of bediend en/of
- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met de voor hem uit langzamer rijdende andere voertuigen (personenauto’s merk Volkswagen en Kia) en/of
- (vervolgens) in strijd met artikel 3 van voornoemd reglement niet aan zijn verplichting heeft voldaan om zoveel mogelijk rechts te houden en/of op de weghelft van tegengesteld verkeer is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een ander voertuig (bedrijfsauto, merk Mercedes-Benz met aanhangwagen), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 oktober 2025 te Wesepe, gemeente Olst-Wijhe als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Raalterweg/N348, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met de voor hem uit langzamer rijdende andere voertuigen (personenauto’s merk Volkswagen en Kia).
3 De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en daartoe aangevoerd dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte is te wijten in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), nu hij zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Door het ongeval hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het (meer) subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen.
Het proces-verbaal aanrijding misdrijf van 4 februari 2026, pagina 9-18, voor zover daarin, zakelijk weergegeven, het volgende staat:
Op 16 oktober 2025 reed verdachte als bestuurder van een bedrijfsauto (een Peugeot met kenteken [kenteken 1]) over de Raalterweg (de N348) in de richting van Wesepe. Verdachte reed met zijn voertuig achter de personenauto van [naam 1] (een Volkswagen met kenteken [kenteken 2]) en de personenauto van [naam 2] (een Kia met kenteken [kenteken 3]). Op enig moment remden zowel [naam 1] en [naam 2] af. Verdachte kon zijn voertuig niet op tijd tot stilstand brengen. Hij week uit naar links en kwam in botsing met de linker achterzijde van het voertuig van [naam 1]. Verdachte schampte vervolgens ook de linker achterzijde van het voertuig van [naam 2]. Hierna kwam de auto van verdachte terecht op de linkerrijstrook waar op dat moment [slachtoffer 1] als bestuurder en [slachtoffer 2] als inzittende van een bedrijfsauto met aanhangwagen (een Mercedes-Benz, met kenteken [kenteken 4]) in tegenstelde richting kwamen aangereden. Verdachte kwam in frontale botsing met dit voertuig.
Op maandag 2 februari 2026 heb ik telefonisch contact opgenomen met slachtoffer [slachtoffer 1]. Hij had het probleem, doordat hij ZZP’er is, dat hij na het ongeval tot op heden nog geen inkomen had verworven. Hij was van plan om volgende week weer trachten te gaan werken.
Het proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer 1] van 30 oktober 2025, pagina 31-32, voor zover daarin, zakelijk weergegeven, het volgende staat:
Ik reed die dag met Milo [slachtoffer 2] als bijrijder in een bus van het werk van Wesepe richting Raalte. Ik zag op een gegeven moment dat het verkeer wat uit de richting van Raalte kwam zeer traag reed. Ik zag dat ineens een bus, die vanuit de richting van Raalte kwam gereden, op mijn weghelft kwam te rijden. Dit was op nog geen 50 meter afstand van mijn bus. Wat ik mij nog kan herinneren was, dat ik een ontzettende harde klap hoorde en voelde. Mijn rechtervoet bleek op 3 plaatsen te zijn gebroken. Ik kan er maar 1 uurtje met krukken mee lopen daarna wordt de pijn te veel. Ook heb ik nog veel last van mijn linkerschouder en mijn linkerarm.
Een schriftelijk bescheid, namelijk een brief van de Spoedeisende Hulp Deventer Ziekenhuis van 16 oktober 2025, pagina 38-40, voor zover daarin, zakelijk weergegeven, het volgende staat:
Dhr. [slachtoffer 1] ([geboortedatum 2]-2004) zagen wij op 16-10-2025 op de Spoedeisende Hulp. Reden van komst/ Verwijzing Met ambulance ivm HET auto vs auto 1. Diastase symphysis pubis 2. Subcapitale fractuur metatarsale 2, 3 en 4 rechts. Onderbeengips.
Het proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer 2] van 30 oktober 2025, pagina 44-56, voor zover daarin, zakelijk weergegeven, het volgende staat:
Ik begrijp dat u enige vragen heeft betreffende het verkeersongeval dat plaatsvond op
16 oktober 2025 omstreeks 7.30 uur op de Raalterweg (de N348) te Wesepe. Mijn neus bleek na het ongeval te zijn gebroken. Ik heb nu nog veel hoofdpijn en gebruik daar paracetamol voor. Ik ben gisteren 24-10 nog naar het ziekenhuis geweest. Daar hebben zij mijn neus nog wat recht gezet. Ook heb ik verder nog vele schrammen in mijn gezicht maar dat moet weer goed gaan komen.
