Bestuursrecht overig

Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De aanvraag van eiser om compensatie is afgewezen. Naar het oordeel van…

Rechtbank Rotterdam, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
2 november 2026
Zaaknummer
ROT 25/9925
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:15201
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De aanvraag van eiser om compensatie is afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Het recht op kinderopvangtoeslag is met minder dan € 1.500,- per toeslagjaar verlaagd, zodat eiser geen aanspraak kan maken op compensatie wegens hardheid van het wettelijke systeem. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/9925


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: mr. E.S.O. Adomako),

en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Eiser heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Het recht op kinderopvangtoeslag is met minder dan € 1.500,- per toeslagjaar verlaagd, zodat eiser geen aanspraak kan maken op compensatie wegens hardheid van het wettelijke systeem. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Met het besluit van 6 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wht afgewezen.

2.1.

Met het besluit van 3 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het besluit van 6 maart 2023 ongegrond verklaard.

2.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 6 augustus 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het te laat zou zijn ingediend. De rechtbank oordeelt anders. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 3 november 2025. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 15 december 2025. De gemachtigde heeft op 8 december 2025 en dus tijdig beroep ingesteld. Het beroep is ontvankelijk.

4. Eiser betoogt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend. Op 21 november 2018 heeft de Dienst Toeslagen een te laag voorschot op de kinderopvangtoeslag toegekend door uit te gaan van een te laag aantal opvanguren. Pas op 20 april 2023 is het recht op kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld. Eiser moest kinderopvangtoeslag terugbetalen, terwijl de toeslag aan de kinderopvanginstelling was uitgekeerd. Eiser heeft daarom recht op compensatie wegens een te harde toepassing van het wettelijke systeem. Hoewel de terugvordering per toeslagjaar minder dan € 1.500,- bedraagt, moet ook rekening gehouden worden met de verrekeningen van (toegekende) kinderopvangtoeslag met openstaande schulden inzake de huurtoeslag en zorgtoeslag.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie toegekend. Er bestaat geen recht op compensatie als er in een toeslagjaar minder dan € 1.500,- aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500,- is verlaagd. In het toeslagjaar 2018 is het recht op kinderopvangtoeslag van eiser met € 215,- verlaagd en in het toeslagjaar 2019 met € 990,-. Voor de uitleg van eiser, dat bij de drempel van € 1.500,- ook rekening moet worden gehouden met de verrekening van (toegekende) kinderopvangtoeslag met andere toeslagschulden, bestaat geen steun in de wet. De drempel van artikel 2.1, vierde lid, van de Wht, staat in de weg aan toekenning van compensatie wegens hardheid van het wettelijke systeem. Het betoog van eiser daarover kan dus niet slagen.

6. Voor zover eiser bedoeld heeft ook aanspraak te maken op compensatie wegens vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen, geldt dat het dossier geen aanwijzingen bevat voor dergelijk handelen. Er is sprake van reguliere wijzigingen van het recht op kinderopvangtoeslag. Eiser heeft niet toegelicht waaruit het vooringenomen handelen van de Dienst Toeslagen zou hebben bestaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op compensatie.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht. Artikel 2.1, vierde lid, van de Wht. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht.