Bestuursrecht overig

Eiseres is medepleger van de door de onderneming begane overtreding van artikel 2:96 van de Wft (verlenen van…

Rechtbank Rotterdam, 31 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 31 augustus 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
31 augustus 2026
Datum publicatie
7 november 2026
Zaaknummer
ROT 24/11706
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:15568
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eiseres is medepleger van de door de onderneming begane overtreding van artikel 2:96 van de Wft (verlenen van beleggingsdiensten in Nederland zonder de daartoe benodigde vergunning van de AFM). De rechtbank heeft het boetebedrag gematigd vanwege bijzondere omstandigheden gelegen in de opstelling van eiseres na het verdwijnen van de onderneming, de evenredigheid in het algemeen en overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/11706


uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

gemachtigden: mr. G.P. Roth, mr. L.B.G. Hillen en mr. M.H. Kok,

en

Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (AFM)

gemachtigden: mr. A.J. de Heer, mr. R. den Boer en mr. W.J. Poot.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de AFM eiseres in de periode van 29 oktober 2019 tot 29 oktober 2021 terecht als medepleger heeft gekwalificeerd van de door [de onderneming] ( [de onderneming] ) begane overtreding van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Eiseres heeft het standpunt van de AFM betwist en hiertegen beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden heeft de rechtbank het beroep beoordeeld.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat tussen [de onderneming] en eiseres sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking bij het in strijd met artikel 2:96 van de Wft verlenen van beleggingsdiensten in Nederland zonder de daartoe benodigde vergunning van de AFM. De bijdrage van eiseres is van voldoende gewicht geweest om van medeplegen van overtreding van dit artikellid te spreken. Eiseres krijgt dus geen gelijk.

Wel heeft de rechtbank aanleiding gezien het boetebedrag te matigen vanwege bijzondere omstandigheden gelegen in de opstelling van eiseres na het verdwijnen van [de onderneming] , de evenredigheid in het algemeen en de overschrijding van de redelijke termijn.. Daarom is het beroep gegrond en is het boetebedrag gematigd tot € 142.500,-.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.

Eerst komt het procesverloop in deze zaak aan de orde, dan de feiten en totstandkoming van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt daarna. Aan het eind van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. De AFM heeft bij besluit van 4 juni 2024 (het boetebesluit) aan eiseres een bestuurlijke boete van € 195.000,- opgelegd wegens het medeplegen van overtreding van artikel 2:96 van de Wft door [de onderneming] en besloten tot openbaarmaking van het boetebesluit (het publicatiebesluit).

3. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

4. Bij uitspraak van 27 september 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (in de zaak met nummer ROT 24/5704) het publicatiebesluit geschorst.

5. Bij besluit op bezwaar van 12 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de AFM het boetebesluit gehandhaafd, onder aanvulling van de motivering.

6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

7. De AFM heeft op 4 juni 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

8. Op 6 juni 2025 heeft de rechter-commissaris beslist dat het verzoek van 19 maart 2025 van de AFM tot beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van een aantal bij de rechtbank ingediende dossierstukken gerechtvaardigd is.

Op 11 juni 2025 heeft eiseres toestemming gegeven dat de rechtbank mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van die stukken uitspraak doet.

9. Op 25 februari 2026 heeft de rechtbank eiseres bericht dat zij naar aanleiding van het verzoek van eiseres daartoe naar haar voorlopig oordeel geen aanleiding ziet om de AFM opdracht te geven aanvullende stukken te laten overleggen.

10. De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 met gesloten deuren op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden mr. Roth en

mr. Hillen. De AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Tevens zijn namens haar verschenen: [naam 1] , [naam 2] ,

[naam 3] en [naam 4] , allen werkzaam bij de AFM.

Feiten en totstandkoming van het bestreden besluit

Achtergrond [de onderneming] en de aan haar tegengeworpen overtreding

11. [de onderneming] was een vennootschap, die gebruik maakte van de website [naam website onderneming] . Volgens haar website was [de onderneming] gevestigd op Saint Vincent en de Grenadines en was haar (post)adres op de Marshalleilanden.
[de onderneming] bood aan (potentiële) beleggers een beleggingsrekening (een zogenoemde ‘managed account’) aan. Een ‘managed account’ kon bij [de onderneming] worden geopend na het ondertekenen door de (potentiële) belegger van een ‘Client Trading Agreement’. Na het openen van een ‘managed account’ kon de belegger op die rekening een geldbedrag met een minimum van € 10.000,- storten. Met het ingelegde vermogen werd door [de onderneming] automatisch belegd in valutaderivaten op de Forex-markt. De belegger kon via een inlogcode de door [de onderneming] met behulp van een zogenoemde Forex-robot uitgevoerde transacties inzien op het platform MetaTrader4 (MT4). Beleggers moesten hun inleg minimaal een jaar laten staan en/of werden ontmoedigd opnames te doen. Winsten konden slechts onder voorwaarden worden opgenomen.

11.1.

[de onderneming] zou als volgt werkzaam zijn geweest. [de onderneming] detecteerde met behulp van een zelfontwikkeld algoritme, de Forex-robot (of Expert Advisor), arbitrage-mogelijkheden. Deze Forex-robot nam gelijktijdig voor alle ‘managed accounts’ een (naar rato gelijke) positie in als zo’n mogelijkheid werd gedetecteerd. Deze strategie was gericht op het benutten van prijsverschillen in de koers van vreemde valutaparen. Posities stonden daarbij kortstondig open, het zogenoemde High Frequency Trading (HFT). Na van een koersschommeling te hebben geprofiteerd, werd het koersverschil bijgeschreven op de ‘managed accounts’ van de beleggers in de valuta die daarop werd aangehouden (Euro).
De onderliggende vreemde valuta (doorgaans Britse pond of Japanse Yen) werden nooit fysiek geleverd. [de onderneming] maakte gebruik van een hefboom (van maximaal 1:200) bij haar beleggingen.

11.2.

[de onderneming] maakte in de uitoefening van haar bedrijfsmodel gebruik van een ‘affiliate’ programma, waarbij Nederlandse agenten (‘agents’) Nederlandse beleggers introduceerden en aanbrachten bij [de onderneming] . Deze ‘agents’ (ook wel ‘affiliates’ of ‘introducing brokers’ genoemd) gebruikten hun eigen netwerk of marketing kanalen om nieuwe beleggers aan te trekken en deze beleggers ertoe te bewegen zich te registreren en vermogen over te maken naar [de onderneming] , zodat [de onderneming] met dat vermogen kon handelen.
De afspraken, rechten en verplichtingen tussen [de onderneming] en deze ‘agents’ werden beschreven op de website van [de onderneming] , maar ook in een ‘Introducing Broker Agreement’ en in correspondentie tussen deze ‘agents’ en de contactpersoon van [de onderneming] in Nederland.
Deze contactpersoon noemde zichzelf [naam contacpersoon] (hierna: [naam contactpersoon] ).

11.3.

Uit deze afspraken, rechten en verplichtingen tussen [de onderneming] en deze ‘agents’ kan worden afgeleid dat de werkzaamheden en acties van deze ‘agents’ bestonden uit 1) het promoten van de diensten van [de onderneming] , 2) het ondernemen van actie om potentiële beleggers te werven teneinde een provisie van [de onderneming] te ontvangen, 3) het vermelden van een zogenoemde ‘referral link’ (een hyperlink bijvoorbeeld op de website van de ‘agent’ of in een e-mailbericht van de ‘agent’ aan de potentiële belegger, hierna: de aanmeld-link) waarmee beleggers zich bij [de onderneming] konden aanmelden om een ‘managed’ account te openen en 4) het zich maximaal inspannen om beleggers te werven en te adviseren bij het inleggen van vermogen.

11.4.

[de onderneming] hanteerde een provisiestructuur, die tot gevolg had dat ‘agents’ er belang bij hadden dat de beleggers die zij bij [de onderneming] aanbrachten zoveel mogelijk vermogen zouden inleggen. De ‘agent’ ontving 10% van de inleg van de door hem/haar aangebrachte belegger en ongeveer 10 tot 15% van de beleggingswinst van deze belegger.

11.5.

Het bedrijfsmodel van [de onderneming] was er op gericht dat potentiële (Nederlandse) beleggers zich via een Nederlandse ‘agent’ onder gunstiger voorwaarden konden aanmelden op de website van [de onderneming] . Zo betaalden beleggers, als zij via een ‘agent’ instapten, een performance fee van 30% in plaats van 40% over het rendement dat zij op hun inleg behaalden. Nieuwe beleggers ontvingen na hun aanmelding bij [de onderneming] , al dan niet via een ‘agent’, een e-mailbericht van [naam contactpersoon] namens [de onderneming] met verdere instructies om de registratie bij [de onderneming] af te ronden. Nadat een belegger een ‘managed account’ bij [de onderneming] had geopend, bleef de ‘agent’ betrokken en beschikbaar om vragen te beantwoorden en te assisteren in het geval zich een probleem voordeed. Ook deelde de ‘agent’ op verzoek van [de onderneming] zogenoemde ‘credit promotions’, waardoor een belegger werd bewogen extra vermogen in te leggen.