Een schriftelijk bescheid, namelijk een brief betreffende medische informatie van 15 januari 2026, pagina 49, voor zover daarin, zakelijk weergegeven, het volgende staat:
Dhr. [slachtoffer 2]. Uitwendig waargenomen letsel glasverwondingen voorhoofd, neus, re wang. Fractuur neus. Geschatte deur van de genezing 8 wk.
Het proces-verbaal van het verhoor van getuige [naam 1] van 17 oktober 2025, pagina 53, voor zover daarin, zakelijk weergegeven, het volgende staat:
Op donderdagochtend 16 oktober 2025, rond 07.30 uur, was ik betrokken bij een aanrijding op de N348 in Wesepe. Ik kwam aangereden vanuit de richting van Raalte en reed richting Deventer op de N348. Ik zag dat er een aantal voertuigen voor mij aan het remmen waren. De alarmverlichting stonden aan van de voertuigen die voor mij reden. Hierdoor remde ik ook. Ik zag in de achteruitkijkspiegel dat het voertuig, dat achter mij reed, niet remde en met hoge snelheid op mij af kwam rijden. Dit was een grijze bus. Deze grijze bus maakte een slingerende beweging. Vervolgens klapte deze grijze bus achter op mijn voertuig. Tijdens de klap had ik mijn alarmverlichting aan. Ik zag dat de filevorming voor mij ontstond en begon daarom met remmen.
De kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing telefoon van 16 oktober 2025, pagina 96, voor zover daarin, zakelijk weergegeven, het volgende staat:
De inbeslaggenomen telefoon is van het slachtoffer wat betrokken is bij het verkeerongeval. Beslagene: [verdachte]. Uniek voorwerp: [code].
Het proces-verbaal van onderzoek aan de telefoon van verdachte van 18 november 2025, pagina 87-93, voor zover daarin, zakelijk weergegeven, het volgende staat:
Goednummer [code]. Op 16 oktober 2025 werd de iPhone bij het Team Digitale Opsporing aangeboden voor onderzoek. Ik zag in de veiliggestelde gegevens dat de iPhone was ontgrendeld en dat het scherm was ingeschakeld van 07:26:21 tot 07:30:01 (de rechtbank begrijpt: op 16 oktober 2025). Gedurende de tijd dat het toestel ontgrendeld was, dus tussen 07:26:21 en 7:30:01, werd het scherm van het toestel 111 keer ingedrukt.
Ik heb de AUL onderzocht op Orientatie van het toestel. Dit betreft de positie waarin het toestel zich bevindt. De iPhone werd in de minuten voorafgaand aan/tot en met de aanrijding dus met regelmaat in een andere positie gebracht.
Bovenstaande laat zien dat zeer korte tijd voor het ongeluk zich de volgende zaken hebben voorgedaan:
-
Applicatie Fiverr wordt gestart (07:26:21)
-
Er word kennelijk geprobeerd een betaling te doen vanuit deze applicatie welke mislukt wat resulteert in een notificatie op het toestel (07:27:04)
-
Vervolgens worden de applicaties Revolut en ABNAmro gestart (07:27:12 respectievelijk 07:27:30)
-
Kennelijk wordt er een bedrag overgeboekt wat resulteert in een notificatie op het toestel (07:27:38)
-
Na het wisselen tussen een aantal applicaties wordt de applicatie Fiverr weer gestart (07:28:59)
-
Er wordt kennelijk opnieuw geprobeerd een betaling te doen vanuit deze applicatie welke nu wel lukt wat resulteert in een notificatie op het toestel (07:29:.06)
-
Vervolgens een melding die kennelijk betrekking heeft op de dienst waarvoor in Fiverr betaald is (07:29:09).
Het aanvullend proces-verbaal van aanvullend onderzoek aan de telefoon van verdachte van 7 april 2026, voor zover daarin, zakelijk weergegeven, het volgende staat:
[Afbeelding]
Ik merk op dat tussen 07:28:50 tot 07:30:01 de applicatie “Fiverr” actief was. Daarnaast kwamen er een tweetal notificaties binnen op het toestel gedurende deze sessie:
[Afbeelding]
Kennelijk waren deze touchevents dus aanrakingen van het scherm teneinde bepaalde acties uit te voeren binnen de applicatie Fiverr.
Bewijsoverweging
Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994
Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde artikel 6 WVW 1994 is allereerst vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Voor schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid en/of onoplettendheid van verdachte. Bij de beoordeling komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in eerdergenoemde zin.
