Bestuursrecht overig
Algemene nabestaandenwet. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB de aanvraag van…
Rechtbank Rotterdam, 4 november 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:15388 · Rechtbank Rotterdam · 4 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-15388
Zaakgegevens
Op 4 november 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Datum publicatie
- 5 november 2026
- Zaaknummer
- ROT 24/7021
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:15388
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Algemene nabestaandenwet. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB de aanvraag van eiser om een nabestaandenuitkering terecht heeft afgewezen, omdat hij niet kan worden aangemerkt als nabestaande. Er was geen sprake van een huwelijk, gezamenlijke huishouding of alimentatieplicht ten tijde van het overlijden.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/7021
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. G.J.C.R. Romet),
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: mr. P. Stahl-de Bruin).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB de aanvraag van eiser om een nabestaandenuitkering terecht heeft afgewezen, omdat hij niet kan worden aangemerkt als nabestaande. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.
De SVB heeft de aanvraag met het primaire besluit van 21 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 juni 2024 op het bezwaar van eiser is de SVB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn zoon, en de gemachtigden van partijen.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser de gelegenheid te bieden een echtscheidingsconvenant over te leggen en de rechtbank te informeren over de stand van zaken in een eerdere, soortgelijke procedure die loopt bij de Centrale Raad van Beroep (de Raad). Daarnaast is de SVB in de gelegenheid gesteld het ingenomen standpunt over het buitenlandse huwelijk nader te onderbouwen.
Op 10 april 2026 heeft de SVB schriftelijk gereageerd. Eiser heeft op 27 mei 2026 een beschikking van deze rechtbank van 11 september 2018 overgelegd en op 9 juli 2026 een schriftelijke reactie ingediend.
Nadat geen van partijen heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek op 19 oktober 2026 gesloten.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is op [datum 1] getrouwd met [echtgenote eiser] ( [echtgenote eiser] ). Zij is op [datum 2] overleden. Eiser heeft op 9 februari 2026 voor de derde keer een aanvraag voor een nabestaandenuitkering ingediend. Met het primaire besluit heeft de SVB deze aanvraag afgewezen.
4. Met het bestreden besluit heeft de SVB het primaire besluit gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft de SVB ten grondslag gelegd dat de SVB van de gemeente bericht heeft gekregen dat het huwelijk tussen eiser en [echtgenote eiser] op [datum 3] door echtscheiding is ontbonden. Omdat eiser niet met [echtgenote eiser] gehuwd was en volgens de SVB ook niet met haar samenwoonde, zou eiser alleen recht hebben op een nabestaandenuitkering als hij recht had op alimentatie. Volgens de SVB zijn hierover geen gegevens aangeleverd en dus heeft eiser geen recht op een nabestaandenuitkering.
Beoordeling door de rechtbank
5. Een nabestaande heeft recht op een Anw-uitkering als de overledene op de dag van zijn overlijden (verplicht of vrijwillig) verzekerd was op grond van de Anw. Als nabestaande wordt verstaan: de echtgenoot van degene, die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van de Anw. Als gehuwd of als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Als nabestaande wordt eveneens verstaan de gewezen echtgenoot van een overleden verzekerde indien het huwelijk anders dan door de dood is ontbonden en de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden verplicht is levensonderhoud te verschaffen aan de gewezen echtgenoot.
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij aangemerkt moet worden als een nabestaande in de zin van de Anw. Volgens eiser was op het moment van het overlijden van [echtgenote eiser] sprake van een gezamenlijk huishouden. Eiser had zijn hoofdverblijf in dezelfde woning als [echtgenote eiser] , zij zijn per [datum 1] getrouwd geweest en uit hun relatie zijn twee kinderen geboren die eiser heeft erkend. Daarnaast kan een gezamenlijke huishouding volgens eiser ook aangenomen worden vanwege de omstandigheid dat wordt voldaan aan het hoofdverblijfcriterium en het wederzijdse zorgcriterium. Volgens eiser doet de omstandigheid dat hij en [echtgenote eiser] op afzonderlijke adressen ingeschreven stonden hier niet aan af. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat hij als nabestaande kan worden aangemerkt omdat het huwelijk tussen hem en [echtgenote eiser] met een echtscheiding geëindigd is en [echtgenote eiser] op grond van het echtscheidingsconvenant een onderhoudsverplichting richting hem had. Tot slot voert eiser aan dat hij en [echtgenote eiser] in ieder geval voor de Turkse wet nog met elkaar getrouwd waren ten tijde van haar overlijden. De SVB heeft nagelaten hier nader onderzoek naar te doen.