11.6.

De ‘agents’ beschikten over een zogenoemd ‘commission account’ bij [de onderneming] waarop de door hen behaalde provisies werden gestort.
Zo ontvingen de ‘agents’ bij het aanbrengen van een nieuwe Nederlandse belegger steeds 10% van de inleg aan provisie bij [de onderneming] . Daarnaast ontving een ‘agent’, nadat deze beleggers vermogen hadden ingebracht, doorlopend de helft van de performance fee die de beleggers over de behaalde winst moesten betalen. Dus zowel [de onderneming] als de ‘agent’ kregen ieder 50% van de performance fee.
Ook ontving de ‘agent’ gedurende de dienstverlening aan deze beleggers additionele vergoedingen, bijvoorbeeld voor aanmeldingen van nieuwe beleggers die werden aangebracht door deze beleggers. die op hun beurt als ‘agent’ waren opgetreden. Dit waren de zogenoemde circle 2- of circle 3-vergoedingen. Bij een circle 2-vergoeding ontving een ‘agent’ standaard 2,5% van het vermogen dat de nieuwe beleggers inbrachten als aanbreng-vergoeding en vervolgens doorlopend 10% van de performance fee. Bij een circle 3- vergoeding ontving de ‘agent’ 1% als aanbrengvergoeding en geen percentage van de performance fee.

11.7.

Sinds 29 oktober 2021 is [de onderneming] en ook de contactpersoon [naam contactpersoon] onbereikbaar, is de website van [de onderneming] offline en is MT4 is niet langer toegankelijk voor beleggers die vermogen op hun beleggingsrekening (‘managed account’) bij [de onderneming] hadden gestort, waardoor beleggers het door hen aan [de onderneming] toevertrouwde vermogen kwijt zijn.

11.8

De AFM heeft het vorenstaande gereconstrueerd uit de gesprekken met verschillende ‘financiële influencers’ (finfluencers) vanaf september 2021, het nadere onderzoek dat zij naar [de onderneming] heeft verricht en de door ‘agents’ aan haar verstrekte gegevens. Een en ander is verder uitgewerkt in het door haar opgestelde Onderzoeksrapport van 7 augustus 2023.

11.9.

Of [de onderneming] daadwerkelijk beleggingsdiensten heeft verricht met het door haar beheerde vermogen van de beleggers die dit vermogen aan haar hadden toevertrouwd, kan overigens niet met zekerheid door de AFM worden vastgesteld omdat [de onderneming] op 29 oktober 2021 is verdwenen en geheel ‘off-line’ is gegaan.

Achtergrond eiseres

12. Eiseres is vanaf maart 2020 eigenaar van de eenmanszaak [naam zaak] . Onder deze naam beheert zij een website met een online platform (blog) en biedt zij coaching en een online leeromgeving aan gericht op [onderwerp] . Op de website wordt gelinkt naar Instagram (waaronder ook het account ‘[naam account 1]’ en ‘[naam account 2]’), Facebook, LinkedIn, podcasts en Youtube. Via deze sociale media kanalen liet eiseres zich uit over het onderwerp ‘ [onderwerp] ’ en deelde zij haar ervaringen met beleggingsvormen. Op 23 november 2022 bracht zij haar boek “ [naam boek] ” op de markt.

Eiseres is via een vriendin in contact gekomen met [de onderneming] . Zij nam contact op met iemand, waarvan zij wist dat hij al heel lang investeerde in [de onderneming] en die in haar ogen een expertstatus had. Via hem opende zij in augustus 2019 een beleggingsrekening (‘managed account’) bij [de onderneming] , waarop zij enkele stortingen deed. Zij heeft in oktober 2019 een ‘affiliate’ link (de aanmeld-link) aangevraagd bij [de onderneming] en vervolgens een ‘commission account’ ontvangen. Haar doel was om in eerste instantie familie en vrienden door te verwijzen naar [de onderneming] .
Op haar website en andere sociale media kanalen verstrekte zij informatie over [de onderneming] en de Forex-markt. Ook plaatste zij de aanmeld-link van [de onderneming] op de door haar beheerde sociale media kanalen. Uit de door haar aan de AFM ter beschikking gestelde documenten blijkt dat eiseres een provisievergoeding kreeg op haar ‘commission account’ als een nieuwe belegger via haar aanmeld-link een ‘managed account’ bij [de onderneming] opende en daarop geld stortte.
Op 14 februari 2020 heeft zij, naar eigen zeggen, [naam contactpersoon] in Nederland ontmoet.

12.2.

Nadat [de onderneming] offline is gegaan, heeft eiseres met een aantal andere ‘agents’ op 29 oktober 2021 een e-mail gestuurd aan beleggers van [de onderneming] waarin zij hen informeerden over het offline gaan van [de onderneming] en de te nemen vervolgstappen. Ze hebben een onderzoeksbureau ingeschakeld die de potentiële locatie van [naam contactpersoon] heeft achterhaald en hebben een Telegramgroep opgericht, waaraan ongeveer 220 Nederlandse gedupeerden deelnamen.

Aanleiding onderzoek

13. Tussen 26 maart 2019 en 2 februari 2021 ontving de AFM drie signalen over [de onderneming] . Vanwege het hoge aantal meldingen over partijen die mogelijk zonder vergunning actief zijn in Nederland in het algemeen, de beperkte toezichtcapaciteit van de AFM, risico-gestuurde prioritering en onvoldoende onderbouwing van deze drie signalen zag de AFM niet direct aanleiding tot individueel onderzoek naar [de onderneming] . Wel heeft de opkomst van zogenoemde ‘finfluencers’, signalen over promotie op sociale media en diverse mediapublicaties over finfluencers de AFM in 2021 aanleiding gegeven een thematisch onderzoeksproject te starten naar beleggingsaanbevelingen, -advies en trainingen door finfluencers. De AFM voerde in het kader van dit project gesprekken met enkele finfluencers. Tijdens zo’n gesprek met eiseres op 10 september 2021 werd de AFM bekend met de provisiestructuur en de (hoogte van) provisies van [de onderneming] die de tussenpersonen (‘agents’) betaald kregen. Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoeksproject en vermoedens van illegaliteit die verband hielden met het bedrijfsmodel en de provisiestructuur van [de onderneming] heeft de AFM op 11 oktober 2021 besloten tot nader onderzoek gericht op [de onderneming] .

13.1.

Nadat beleggers vanaf 29 oktober 2021 niet langer toegang tot hun beleggings-account konden krijgen en [de onderneming] ook anderszins niet te bereiken was, zijn er veel meldingen bij de AFM gedaan door beleggers die hun geld verloren waren. Op 25 november 2021 heeft de AFM een openbare waarschuwing gepubliceerd tegen [de onderneming] . Daarna volgden meerdere aangiftes tegen en meldingen over [de onderneming] . Naar aanleiding daarvan heeft de AFM besloten om nader onderzoek te doen naar de rol van de tussenpersonen bij [de onderneming] . Dit onderzoek is in juni 2022 gestart.

Procedure

14. Vanaf 11 augustus 2022 heeft de AFM meerdere informatieverzoeken gedaan bij eiseres, waarop zij in verschillende brieven heeft gereageerd. Eiseres heeft de door de AFM gevraagde documenten overgelegd, alsmede de door de AFM opgevraagde bankafschriften. Op 24 november 2022 heeft eiseres, in aanwezigheid van haar gemachtigde, een gesprek bij de AFM gehad. Hierbij werd de cautie gegeven.

14.1.

Op 7 augustus 2023 heeft de AFM een onderzoeksrapport opgesteld.
Na bij brief van 30 augustus 2023 een voornemen tot boeteoplegging kenbaar te hebben gemaakt en kennis te hebben genomen van de zienswijze van eiseres daarop, heeft de AFM de bestuurlijke boete opgelegd. De AFM stelt dat [de onderneming] in de periode van 28 juni 2016 tot 29 oktober 2021 artikel 2:96 van de Wft heeft overtreden, omdat zij zonder vergunning van de AFM in Nederland individuele vermogens heeft beheerd (naar eigen zeggen of vermoedelijk) ter belegging in financiële instrumenten, meer specifiek valutaderivaten (contracts for differences, CFD’s). De AFM heeft eiseres tegengeworpen dat zij van 29 oktober 2019 tot 29 oktober 2021 de overtreding door [de onderneming] heeft medegepleegd.
De AFM heeft met besluit van 12 november 2024 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

15. De rechtbank beperkt zich zo veel mogelijk tot het beoordelen van de kern van de gronden en argumenten die eiseres naar voren heeft gebracht. Volgens vaste rechtspraak hoeft de bestuursrechter niet op alle aangevoerde gronden en argumenten in te gaan, maar kan hij zich beperken tot de kern daarvan.

16. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Overtreding [de onderneming]

17. Eiseres betoogt dat [de onderneming] geen vergunning nodig had en dat artikel 2:96, eerste lid, van de Wft niet is overtreden door [de onderneming] . De AFM was daarom niet bevoegd een bestuurlijke boete aan eiseres op te leggen.

18. Volgens artikel 2:96, eerste lid, van de Wft is het verboden in Nederland zonder een daartoe door de AFM verleende vergunning – voor zover hier relevant – beleggings-diensten te verlenen.

Vermogensbeheer in Nederland

19. Eiseres stelt dat er geen sprake is geweest van een overtreding van artikel 2:96 van de Wft door [de onderneming] , omdat [de onderneming] geen beleggingsdiensten heeft verleend en niet heeft gehandeld in financiële instrumenten, zodat niet is voldaan aan de definitie van artikel 1:1 van de Wft met betrekking tot beheren van individueel vermogen.
Volgens eiseres heeft de AFM niet aangetoond dat er daadwerkelijk vermogen is beheerd door [de onderneming] , nu niet is gebleken dat er daadwerkelijke beleggingsdiensten plaatsvonden. Eiseres heeft daarbij gewezen op een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 december 2020.

20. De AFM heeft aan haar besluitvorming ten grondslag gelegd dat [de onderneming] beleggingsdiensten verleende door het beheren van individueel vermogen als bedoeld in de definitie van artikel 1:1 van de Wft.
De definitie van ‘het beheren van een individueel vermogen’ in de zin van dit artikel luidt als volgt: ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf (…) op discretionaire basis voeren van het beheer over financiële instrumenten die toebehoren aan een persoon dan wel over aan deze persoon toebehorende middelen ter belegging in financiële instrumenten op grond van een door deze persoon gegeven opdracht’.

20.1.

De AFM heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van vermogensbeheer volgens de definitie van artikel 1:1 van de Wft al sprake is als een partij (in dit geval [de onderneming] ) beheer voert over aan haar klanten ‘toebehorende middelen’ ter (dus: met als doel) belegging in financiële instrumenten op grond van een door deze klant gegeven ‘opdracht’. Of feitelijk door [de onderneming] is belegd in financiële instrumenten is dus geen voorwaarde.
De AFM heeft vastgesteld dat tussen [de onderneming] en haar klanten een overeenkomst (‘Client Trading Agreement’) tot individueel vermogensbeheer tot stand kwam en dat [de onderneming] voor deze klanten een zogenoemd ‘managed account’ had geopend. Op dit account hadden die klanten hun inleg/gelden gestort met als doel met die gelden beleggingsdiensten (in dit geval geautomatiseerde transacties op de Forex-markt in valutaderivaten) te laten verrichten door [de onderneming] .
Deze klanten hebben hiermee hun gelden aan [de onderneming] in beheer gegeven met het doel te beleggen in financiële instrumenten (valutaderivaten). Dat [de onderneming] (al dan niet willens en wetens) tekort is geschoten in de nakoming van die overeenkomst, is voor de overtreding van artikel 2:96 van de Wft niet relevant. Het arrest van het Gerechtshof waarnaar eiseres heeft verwezen doet hier niet aan af, omdat dit op een ander beoordelingskader ziet.

20.2.

Met het bestanddeel ‘in Nederland’ heeft de wetgever beoogd het verlenen van financiële diensten op de Nederlandse financiële markten via een vergunning te reguleren. Daarvan is sprake als de vermogensbeheerder zich tot Nederlandse beleggers richt. Zij hoeft daarbij niet in Nederland te zijn gevestigd. Ook is niet relevant of de vermogensbeheerder zich ook op beleggers in andere landen richt.

Alhoewel de website van [de onderneming] was opgesteld in de Engelse taal, beschikte [de onderneming] over een YouTube kanaal met een Nederlandstalige video, waarin de dienstverlening van [de onderneming] werd toelicht. Hiermee richtte [de onderneming] zich rechtstreeks op de Nederlandse markt en deed zij haar aanbod om financiële diensten te verlenen aan in Nederland gevestigde beleggers.

Daarnaast werkte [de onderneming] samen met Nederlandssprekende personen (‘agents’ of ‘affiliates’ genoemd), die via persoonlijk advies, Nederlandstalige websites en/of sociale media accounts [de onderneming] aanbevolen en promootten om actief beleggers in Nederland te werven. Daaruit kan worden geconcludeerd dat [de onderneming] beleggingsdiensten in financiële instrumenten in Nederland verleende en hiermee sprake is van een vergunningplicht voor [de onderneming] op grond van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft.

Conclusie overtreding [de onderneming]

21. Nu [de onderneming] voor het verlenen van beleggingsdiensten geen vergunning had van de AFM en zij zich daarbij niet kon beroepen op een vrijstelling, uitzondering of ontheffing van het verbod, heeft de AFM zich - gelet op het voorgaande - terecht op het standpunt gesteld dat [de onderneming] in strijd met artikel 2:96, eerste lid, van de Wft heeft gehandeld en er dus sprake is van een overtreding door [de onderneming] van dit artikel van de Wft.

22. Het betoog van eiseres faalt.

Medeplegen door eiseres

23. Eiseres stelt dat, als al sprake is van overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [de onderneming] , zij niet als medepleger aan deze overtreding kan worden aangemerkt.

23.1.

Eiseres betoogt allereerst dat de door de AFM gehanteerde maatstaf voor medeplegen onjuist is. De door de AFM gestelde overtreding van [de onderneming] in Nederland bestond al enkele jaren voordat eiseres ‘agent’ van [de onderneming] werd en deze overtreding van [de onderneming] betreft volgens de AFM een doorlopende overtreding. Het leerstuk ‘medeplegen’ is in de (bestuursrechtelijke) rechtspraak nog niet toegepast op een overtreding die al enkele jaren bestond voordat de vermeende medepleger hierbij betrokken werd. De betrokkenheid van eiseres bij die overtreding van [de onderneming] is niet wezenlijk voor het voortbestaan van de overtreding.
Eiseres stelt dat zij geen leidende of sturende rol bij [de onderneming] heeft vervuld. Ook had zij geen grote(re) rol in de voorbereiding van de overtreding en is geen sprake van een bijdrage van voldoende gewicht, zoals vereist volgens vaste jurisprudentie.

Daarnaast stelt eiseres dat er geen sprake is van een materiële of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht. Haar rol was zeer beperkt en niet ‘cruciaal’ en ‘onmisbaar’. Zij was slechts één van de ‘agents’ van [de onderneming] . Eiseres wijst in dit verband ook op de uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 september 2024 (met name rechtsoverweging 25).

Ter zitting heeft eiseres het standpunt van de AFM dat haar ook medeplegen ‘tijdens’ (en dus niet alleen ‘voorafgaand aan’) de overtreding van [de onderneming] is tegengeworpen betwist.

23.2.

Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat zij niet nauw en bewust met [de onderneming] heeft samengewerkt. Haar betrokkenheid bij [de onderneming] was beperkt. Zij stelt slechts een (zeer) ondergeschikte rol te hebben vervuld, die aansloot bij de aard van ‘affiliate marketing’.
Haar rol bestond in de kern uit niet meer dan het delen van eigen ervaringen over [de onderneming] met haar volgers en het delen van een ‘affiliate link’(aanmeld-link) met geïnteresseerden, die zich ook direct bij [de onderneming] konden inschrijven. Zij fungeerde niet als distributie- of aanmeldkanaal. Er was geen sprake van (individueel) klantcontact, eiseres heeft geen invloed op beleggers gehad en kon deze geenszins monitoren. Dat zij een provisie van [de onderneming] ontving, als geïnteresseerden zich via haar link aanmelden bij [de onderneming] , is daarbij niet van belang.
Van promotie van specifiek [de onderneming] is geen sprake geweest. De informatie die zij verstrekte was niet ‘wervend’. Zij deelde van begin af aan de voor- en nadelen en risico’s van beleggen via [de onderneming] met haar volgers. Zij was transparant naar haar volgers dat [de onderneming] een ongereguleerde partij betrof en dat men hier niet in moest stappen als ze zich hier niet goed bij voelden.