De rechtbank stelt voorop dat verdachte als bestuurder van een bestelbus de verplichting heeft om te anticiperen op komende verkeerssituaties. Dit betekent onder meer dat hij zijn aandacht op de weg moet richten en afleiding moet voorkomen. Uit het onderzoek dat de politie heeft gedaan aan de telefoon van verdachte, blijkt dat verdachte het scherm van zijn telefoon 111 keren heeft aangeraakt een relatief lange periode, te weten in de (bijna) vijf minuten voorafgaand aan het ongeval. Het toestel wisselde in deze periode meermalen van oriëntatie. Dat wil zeggen dat het toestel eerst plat en daarna rechtop werd gehouden, en omgekeerd. Zeventien schermaanrakingen vonden plaats in de laatste minuut voor het ongeval. Ook in deze minuut wisselde het toestel van oriëntatie. In de minuten voor het ongeval werden meerdere betaalapplicaties geopend en in de laatste minuut voor de aanrijding werd door de app Fiverr een betaling ontvangen.
De verklaring van verdachte dat de door zijn telefoon geregistreerde aanrakingen en bewegingen ook zouden kunnen zijn veroorzaakt door schommelingen van de telefoonhouder en het door verdachte opnieuw recht hangen van de telefoonhouder acht de rechtbank niet alleen ongeloofwaardig, maar ook onvoldoende concreet. Verdachte heeft immers niet verklaard dat hij zijn telefoon daadwerkelijk heeft aangeraakt om de telefoonhouder weer recht te hangen. Ook verklaart het schommelen van de telefoonhouder en het eventueel recht hangen van de houder niet dat applicaties zijn geopend, dat betalingen zijn verricht en dat de telefoon meermaals van oriëntatie veranderde. Sterker nog, de veelheid aan schermaanrakingen, het verrichten van betalingen en het (daartoe) openen van betalingsapplicaties duidt juist op een actief gebruik van de telefoon en niet op het recht hangen daarvan in de houder.
De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat verdachte gedurende relatief lange tijd en in elk geval in de periode kort voor de aanrijding zijn telefoon in de hand heeft gehouden en actief heeft bediend. Reeds gezien de veelheid van schermaanrakingen en oriëntatieveranderingen van de telefoon die gedurende die bijna 5 minuten zijn verricht, impliceert dat hij in die periode zijn aandacht niet op de weg had gericht wat het ongeval tot gevolg heeft gehad. Voor dat laatste is van belang dat de laatst geregistreerde oriëntatieverandering van de telefoon plaatvond om 07:30:03 uur, terwijl het ongeval (ook) plaatsvond om 07:30 uur.
Verdachte heeft daardoor niet voortdurend de controle over het door hem bestuurde voertuig gehouden, wat tot gevolg heeft gehad dat hij niet heeft geanticipeerd op het voor hem rijdend verkeer en zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was het voertuig tijdig tot stilstand te brengen.
De rechtbank is van oordeel dat het samenstel van de gedragingen van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam dient te worden aangemerkt.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als gevolg van het ongeval sprake is geweest van tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 16 oktober 2025 te Wesepe, gemeente Olst-Wijhe als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Raalterweg/N348, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl op de door hem bereden rijstrook sprake was van filevorming,
- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of
- in strijd met artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een meen telefoon heeft vastgehouden en/o gebruikt en/of bediend en/of
- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met de voor hem uit langzamer rijdende andere voertuigen en/of
- vervolgens in strijd met artikel 3 van voornoemd reglement niet aan zijn verplichting heeft voldaan om zoveel mogelijk rechts te houden en/of op de weghelft van tegengesteld verkeer is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een ander voertuig
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 6 en 175 WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het strafbare feit zoals vermeld in het dictum van dit vonnis.
5 De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6 De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om verdachte, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, te veroordelen tot een gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren en een geheel voorwaardelijke rijontzegging.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft op 16 oktober 2025 een ernstig verkeerongeval veroorzaakt doordat hij tijdens het rijden langdurig afgeleid was door het bedienen van zijn mobiele telefoon, daarmee niet zijn aandacht op het verkeer heeft gehouden en zijn rijgedrag daarop heeft aangepast. Hierdoor heeft verdachte niet alleen zijn eigen leven, maar ook dat van zijn medeweggebruikers in gevaar gebracht. Dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geen erger letsel hebben opgelopen dan zij hebben gedaan, is bepaald niet de verdienste van verdachte. Wat de lichamelijke gevolgen betreft zijn alle betrokkenen bij het ongeval, inclusief de verdachte zelf waarover hieronder meer, door het oog van de naald gekropen. Duidelijk is dat het vele malen erger had kunnen aflopen. De ravage was enorm. Bij het ongeval zijn uiteindelijk
5, inclusief die van verdachte, voertuigen betrokken en beschadigd geraakt.
