Bestuursrecht overig
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Beroep niet tijdig beslissen. Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het…
Rechtbank Rotterdam, 5 november 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:15301 · Rechtbank Rotterdam · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-15301
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/737 en ROT 26/1383
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:15301
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Beroep niet tijdig beslissen. Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het niet-tijdig nemen van besluit op het ‘bezwaar’ tegen de vooraankondiging als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, van de Wht, dat verweerder heeft opgevat als een bezwaar gericht tegen het definitieve compensatiebesluit. Eiseres heeft twee keer een identiek beroepschrift ingediend. Verweerder kan niet meermaals worden opgedragen een besluit te nemen op hetzelfde bezwaar. Het eerste beroep is daarom gegrond.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/737 en ROT 26/1383
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaken tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. M.B. Visser,
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft beroepen ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Overwegingen
-
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaken een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
-
Eiseres heeft zich bij verweerder gemeld voor een herstelmaatregel op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder heeft daarover een beschikking gegeven, waartegen eiseres een bezwaarschrift heeft ingediend.
-
De rechtbank stelt het volgende vast. Eiseres heeft zich op 4 december 2023 gemeld voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Op 8 april 2025 heeft verweerder aan eisers een vooraankondiging (UHT-VCH NCT) gestuurd als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, van de Wht. Op 8 juli 2025 heeft verweerder een (definitief) besluit over compensatie op grond van de Wht bekendgemaakt (UHT-DCHO NCT). Op 14 juli 2025 heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend tegen de vooraankondiging van 8 april 2025 . Het ‘bezwaar’ tegen de vooraankondiging is dus na het definitieve besluit over de compensatie ingediend. Op dat moment was het indienen van een zienswijze tegen de vooraankondiging (waartoe artikel 6.7, tweede lid, van de Wht de mogelijkheid biedt) niet meer mogelijk. De rechtbank leidt uit de inhoud van de verweerschriften af dat verweerder het ‘bezwaar’ van 14 juli 2025 tegen de vooraankondiging heeft opgevat als een bezwaar gericht tegen het besluit met kenmerk UHT-DCHO NCT. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiseres beroepen heeft ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op het bezwaar tegen de definitieve beschikking over compensatie op grond van de Wht.
-
Eiseres heeft op 23 januari 2026 (ROT 26/737) en 12 februari 2026 (ROT 26/1383) identieke beroepschriften ingediend wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. De rechtbank zal eerst het beroep van 23 januari 2026 beoordelen.
In de zaak 26/737 -
Niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft verweerder in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door verweerder zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat verweerder alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
-
Vanwege de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Verweerder moet in beginsel binnen 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit op bezwaar bekendmaken. Het bezwaarschrift is op 14 juli 2025 door verweerder ontvangen. De beslissing is met zes weken verdaagd. Uit het dossier blijkt niet dat het bezwaar wordt voorgelegd aan een adviescommissie. De laatste dag van de wettelijke beslistermijn was 11 november 2025. Verweerder moet binnen 60 weken na die datum alsnog een besluit op bezwaar bekendmaken.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken.
In de zaak 26/1383
10. Omdat de rechtbank het beroep met zaaknummer ROT 26/737 gegrond heeft verklaard, heeft eiseres geen belang meer bij de beoordeling van het beroep met zaaknummer 26/1383. Zoals eerder overwogen, zijn de beroepschriften inhoudelijk identiek aan elkaar. Verweerder kan niet meermaals onder verbeurte van een dwangsom worden opgedragen een besluit te nemen op hetzelfde bezwaar. Het beroep met zaaknummer ROT 26/1383 zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
11. Nu dit beroep niet-ontvankelijk is, bestaat voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
in de zaak ROT 26/737
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
-
draagt verweerder op binnen 60 weken na 11 november 2025 alsnog een besluit bekend te maken op het bezwaar van eiseres;
-
bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
-
bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres vergoedt;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-;
in de zaak ROT 26/1383
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van A.R. de Groot, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 5 november 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.