Er was geen ondertekende overeenkomst (‘Introducing Broker Agreement’) tussen eiseres en [de onderneming] . Ook op basis van de feiten is geen sprake van een zogenoemde ‘maximale inspanning’ door eiseres. De onderlinge contacten beperkten zich tot incidentele communicatie over operationele details, waarbij eiseres slechts sporadisch en beperkt contact had met [naam contactpersoon] .

23.3.

Verder betoogt eiseres dat er tussen haar en [de onderneming] geen gelijkwaardige relatie bestond. [de onderneming] had evident een sterk overheersende rol in de gestelde overtreding van artikel 2:96 Wft. Eiseres heeft zelf geen beleggingsdiensten verleend, geen algoritmes of handelsstrategieën voor [de onderneming] of geïnteresseerden ontwikkeld, heeft niet in de geldstroom tussen geïnteresseerden en [de onderneming] gezeten, heeft geen enkele zeggenschap in de informatievoorziening door [de onderneming] en geen enkele zeggenschap gehad in de voorwaarden om bij [de onderneming] in te stappen.
De vermeende overtreding van [de onderneming] bestond al voor haar betrokkenheid bij [de onderneming] en deze overtreding zou ook hebben voortgeduurd zonder eiseres.
23.4. Tot slot voert eiseres aan dat alleen van medeplegen sprake kan zijn indien de samenwerking tussen eiseres en [de onderneming] was gericht op de delictsgedraging van artikel 2:96 van de Wft. Eiseres wist niet dat [de onderneming] een vergunning van de AFM nodig had. Zij verkeerde in de wetenschap dat veel partijen die in Forex handelen binnen de Europese Unie, zoals [de onderneming] , niet gereguleerd waren. Zij heeft altijd gecommuniceerd dat [de onderneming] een ongereguleerde partij betrof. De AFM heeft in het gesprek met haar op 10 september 2021 niet medegedeeld dat [de onderneming] illegaal actief was op de Nederlandse markt, maar slechts dat het in zee gaan met [de onderneming] onwenselijk was. Zij is door de AFM er niet op gewezen dat zij mogelijk als medepleger van een overtreding door [de onderneming] zou kunnen worden aangemerkt.

Eiseres meent dat als het de AFM na (enig) onderzoek voorafgaand aan het gesprek niet duidelijk was dat [de onderneming] illegaal in Nederland opereerde ook niet van haar kan worden verwacht dat zij dat wist. De AFM heeft pas op 25 november 2021 een openbare waarschuwing uitgevaardigd, terwijl [de onderneming] op dat moment al offline was en met het geld van beleggers verdwenen was. Eiseres meent dat de AFM de markt eerder had moeten waarschuwen dat het ‘finfluencen’ mogelijk als medeplegen zou kunnen worden beschouwd. Als de AFM destijds tegen eiseres had gezegd dat ze moest stoppen met het zijn van ‘agent’ of gewezen had op het risico om als medepleger aan een mogelijke overtreding van de Wft te worden aangemerkt, was zij onmiddellijk gestopt met haar activiteiten.

Beoordeling door de rechtbank

24. Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder ‘overtreder’ verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Medeplegen doet zich voor als twee of meer (rechts)personen gezamenlijk een overtreding begaan. Hiervoor is niet vereist dat de medeplegers ieder afzonderlijk alle bestandsdelen van het delict vervullen.
Voor de vraag of sprake is van medeplegen, wordt aangesloten bij het strafrechtelijk kader van medeplegen, dat voortvloeit uit artikel 47, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het strafrechtelijk kader is nader uitgewerkt in jurisprudentie. In zijn arrest van 2 december 2014 heeft de Hoge Raad (en zie ook de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb)) een overzicht gegeven.

Voor medeplegen moet sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt op de samenwerking en minder op wie de feitelijke handelingen van de overtreding verricht. De beoordeling of een samenwerking voldoende nauw en bewust is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Aandachtspunt is dat de materiële of intellectuele bijdrage aan het delict van voldoende gewicht (wezenlijk) is. Per geval moet op grond van de relevante feiten en omstandigheden beoordeeld worden of een persoon is aan te merken als medepleger. Daarbij moet rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
In een situatie als onderhavige, waarin een bestuurlijke boete is opgelegd, rust de bewijslast dat eiser de overtreding heeft medegepleegd, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd.

24.1.

Opzet op oplichting of een vergelijkbaar delict is niet de rechtsvraag die hier voorligt. De rechtsvraag die in onderhavige zaak centraal staat is of eiseres in de periode van 29 oktober 2019 tot 29 oktober 2021 als medepleger kan worden aangemerkt van de overtreding door [de onderneming] van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft, namelijk het verlenen van beleggingsdiensten in Nederland door [de onderneming] zonder de daartoe vereiste vergunning.
Daarbij is niet in geschil dat eiseres de overtreding niet zelf feitelijk heeft uitgevoerd.
Met de AFM is de rechtbank overigens van oordeel dat niet is gebleken dat eiseres, voordat [de onderneming] offline ging, zou hebben geweten van de oplichting door [de onderneming] en/of [naam contactpersoon] .

De rechtbank overweegt hierbij dat eiseres eveneens is gedupeerd door het offline gaan van [de onderneming] en stelt vast dat eiseres met een aantal vrienden en kennissen, die via haar link zijn ingestapt bij [de onderneming] , de door haar ontvangen provisievergoeding heeft gedeeld en hen ook (deels) heeft gecompenseerd na het verdwijnen van [de onderneming] . Ook heeft eiseres (onder meer in haar blogs, boek en podcasts) beschreven welke gevolgen het voor haar persoonlijk heeft gehad. Zij heeft zich na het verdwijnen van [de onderneming] (tezamen met andere ‘agents’/‘affiliates’ van [de onderneming] ) ingespannen om de verblijfplaats van [naam contactpersoon] te achterhalen en aan te sporen tot internationaal onderzoek. Zo heeft zij beleggers van [de onderneming] benaderd en verzocht om informatie aan te leveren voor het onderzoeksbureau dat zij hadden ingeschakeld en zelfs aangespoord om aangifte te doen.

24.2.

Bij de beoordeling of een (rechts)persoon is aan te merken als medepleger moet rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van de overtreding, het belang van de rol, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van de overtreding in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook worden geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na de overtreding. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór de overtreding is geleverd. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de gestelde medepleger van voldoende gewicht is geweest. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van de overtreding zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

24.3.

Eiseres heeft zich (ter zitting) terecht op het standpunt gesteld dat eiseres wat betreft medeplegen in het besluit in primo en in de beslissing op bezwaar enkel is tegengeworpen dat zij een wezenlijke bijdrage in de voorbereiding van het delict heeft geleverd en niet ook tijdens. Omdat de AFM voor het eerst ter zitting heeft betoogd dat eiseres ook een bijdrage ‘tijdens’ de overtreding door [de onderneming] heeft verricht (door ook na aanmelding als aanspreekpunt voor beleggers te fungeren) laat de rechtbank dit bij de beoordeling van het beroep buiten beschouwing.

24.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de AFM voldoende aangetoond dat eiseres de overtreding heeft medegepleegd. Dat de AFM daarbij een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd wordt niet gevolgd. De AFM heeft het toetsingskader gebruikt zoals hierboven is weergeven. De samenwerking tussen [de onderneming] en haar tussenpersonen (‘agents’) verliep volgens een vast patroon en volgens overeengekomen voorwaarden.

Eiseres heeft de conceptovereenkomst (de ‘Introducing Broker Agreement’) met [de onderneming] overgelegd in reactie op het informatieverzoek van de AFM.Hoewel niet vaststaat dat eiseres deze overeenkomst heeft ondertekend, beschrijft deze wel adequaat de rechten en verplichtingen die over en weer tussen eiseres en [de onderneming] golden. Uit deze overeenkomst volgt onder meer dat eiseres verplicht was zich maximaal in te zetten om klanten te werven (‘4.3 To put forth maximal effort into acquiring clients to the Company’) en dat [de onderneming] verplicht was aan eiseres onder de genoemde voorwaarden commissie (provisie) uit te betalen (‘5.2 Pay out IB commission under the conditions of the Agreement’).
Niet in geschil is dat eiseres beschikte over een ‘commission account’ en dat zij op deze rekening (hoge) vergoedingen ontving voor het aanbrengen van klanten. Hieruit volgt dat zij als ‘agent’ van [de onderneming] kan worden aangemerkt.
Tussen [de onderneming] en eiseres bestond verder een min of meer vaste taak- of rolverdeling, waarbij [de onderneming] de delictsgedraging vervulde en eiseres uitvoering gaf aan haar verplichtingen jegens [de onderneming] uit hoofde van de overeenkomst, in die zin dat zij zich inspande om zoveel mogelijk klanten (beleggers) aan te brengen en deze klanten te laten beleggen bij [de onderneming] .

24.5.

De rechtbank is met de AFM van oordeel dat de informatie over [de onderneming] die eiseres deelde op haar website en sociale mediakanalen een wervend karakter had en er op gericht was om potentiële beleggers ertoe te bewegen bij [de onderneming] in te stappen. Ook had eiseres in de uitvoering van haar rol als ‘agent’ op individuele basis contact met (potentiële) beleggers. Zij beantwoordde vragen van deze (potentiële) beleggers over [de onderneming] , onder meer over de werkwijze van [de onderneming] , de mogelijkheid om het ingelegde vermogen terug te verdienen en winsten op te nemen, over de risico’s van [de onderneming] en twijfels hierover weg te nemen. Zij had een faciliterende rol bij het openen en activeren van een ‘managed account’ van een belegger en had in de uitvoering van haar werkzaamheden nauw contact met [naam contactpersoon] .

24.6.

Hoewel het exacte aantal ingestapte (potentiële) beleggers bij [de onderneming] via de aanmeld-link van eiseres de AFM niet bekend is, is de AFM niet ten onrechte uitgegaan van in ieder geval 50 beleggers, zoals kan worden afgeleid uit de inschatting hiervan door eiseres zelf.
Naar aanleiding van het contact met en advies van eiseres openden deze (potentiële) beleggers via de aanmeld-link van eiseres een ‘managed account’ bij [de onderneming] en maakten zij ieder afzonderlijk bedragen tussen de € 10.000,- en € 375.000,- aan [de onderneming] over.

Eiseres heeft op deze wijze in de periode van 29 oktober 2019 tot 29 oktober 2021 een bedrag van circa € 195.000,- aan provisies van [de onderneming] ontvangen. De door [de onderneming] gehanteerde provisiestructuur had tot gevolg dat eiseres er belang bij had dat de beleggers die zij aanbracht bij [de onderneming] zoveel mogelijk vermogen zouden inleggen.
De bijdrage van eiseres was de noodzakelijke en wezenlijke eerste schakel om de delictsgedraging (het illegale vermogensbeheer) door [de onderneming] te kunnen uitvoeren.

24.7.

Eiseres wist dat [de onderneming] geen vergunning van de AFM had. Toch besloot zij als ‘agent’ voor [de onderneming] op te treden. Dat eiseres dacht dat een dergelijke vergunning niet nodig was, is onvoldoende om haar dit niet aan te rekenen. Eiseres begaf zich op een streng gereguleerde markt.

Een ieder die zich op de financiële markt begeeft is ervoor verantwoordelijk om zich ervan te vergewissen en zeker te stellen dat de verrichte activiteiten voldoen aan de voorschriften uit het toezichtrecht. Aan deze eigen verantwoordelijkheid kan eiseres zich niet onttrekken. Het lag op de weg van eiseres om te onderzoeken of de partij met wie zij samenwerkte en haar activiteiten legaal waren.
Naar eigen zeggen heeft eiseres zich verdiept in en blogte zij in brede zin over (haar ervaringen met) financiële producten. Van haar had verwacht mogen worden dat zij meer onderzoek had gedaan en op de hoogte was van de betekenis en risico’s van het beheren van vermogen zonder vergunning en het verrichten van handelingen voor een dergelijke partij.
Eiseres heeft dit onderzoek nagelaten, ondanks de wetenschap dat [de onderneming] een ondoorzichtig bedrijfsmodel voerde dat bestond uit hoge rendementen op basis van risicovolle beleggingen en tegelijkertijd het toekennen van significante provisies aan ‘agents’ die beleggers aanbrachten.

Met de AFM is de rechtbank van oordeel dat eiseres hiermee op de hoogte was van alle gedragingen van [de onderneming] die de delictsomschrijving van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft vormen.

24.8.

Hoewel zij ook op de nadelen wees, promootte eiseres [de onderneming] door voornamelijk positief over de onderneming te berichten op haar website van [naam website] en haar sociale media accounts. Eiseres had tussen de 15.000 en 20.000 volgers en daarmee een groot bereik. Zij plaatste op haar website een YouTube video over [de onderneming] en een aanmeld-link naar [de onderneming] met wervende teksten. Verder blijkt uit het dossier dat zij na een masterclass ' [naam masterclass]' mailings stuurde waarmee zij specifiek over [de onderneming] aangaf dat geïnteresseerde beleggers onder meer via haar aanmeld-link onder betere voorwaarden bij [de onderneming] konden instappen. Hieruit blijkt ook de actieve benadering door eiseres van (potentiële) beleggers.
Daarnaast nam eiseres, bijvoorbeeld met de reacties onder haar blogs, twijfels weg bij (potentiële) beleggers waarmee zij hun vertrouwen won.

24.9.

Zoals uit het verkennend onderzoek naar finfluencers door de AFM naar voren komt beschouwden (potentiële) beleggers finfluencers – zoals eiseres kan worden beschouwd – veelal als experts, terwijl gebleken is dat de meeste finfluencers, waaronder eiseres, geen relevante financiële opleiding of werkervaring hadden.
Ook in individuele contacten verwees eiseres naar haar website en voerde zij telefoon-gesprekken, waarin twijfels over regels, risico’s en oplichting werden weggenomen.
De (potentiële) beleggers gaven opvolging aan de adviezen van eiseres door met haar aanmeld-link (en hulp) een ‘managed account’ te openen bij [de onderneming] en vermogen over te maken naar de beleggingsrekening van [de onderneming] .

24.10.

Eiseres had in het aanmeldproces en het aanbrengen van vermogen bij [de onderneming] een faciliterende en bemiddelende rol. Zo blijkt uit het dossier dat eiseres vragen beantwoordde, (ongevraagd) een cliëntovereenkomst of bankgegevens van [de onderneming] doorstuurde naar beleggers en navraag deed wanneer gelden zouden worden overgemaakt naar [de onderneming] .

Een voorbeeld hiervan is dat eiseres een keer binnen kort tijdsbestek op de hoogte werd gesteld van een mislukte verificatie door een belegger en dat zij die te hulp schoot.
Hoewel eiseres dit ontkend, blijkt uit een e-mail van [naam contactpersoon] , dat een tussenpersoon de door hem/haar aangebrachte beleggers kon monitoren via de applicatie genaamd Plug-it. Of eiseres dit ook heeft gedaan, kan overigens in het midden blijven.
Verder ondernam eiseres actie richting beleggers van [de onderneming] naar aanleiding van de verzoeken en instructies van [naam contactpersoon] . Uit het dossier komt het beeld naar voren dat eiseres en [naam contactpersoon] intensief contact onderhielden en dat eiseres de door haar aangebrachte beleggers ondersteunde “in the best possible way”.

24.11.

Uit het totaal aan gedragingen heeft de AFM naar het oordeel van de rechtbank terecht afgeleid dat eiseres nauw en bewust heeft samengewerkt met [de onderneming] en dat zij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [de onderneming] . De gedragingen van eiseres hebben ertoe geleid dat (potentiële) beleggers zich aanmeldden via haar aanmeld-link en vermogen overmaakten op een ‘managed account’ bij [de onderneming] , zodat het vermogen daadwerkelijk kon worden beheerd door [de onderneming] . Door al deze gedragingen tezamen heeft eiseres een wezenlijke bijdrage geleverd voorafgaand aan de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [de onderneming] .

24.12.

Hoewel eiseres dus zelf geen individuele vermogens heeft beheerd, was haar bijdrage van groot gewicht en cruciaal voor het illegale vermogensbeheer van [de onderneming] . Eiseres was de essentiële schakel tussen de (potentiële) beleggers in haar netwerk die zij aanbracht bij [de onderneming] en het door [de onderneming] aan die beleggers verleende illegale vermogensbeheer. Als eiseres (en de andere ‘agents’) deze werkzaamheden voor [de onderneming] niet had verricht, had het illegale vermogensbeheer niet of in ieder geval niet met een zelfde omvang kunnen plaatsvinden.

Dat de overtreding door [de onderneming] al jarenlang plaatsvond, voordat eiseres deze overtreding ging medeplegen, leidt niet tot een ander oordeel. De AFM heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het een doorlopende overtreding betreft, waarbij steeds opnieuw handelingen worden verricht die leiden tot de delictsgedraging. De ‘agents’ waren de kruiwagens die [de onderneming] nodig had om Nederlandse beleggers aan te trekken die hun vermogen bij haar gingen inleggen. Dat de ‘agents’ onderling inwisselbaar waren en in de doorlopende overtreding gedurende verschillende periodes samenwerkten met [de onderneming] , maakt niet dat de bijdrage van eiseres in de genoemde periode niet wezenlijk was.

24.13.

Dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening op 27 september 2024 heeft toegewezen leidt niet tot een ander oordeel. Die procedure zag op de schorsing van het besluit tot openbaarmaking van de bestuurlijke boete in de bezwaarfase. De voorzieningenrechter heeft het belang van eiseres afgewogen tegen het algemene belang van de AFM bij publicatie. De in de uitspraak genoemde feiten en omstandigheden relativeerden het belang van de AFM bij snelle publicatie van de boete.

Verder is er in die uitspraak op gewezen dat de (moeilijke) vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken beoordeeld diende te worden aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval, terwijl de feitenvaststelling van de AFM pas uiterlijk bij het nemen van de beslissing op bezwaar zou zijn afgerond. De feiten en omstandigheden gaven de voorzieningenrechter in die fase niet evident aanleiding tot het oordeel dat sprake is van medeplegen, maar dit betrof een voorlopig oordeel waar de rechtbank in de procedure in beroep niet aan gebonden is.

24.14.

Ook de overige in beroep door eiseres in dit verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, wat van de juistheid daarvan ook zij, leiden niet tot een ander oordeel.
De rechtbank volstaat met dit oordeel, omdat de AFM in het door eiseres bestreden besluit gemotiveerd uiteen heeft gezet dat deze gestelde feiten en omstandigheden onverlet laten dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking en eiseres niet voldoende heeft geconcretiseerd waarom die motivering tekortschiet.

24.15.

Het betoog van eiseres faalt.

Rechtsbeginselen

Vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel

25. Eiseres heeft een beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van fair play gedaan.

In het gesprek op 10 september 2021 tussen de AFM en eiseres is volgens eiseres door de AFM de indruk gewekt dat het aanbieden van de aanmeld-link naar [de onderneming] op haar website geen overtreding opleverde en op haar vraag daarover is expliciet door de AFM bevestigd dat deze aanmeld-link op haar website niet hoefde te worden verwijderd. Door de AFM is in dit gesprek alleen gezegd dat “het onwenselijk was dat [de onderneming] geen vergunning had”.
Dit terwijl er sinds 2019 al drie meldingen over [de onderneming] bij de AFM bekend waren en de AFM in een interne memo van 2 februari 2021 al over [de onderneming] schreef dat sprake was van een “vermoeden van illegaliteit”. Zeker vanaf de zomer van 2021 wist de AFM volgens eiseres al veel over [de onderneming] , desondanks heeft de AFM geen guidance gegeven.
In de memo ‘Bevindingen verkenning finfluencers’ van 9 september 2021, het AFM-rapport ‘De valkuilen bij finfluencen’ van december 2021 en op de website van de AFM wordt niet over de mogelijkheid van medeplegen van de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft gesproken. Eiseres vraagt zich af hoe zij dan destijds wel heeft moeten begrijpen dat haar samenwerking met [de onderneming] als medeplegen kwalificeerde.

Naar aanleiding van het gesprek met de AFM op 10 september 2021 kon zij ervan uitgaan dat er geen sprake was van een overtreding van de Wft door [de onderneming] , laat staan dat zij zelf moest vrezen voor een bestuurlijke boete in verband met het medeplegen van de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [de onderneming] , zoals door de AFM nu is opgelegd.

26. Volgens vaste jurisprudentie moet voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel als eerste stap aannemelijk worden gemaakt dat er sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van een ambtenaar die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn/haar geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend.

Algemene voorlichting of uitlatingen over een ander geval of jegens derden zijn niet aan te merken als een toezegging. Ook is er geen sprake van een toezegging, als er uitdrukkelijk over het concrete geval aan de betrokkene een voorbehoud is gemaakt.

26.1.

De AFM heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van een toezegging aan eiseres geen sprake is. De vermeende toezegging staat niet op schrift en volgt niet uit het gespreksverslag van 10 september 2021 noch uit de daarop volgende e-mails.
Het gesprek vond plaats in de context van een verkenning door de AFM naar ‘finfluencen’ dan wel het onderzoeksproject naar finfluencers. De AFM heeft naar eigen zeggen nadrukkelijk geen standpunt ingenomen tijdens dit gesprek en evenmin een opmerking gemaakt dat de aanmeld-link naar [de onderneming] kon blijven staan of dat niet handhavend zou worden opgetreden. Het tegendeel is door eiseres niet aannemelijk gemaakt.
Het vertrouwensbeginsel noch het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden.

26.2.

Evenmin kan eiseres gevolgd worden in haar stelling dat zij niet mag worden beboet, omdat de AFM onvoldoende ‘guidance’ heeft gegeven. Naar aanleiding van het gesprek met eiseres op 10 september 2021 en het nadere onderzoek dat is gevolgd, heeft de AFM op 25 november 2021 een openbare waarschuwing met betrekking tot [de onderneming] gepubliceerd. Hieruit blijkt dat de AFM op dat moment tot de conclusie was gekomen dat [de onderneming] artikel 2:96, eerste lid, van de Wft had overtreden. Dat op dat moment de AFM nog niet had geconcludeerd dat in het geval van eiseres sprake zou kunnen zijn van medeplegen aan deze overtreding, laat onverlet dat uit de wet en rechtspraak volgt dat medeplegers van een overtreding kunnen worden beboet.

26.3.

Het betoogt van eiseres slaagt niet.

Opportuniteit

27. Eiseres betoogt dat boeteoplegging niet opportuun en evenredig is.

28. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor eiseres onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat AFM met het opleggen van de bestuurlijke boete wil bereiken.
Door zonder vergunning van de AFM beleggingsdiensten te verlenen in Nederland heeft [de onderneming] zich onttrokken aan het toezicht van de AFM dat (mede) gericht is op de bescherming van belangen van beleggers. De risico’s die dat toezicht beoogt te mitigeren, hebben zich verwezenlijkt: voor het verlenen van deze beleggingsdiensten heeft [de onderneming] hoge provisies betaald aan haar ‘agents’ en beleggers zijn hun geld kwijtgeraakt nadat [de onderneming] van de markt was verdwenen.

28.1.

De AFM heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [de onderneming] een ernstige overtreding is, die eiseres heeft medegepleegd. Eiseres was gedurende twee jaar een essentieel verlengstuk van een illegale vermogensbeheerder op de financiële markt. Zoals hiervoor is overwogen bij de beoordeling over medeplegen was haar rol niet marginaal.

De geloofwaardigheid en het vertrouwen dat eiseres genoot, heeft ertoe geleid dat beleggers zich als klant aanmeldden bij [de onderneming] en daadwerkelijk vermogen aan [de onderneming] ter beschikking stelden met het doel dat dit vermogen zou worden beheerd en belegd door [de onderneming] . Daarmee was eiseres een cruciale schakel tussen [de onderneming] en deze beleggers en heeft eiseres eraan bijgedragen dat de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [de onderneming] op omvangrijke schaal kon plaatsvinden.
Gelet hierop had een minder ingrijpende maatregel dan een punitieve sanctie niet volstaan. Het opleggen van een bestuurlijke boete is dan ook opportuun.

Boetehoogte
29. Eiseres heeft meer subsidiair betoogd dat de opgelegde boete te hoog is en dat het door de AFM toegepaste Boetetoemetingsbeleid 2021 in strijd is met de wet, in het bijzonder met artikelen 3:4 en 5:46 van de Awb, omdat voorbijgegaan wordt aan de passendheidstoets. Dat staat nog geheel los van de wettelijke verplichting voor de AFM om een eigen beleidsregel niet toe te passen als dat onevenredige gevolgen heeft (artikel 4:84 Awb). Zij stelt dat de AFM het vermeend verkregen voordeel niet als absolute ondergrens heeft mogen hanteren. Gelet op de objectieve draagkracht, maar ook vanwege de passendheidstoets bestaat aanleiding voor verlaging van de boete. De passendheidstoets geeft uitvoering aan een fundamenteel rechtsbeginsel, namelijk het evenredigheidsbeginsel. Dit brengt mee dat de AFM de uitkomst van die toets niet met een enkele verwijzing naar haar eigen Boetetoemetingsbeleid 2021 mag ‘overrulen’ omdat er voordeel zou zijn behaald.
Eiseres meent dat artikel 1:83 van de Wft hier niet juist is toegepast. Naar opvatting van eiseres had de AFM het Boetetoemetingsbeleid uit 2015 moeten toepassen, omdat dit gunstiger is voor eiseres. Hierin staat dat het behaalde voordeel in principe geldt als minimum, maar dat onder omstandigheden de passendheidstoets kan leiden tot een lager boetebedrag. De AFM had de hoogte van de boete dan ook dienen te verlagen op grond van verminderde ernst en verwijtbaarheid en de passendheidstoets/evenredigheid in het algemeen. Daarnaast is de hoogte van het vermeend verkregen voordeel onjuist berekend door de afgedragen belastingen daarop niet in mindering te brengen.