Huwelijk
7. De rechtbank is van oordeel dat de SVB op basis van de gegevens verstrekt door de gemeente ervan uit heeft mogen gaan dat eiser en [echtgenote eiser] op [datum 3] zijn gescheiden voor de Nederlandse wet. Uit de door eiser overgelegde beschikking van deze rechtbank van 11 september 2019 blijkt ook dat de echtscheiding tussen eiser en [echtgenote eiser] door de rechtbank is uitgesproken. Op de dag van het overlijden van [echtgenote eiser] was eiser dus niet met haar gehuwd. Het al dan niet verwerken van de echtscheiding in de registers in Turkije is volgens de rechtbank niet relevant voor de onderhavige beoordeling en de SVB heeft hierin dan ook geen aanleiding hoeven zien voor nader onderzoek.
Hoofdverblijf
8. In het geval van eiser zou een recht op een nabestaandenuitkering bestaan indien hij en [echtgenote eiser] hoofdverblijf hadden in dezelfde woning op het moment van het overlijden van [echtgenote eiser] . Omdat het hier om een aanvraagsituatie gaat, rust de bewijslast op eiser. Dit betekent dat hij aannemelijk moet maken dat hij op het moment van overlijden zijn hoofdverblijf had op het adres van [echtgenote eiser] . Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet aan de hand van concrete feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Als aannemelijk is dat eiser en [echtgenote eiser] op hetzelfde adres hun hoofdverblijf hadden, maakt het niet uit dat zij ingeschreven staan op verschillende adressen.
Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij op het adres van [echtgenote eiser] zijn hoofdverblijf had, gewezen op verklaringen van buren. Ook heeft eiser rekeningafschriften overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij onder andere boodschappen en eten heeft gekocht binnen een straal van vijf kilometer van het adres van [echtgenote eiser] en bestellingen heeft laten leveren op het adres van [echtgenote eiser] . Verder heeft eiser aangevoerd dat hij en [echtgenote eiser] dezelfde huisarts hebben.
De SVB heeft terecht gewezen op de omstandigheid dat het adres waar eiser ingeschreven stond op zes minuten fietsen van het adres van [echtgenote eiser] ligt. Om die reden zijn de door eiser overgelegde rekeningafschriften en bewijzen van bestellingen en het feit dat eiser en [echtgenote eiser] dezelfde huisarts hadden dus onvoldoende om aannemelijk te maken dat eiser en [echtgenote eiser] op hetzelfde adres woonden. Ook heeft de SVB gewezen op concrete aanwijzingen dat eiser en [echtgenote eiser] niet hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden. Zo acht de rechtbank het naast de inschrijving op verschillende adressen ook van belang dat [echtgenote eiser] een bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder ontving en dat eiser een bijstandsuitkering voor een kostendeler ontving omdat hij bij zijn ouders zou wonen. De door eiser overgelegde verklaringen van buren maken dit niet anders. Gelet op alle feiten en omstandigheden heeft de SVB terecht geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had in de woning van [echtgenote eiser] .
Alimentatie
9. Nu vaststaat dat eiser ten tijde van het overlijden van [echtgenote eiser] niet met haar gehuwd was en ook geen gezamenlijke huishouding met haar voerde, kan nog enkel sprake zijn van een recht op een nabestaandenuitkering als eiser recht had op alimentatie. De rechtbank constateert dat niet is gebleken dat eiser onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden van [echtgenote eiser] op grond van een rechterlijke uitspraak, een notarieel verleden overeenkomst of een mede door een advocaat ondertekende akte recht had op alimentatie van [echtgenote eiser] . De door eiser overgelegde beschikking van de rechtbank van 11 september 2018 is daarvoor onvoldoende. Hieruit blijkt immers niet dat een alimentatieregeling is overeengekomen. Weliswaar blijkt uit een brief van de gemeente van 11 januari 2021 dat [echtgenote eiser] onderhoudsplichtig was voor eiser, hierin staat echter ook dat [echtgenote eiser] de onderhoudsbijdrage vooralsnog niet hoefde te betalen omdat de uitkering die zij ontvangt daarvoor te laag is. Hieruit blijkt dus niet dat eiser op het moment van overlijden van [echtgenote eiser] recht had op alimentatie. De stelling van eiser dat de onderhoudsplicht bestond en dat vervolgens niet uitmaakt of er wel of niet betaald werd, volgt de rechtbank niet. Uit de wetsgeschiedenis volgt namelijk dat ten tijde van het overlijden sprake moet zijn geweest van economische afhankelijkheid. Nu niet is gebleken dat [echtgenote eiser] heeft moeten voldoen aan de onderhoudsplicht, is ook geen sprake geweest van een economische afhankelijkheid tussen [echtgenote eiser] en eiser op het moment van overlijden.
10. Gelet op het voorgaande heeft de SVB de aanvraag van eiser om een nabestaandenuitkering terecht afgewezen, omdat hij niet kan worden aangemerkt als nabestaande van [echtgenote eiser] .
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.