Ondanks de omstandigheid dat verdachte slachtoffers heeft benaderd en excuses heeft aangeboden, heeft verdachte ter zitting er geen blijk van gegeven de volledige verantwoordelijkheid voor zijn handelen te nemen. Alhoewel de rechtbank verdachte aan de hand van het politieonderzoek, waaruit de veelheid aan schermaanrakingen, het app-gebruik en de toesteloriëntatie, indringend heeft bevraagd over het telefoongebruik, is verdachte stellig, zonder omhaal en tegen beter weten in blijven herhalen dat hij zich niet kan herinneren dat hij de telefoon in de minuten voor het ongeval actief en veelvuldig heeft gebruikt. De rechtbank acht daardoor kans op herhaling van verkeersgevaarlijk gedrag aanwezig en zal verdachte om die reden een deels voorwaardelijke rijontzetting met een proeftijd van twee jaar opleggen.
De rechtbank houdt er in strafmatigende zin rekening mee dat verdachte zelf door de aanrijding zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Hij heeft een week in het ziekenhuis en aansluitend twee weken in een revalidatiekliniek gelegen. Verdachte heeft nog dagelijks te maken met de fysieke gevolgen van het ongeval.
De op te leggen straffen
Naast de bovenstaande omstandigheden heeft de rechtbank bij de bepaling van de straf ook rekening gehouden met wat in vergelijkbare zaken doorgaans aan straf wordt opgelegd, zoals dat is opgenomen in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van artikel 6 WVW 1994. Daarin wordt onder meer gedifferentieerd naar de mate van schuld en de gevolgen voor het slachtoffer. In dit geval is sprake van aanmerkelijke schuld en geen sprake van zwaar lichamelijk letsel bij de slachtoffers.
De officier van justitie is bij het formuleren van de eis van 120 uren taakstraf uitgegaan van ‘ernstige schuld’. Omdat de rechtbank tot een lagere gradatie van schuld komt, legt zij een lagere straf op dan gevorderd door de officier van justitie. Dit zal tot uitdrukking komen in het op te leggen aantal uren. De rechtbank komt anderzijds wel tot een zwaarderestraf dan de straf die in voornoemde oriëntatiepunten voor ‘aanmerkelijke schuld’ is opgenomen, omdat zij de uitgangspunten genoemd in de oriëntatiepunten niet in verhouding vindt staan tot de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte.
Alles afwegend acht de rechtbank het passend en geboden dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
7 De schade van de benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 9.294,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schadevergoeding bestaat uit de volgende posten:
- contributie voetbal € 163,75;
- eigen risico € 374,51;
- medicatie € 16,80;
- reparatie telefoonscherm € 239,00;
- gemiste werkdagen € 8.500,00.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen het gevorderde eigen risico toewijsbaar is, met wettelijke rente en dat [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 2] ook ten aanzien van het gevorderde eigen risico niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Verdachte zou van de verzekering een overzicht hebben ontvangen waaruit zou blijken dat [slachtoffer 2] al was gecompenseerd voor het eigen risico.
Het oordeel van de rechtbank
Het gedeelte van de vordering dat ziet op het eigen risico is voldoende onderbouwd en namens verdachte niet voldoende gemotiveerd betwist. Verdachte heeft weliswaar naar voren gebracht dat [slachtoffer 2] zijn eigen risico mogelijk reeds vergoed heeft gekregen. Voor zover dat al aan toewijzing van deze post in de weg zou staan, mag van verdachte in het kader van zijn betwisting worden verwacht dat hij zijn stelling nader onderbouwd met stukken, wat hij heeft nagelaten. Die betwisting wordt dan ook gepasseerd.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schadepost in rechtstreeks verband staat met het primair bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe, voor een bedrag van € 374,51, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat het eigen risico in rekening is gebracht, te weten 16 december 2025.
De rechtbank verklaart [slachtoffer 2] ten aanzien van de overige schadeposten niet-ontvankelijk in zijn vordering, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. [slachtoffer 2] krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. [slachtoffer 2] kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Stafrecht (hierna: Sr) opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 3 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8 De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d Sr en artikel 179 WVW 1994.
9 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair: het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
-
veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 80 (tachtig) uren;
-
beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;
-
ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 (zes) maanden;
-
bepaalt dat van deze ontzegging een gedeelte van 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:
-
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. S.M.M. Bordenga en
mr. H.B. de Hek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2026.