30. De AFM heeft de hoogte van de opgelegde boete bepaald aan de hand van de omstandigheden die zijn genoemd in artikel 1b, aanhef en onder a tot en met f, van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbfs) en zoals neergelegd in het stappenplan van het Boetetoemetingbeleid AFM 2021. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het Boetetoemetingsbeleid uit 2015 had moeten worden toegepast, omdat dit tot hetzelfde resultaat leidt.

30.1.

De rechtbank toetst aan de hand van die stappen zonder terughoudendheid of de boete in een redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt zij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd en de draagkracht van de overtreder. De rechtbank gebruikt daarbij het criterium ‘passend en geboden’.

Stap 1: basisbedrag en ernst, omvang en duur van de overtreding

30.2.

Op grond van artikel 1:81, eerste en tweede lid, van de Wft en artikel 10, eerste lid, van het Bbbfs valt overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft in de derde boetecategorie en geldt voor deze overtreding een basisbedrag van € 2.500.000,-.

30.3.

De AFM heeft de overtreding terecht als ernstig bestempeld, gelet op de omvang en duur van de overtreding, het met de overtreding verkregen voordeel en de ernstige gevolgen van de overtreding. Door samen te werken met [de onderneming] , een illegale vermogensbeheerder, heeft eiseres [de onderneming] in staat gesteld vermogen aan te trekken. Eiseres heeft immers zeker vijftig beleggers aangebracht bij [de onderneming] , in een periode van twee jaar, waarmee zij ruim € 195.000,- aan provisies heeft verdiend. De beleggers zijn als gevolg van het verdwijnen van [de onderneming] hun geld kwijt geraakt. De vergunningplicht van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft en de doorlopende gedragsregels proberen dergelijke misstanden juist te voorkomen. De AFM heeft terecht geen aanleiding gezien om het basisbedrag te verhogen of te verlagen wegens de ernst van de overtreding. In de indeling van de overtreding in boetecategorie 3 en de daaraan gekoppelde hoogte van het basisbedrag van € 2.500.000,- is al een intrinsieke ernst verwerkt.

Stap 2 en 3: mate van verwijtbaarheid en geen recidive

30.4.

De rechtbank volgt het standpunt van de AFM dat geen aanleiding bestaat het basisbedrag te verhogen of te verlagen vanwege verminderde of verhoogde verwijtbaarheid. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 24.7 is de rechtbank van oordeel dat eiseres wist dat [de onderneming] geen vergunning had. Toch heeft het haar er niet van weerhouden beleggers bij [de onderneming] in te laten stappen met hoge provisies voor haarzelf. Van eiseres mocht worden verwacht dat zij zich op de hoogte stelde van de geldende wet- en regelgeving en de verplichtingen naleeft. Zij heeft nauw en bewust met [de onderneming] samengewerkt en daardoor een wezenlijke bijdrage aan de overtreding geleverd. Dit is haar te verwijten. Van recidive is geen sprake. Het basisbedrag blijft € 2.500.000,-.

Stap 4: omvangtabel

30.5.

De AFM heeft uit de door eiseres verstrekte gegevens afgeleid dat zij een vermogen heeft van minder dan € 500.000,-, zodat zij wordt ingedeeld in de 5% categorie. Het boetebedrag komt hiermee op € 125.000,-.

Stap 5 en 6: passendheidstoets en verkregen voordeel

30.6.

Het op basis van de voorgaande stappen vastgestelde boetebedrag kan worden verlaagd op grond van overige omstandigheden van het geval, waaronder de opstelling van de overtreder en de evenredigheid in het algemeen. Er kan sprake van bijzondere omstandigheden zijn die in het voorgaande niet zijn betrokken, maar in het kader van de evenredigheid van de hoogte van de boete in een specifiek geval wel relevant zijn.

De boete kan (verder) worden verlaagd op grond van een of meer omstandigheden uit deze ‘restcategorie’.

30.7.

De AFM heeft in stap 5 van haar besluitvorming gewezen op de omstandigheid dat eiseres (potentiële) beleggers heeft gewezen op de risico’s met betrekking tot [de onderneming] en soms heeft afgeraden van de diensten gebruik te maken. Daarnaast heeft de AFM gewezen op de opstelling van eiseres na het verdwijnen van [de onderneming] . Zij heeft zich (tezamen met een aantal andere tussenpersonen) ingespannen om gedupeerde beleggers te helpen en een onderzoeksbureau onderzoek laten verrichten naar de verblijfplaats van [naam contactpersoon] gericht op internationale opsporing. Hierin heeft de AFM overigens geen aanleiding gezien om tot verlaging van de boete over te gaan, omdat de AFM eiseres meermaals heeft moeten verzoeken om bepaalde informatie aan te leveren.

30.8.

In stap 6 is de keuze gemaakt om, als het door de overtreding behaalde voordeel kan worden vastgesteld en het na stap 5 vastgesteld bedrag lager is dan het bedrag van het verkregen voordeel, het boetebedrag te verhogen tot ten minste het bedrag van het voordeel. Anders dan eiseres stelt is de in stap 6 van het Boetetoemetingsbeleid 2021 opgenomen passendheidstoets niet in strijd met de wet. Voor het buiten toepassing laten van deze bepaling van het Boetetoemetingsbeleid van de AFM dan wel het onverbindend verklaren daarvan is dan ook geen aanleiding.
De AFM hecht eraan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. In stap 6 heeft de AFM de boete vastgesteld op € 195.000,-, bestaande uit het verkregen voordeel berekend op basis van de verkregen bankafschriften van eiseres. Het bedrag aan verkregen voordeel is tussen partijen niet in geschil, zodat de rechtbank van dit bedrag zal uitgaan.

Stap 7: Draagkracht

30.9.

In stap 7 van het Boetetoemetingsbeleid 2021 heeft de AFM geen aanleiding gezien om de boete te verlagen wegen beperkte draagkracht van eiseres, omdat het Beleid als uitgangspunt hanteert dat het met de overtreding verkregen voordeel geldt als het minimale boetebedrag.

30.10.

Vooralsnog gaat ook de rechtbank dus uit van bovenstaand bedrag aan verkregen voordeel van € 195.000,-. De AFM was niet gehouden om door eiseres gestelde belastingen van het verkregen voordeel af te trekken. De door eiseres genoemde uitspraak van het CBb van 21 juni 2017 ziet op een ander toetsingskader (namelijk artikel 1:83 van de Wft) en is in deze niet relevant. Met de AFM is de rechtbank van oordeel dat een overtreding niet mag lonen.

Matiging van de boete

31. Hoewel het door de AFM gehanteerde Boetetoemetingsbeleid 2021 duidelijk is en het behaalde voordeel in beginsel als ondergrens moet worden gehanteerd, ziet de rechtbank toch aanleiding om de boete enigszins te matigen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
31.1. Het heeft erg lang heeft geduurd voordat de AFM na de eerste meldingen daadwerkelijk heeft opgetreden tegen [de onderneming] . Hoewel het begrijpelijk is dat, gelet op de toezichtcapaciteit van de AFM en de hoeveelheid meldingen in het algemeen die bij de AFM binnen komen, keuzes moesten worden gemaakt, was er al wel langere tijd (sinds 2019) sprake van een aantal (redelijk concrete) meldingen over [de onderneming] die aanleiding hadden kunnen geven voor nader onderzoek door de AFM en tot ingrijpen hadden kunnen leiden. Pas in het kader van de gesprekken met finfluencers is de AFM bekend geworden met de impact, de omvang van de dienstverlening en de provisiestructuur van [de onderneming] en is zij in 2021 nader onderzoek gaan doen, welk onderzoek pas in 2022 meer op eiseres (en andere finfluencers) is toegespitst. Ook heeft de AFM, nadat [de onderneming] was verdwenen met de inleg van beleggers, pas op 25 november 2021 een openbare waarschuwing uitgevaardigd.

Hierdoor heeft de overtreding door [de onderneming] langer kunnen voortduren en heeft de inleg van beleggers, de provisies van tussenpersonen en uiteindelijk de verliezen van deze beleggers in omvang kunnen toenemen.
Hoewel eiseres – zoals eerder geoordeeld – zelf ook een verantwoordelijkheid had in deze en (meer) nader onderzoek had moeten doen naar [de onderneming] en zich mogelijk eerder had kunnen terug trekken en de beleggers had kunnen waarschuwen, is de rechtbank van oordeel dat dit niet geheel aan eiseres (en andere tussenpersonen) kan worden toegerekend. Door niet tijdig en adequaat in te grijpen heeft de AFM aan [de onderneming] de gelegenheid geboden om langere tijd illegaal binnen de financiële markt te kunnen blijven opereren.

31.2.

