Bestuursrecht overig
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Beroep niet tijdig beslissen. In zijn algemeenheid neemt de rechtbank…
Rechtbank Rotterdam, 5 november 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:15300 · Rechtbank Rotterdam · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-15300
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/1928
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:15300
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Beroep niet tijdig beslissen. In zijn algemeenheid neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat aanvragen en besluiten met betrekking tot dezelfde regeling samenhangend zijn, ook indien die zien op verschillende toeslagjaren. Onverkorte toepassing van dit uitgangspunt kan echter leiden tot ontzegging van een rechtsingang. Omdat verweerder de toeslagjaren 2012 en 2014 en 2019 niet heeft betrokken bij de integrale beoordeling, moest verweerder voor 21 januari 2022 een besluit nemen over deze jaren. Beroep gegrond.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1928
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer,
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
-
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
-
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond is. Met de besluiten van 17 oktober 2022 is op de aanvraag van eiseres beslist ten aanzien van het toeslagjaar 2013. In bezwaar is gebleken dat de aanvraag om compensatie van eiseres zag op meerdere toeslagen, die in de herbeoordeling niet waren meegenomen. De toeslagjaren 2012 en 2014 tot en met 2019 worden daarom in een aanvullend besluit op bezwaar alsnog beoordeeld. Verweerder geeft in het verweerschrift van 7 april 2026 aan dat dit aanvullende besluit op bezwaar na ongeveer tweeënhalve maand zal volgen. Het voorgaande betekent volgens verweerder echter niet dat niet op de aanvraag van eiseres is beslist. Verweerder verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2025.
3. De rechtbank overweegt als volgt. In zijn algemeenheid neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat aanvragen en besluiten met betrekking tot dezelfde regeling samenhangend zijn, ook indien die zien op verschillende toeslagjaren. Dit betekent echter niet dat nimmer een beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld op een aanvraag nadat is beslist over andere toeslagjaren, omdat onverkorte toepassing van dit uitgangspunt kan leiden tot de ontzegging van een rechtsingang. De uitspraak waar verweerder naar verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak is namelijk niet door de verzetrechter gevolgd.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om compensatie over de toeslagjaren 2012 tot en met 2020 ontvangen op 21 januari 2021. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wht moet verweerder binnen zes maanden, behoudens verdaging, een besluit bekend maken op de aanvraag van eiseres. Verweerder heeft de beslistermijn verdaagd met zes maanden. Dat betekent dat verweerder uiterlijk 21 januari 2022 moest beslissen over de jaren 2012 en 2014 tot en met 2019. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de ingebrekestelling van 23 januari 2026 de beslistermijn was verstreken. Sinds de ontvangst van de ingebrekestelling zijn meer dan twee weken voorbijgegaan. Niet gebleken is dat verweerder alsnog heeft beslist op de nog niet beoordeelde toeslagjaren. Het beroep is daarom gegrond.
5. Eiseres heeft verzocht de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom vast te stellen. Verweerder heeft geen dwangsombeschikking afgegeven. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de verbeurde dwangsom vaststellen op € 1.442,-.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat verweerder in het verweerschrift van 7 april 2026 zelf een termijn heeft genoemd van tweeënhalve maand, waarbinnen het aanvullende besluit (op bezwaar) zou volgen. Die termijn is verstreken, terwijl niet is gebleken dat verweerder het aanvullende besluit al heeft genomen.
7. De rechtbank zal bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijn overschrijdt.De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om een hoger bedrag toe te kennen.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
-
stelt de door verweerder te betalen reeds verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;
-
draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een besluit over compensatie bekend te maken;
-
bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
-
bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres vergoedt;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van A.R. de Groot, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 5 november 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.