Omdat het verder enige tijd heeft geduurd voordat de AFM duidelijkheid verschafte ten aanzien van de kwalificatie van de gedragingen van de ‘agents’, zoals eiseres, heeft eiseres gedurende langere tijd in onzekerheid moeten verkeren. In deze bijzondere omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding de boete op grond van de evenredigheid in het algemeen te matigen met een bedrag van € 50.000,-.
Een bestuurlijke boete van € 145.000,- acht de rechtbank dan ook in dit geval passend en geboden.

31.3.

De rechtbank ziet in de overige door eiseres aangevoerde omstandigheden, met uitzondering van de hierna te bespreken overschrijding van de redelijke termijn geen aanleiding voor een verdere matiging van het boetebedrag.

Overschrijding van de redelijke termijn

32. Eiseres heeft gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en dat dit tot matiging van de boete dient te leiden.

Eiseres meent dat de termijn is aangevangen met het gesprek op 24 november 2022, omdat de AFM eiseres op dat moment de cautie gaf.

33. Volgens vaste rechtspraak geldt bij punitieve sancties als hier aan de orde als uitgangspunt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase langer dan twee jaar heeft geduurd, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die een langere termijn rechtvaardigen.
Overschrijding van de redelijke termijn behoort in beginsel te leiden tot verlaging van de boete, mede afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.

33.1.

Hoofdregel is dat de redelijke termijn gaat lopen op het moment dat het bestuursorgaan jegens de overtreder een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Dat moment is in dit geval het voornemen tot het nemen van het boetebesluit dat op 30 augustus 2023 door de AFM is uitgebracht. Met de AFM is de rechtbank van oordeel dat tijdens het gesprek op 24 november 2022 nog niet zeker was dat een bestuurlijke boete zou worden opgelegd. Vanaf het voornemen tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank is drie jaar verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn met één jaar is overschreden.

De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die een verlenging van die termijn rechtvaardigen, zoals de AFM betoogt.

33.2.

Gelet op de in de uitspraak van het CBb van 30 april 2024 gegeven uitgangs-punten, betekent dit dat de boete in geval van een overschrijding van meer dan zes maanden maar niet meer dan twaalf maanden dient te worden verminderd met 10%, met een maximum van € 2.500,-.

33.3.

Door eiseres is verder een beroep gedaan op de overschrijding van de termijn uit artikel 5:51 van de Awb (de dertienwekentermijn). Uit het onderhavige dossier volgt dat tussen het onderzoeksrapport met dagtekening 7 augustus 2023 en het primaire boetebesluit van 4 juni 2024 een periode van ongeveer 10 maanden zit. De in artikel 5:51 van de Awb gestelde termijn van dertien weken tussen de dagtekening van het rapport en de dagtekening van het primaire besluit is dus overschreden met ongeveer 7 maanden.

De rechtbank ziet in deze overschrijding van de dertienwekentermijn, die gesteld wordt in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb, echter geen aanleiding om de boete nog verder te matigen dan zij al heeft gedaan (onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen 31.1 en 31.2 van de uitspraak). De in deze bepaling genoemde dertienweken-termijn, waarbinnen een bestuursorgaan moet beslissen of een boete wordt opgelegd, is een termijn van orde. Wel kan de rechter de overschrijding van de beslistermijn verdisconteren in de hoogte van de bestuurlijke boete (Kamerstukken II 2003/4, 29 702, nr. 3, p. 150).

De rechtbank heeft aanleiding gezien om de hoogte van de boete te matigen gelet op de lange duur tussen de meldingen over [de onderneming] , het onderzoek naar [de onderneming] door de AFM en de uiteindelijke kwalificatie van de gedragen van de ‘agents’ van [de onderneming] door de AFM.

Hierin zit dus ook verdisconteerd de overschrijding van de beslistermijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb.

33.4.

Het voorgaande betekent dat de boete wordt verminderd met € 2.500,-, zodat de boete uitkomt op een bedrag van € 142.500,-.

Op de zaak betrekking hebbende stukken
34. De AFM stelt zich op het standpunt dat eiseres toegang heeft gekregen tot alle op de zaak betrekking hebbende stukken. De AFM heeft in de voorlopige voorzieningenprocedure al aanvullende stukken overgelegd en alle op de zaak betrekking hebbende stukken in de beroepsprocedure ingediend. De overige stukken die eiseres vraagt bestaan niet of niet is aannemelijk gemaakt dat het op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van haar eerder ingenomen standpunt terug te komen.

Publicatie

35. Eiseres heeft erop gewezen dat de voorzieningenrechter het publicatiebesluit heeft geschorst zonder daaraan een termijn te verbinden. Dit betekent dat de schorsing doorloopt tot en met onderhavige uitspraak en een lange tijdspanne bevat.
Eiseres betoogt dat hierdoor van vroegtijdige openbaarmaking geen sprake meer kan zijn. De publicatie van de beslissing op bezwaar heeft de AFM aangehouden. De AFM hanteert in de ogen van eiseres een rechtens onhoudbaar criterium in het kader van de te verrichten belangenafweging. Ook als het criterium juist is, dan dient te worden afgezien van (vroegtijdige) ongeanonimiseerde openbaarmaking. Tot slot stelt eiseres dat het persbericht dat de AFM wil publiceren onjuist en onevenwichtig is.

36. Op grond van artikel 1:97, eerste lid, van de Wft maakt de AFM een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie ingevolge deze wet openbaar. De openbaarmaking geschiedt zodra het besluit onherroepelijk is geworden. Indien tegen het besluit bezwaar, beroep of hoger beroep is ingesteld, maakt de toezichthouder de uitkomst daarvan tezamen met het besluit openbaar.

Op grond van het derde lid, aanhef en onder a, van dit artikel maakt de AFM in afwijking van het eerste lid een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete zo spoedig mogelijk openbaar, indien het een bestuurlijke boete betreft ter zake overtreding van een voorschrift dat op grond van artikel 1:81 is gerangschikt in de derde categorie.

Op grond van het vijfde lid van dit artikel maakt de AFM de indiening van een bezwaar of de instelling van een beroep of hoger beroep tegen een besluit als bedoeld in het derde lid, alsmede de beslissing op bezwaar en de uitkomst van dat beroep of hoger beroep, zo spoedig mogelijk openbaar, tenzij het besluit op grond van artikel 1:98 niet openbaar is gemaakt.

36.1.

In dit geval is sprake van een bestuurlijke boete gerangschikt in de derde categorie, zodat de boete zo spoedig mogelijk openbaar dient te worden gemaakt, tenzij één van de situatie als bedoeld in artikel 1:98 van de Wft van toepassing is.

36.2.

Op grond van artikel 1:98, eerste lid, van de Wft wordt openbaarmaking op grond van artikel 1:97 uitgesteld of geschiedt deze in zodanige vorm dat de openbaar te maken gegevens niet herleidbaar zijn tot afzonderlijke personen, voor zover

a. die gegevens herleidbaar zijn tot een natuurlijk persoon en bekendmaking van zijn persoonsgegevens onevenredig zou zijn;

b. betrokken partijen in onevenredige mate schade zou worden berokkend;

(…).

37. Uitgangspunt bij de beoordeling of betrokken partijen in onevenredige mate schade zou worden berokkend als bedoeld in artikel 1:98, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wft is dat de AFM een evenwichtigheidsbeoordeling moet uitvoeren die er onder omstandigheden toe kan leiden dat openbaarmaking wordt uitgesteld of geanonimiseerd plaatsvindt.

Uitgestelde of geanonimiseerde openbaarmaking is aangewezen, voor zover volledige openbaarmaking betrokken partijen in onevenredige mate schade zou berokkenen.

Het criterium “onevenredige mate van schade” veronderstelt dat moet worden beoordeeld of er sprake is van schade die in verhouding tot de met de niet-geanonimiseerde (volledige) openbaarmaking na te streven doelen en daarmee te dienen belangen van dien aard is dat openbaarmaking uitgesteld of geanonimiseerd moet plaatsvinden.

37.1.

De doelen die in het algemeen worden nagestreefd met openbaarmaking en de belangen die daarmee worden gediend, zijn:

(1) het doel het publiek zo ruim mogelijk kennis te kunnen laten nemen van het optreden van de toezichthouders en de gronden daarvoor,

(2) het doel andere instellingen die onder toezicht staan te laten weten welke gedragingen kunnen leiden tot handhaving en inzicht te laten krijgen in de invulling die de toezichthouder aan bepaalde normen geeft,

(3) het doel personen, die door de inbreuk schade hebben geleden, eventueel hun rechten jegens de overtreder geldend te kunnen laten maken en

(4) het doel andere personen en ondernemingen die onder toezicht staan te ontmoedigen om overtredingen te begaan.

37.2.

Dit betekent dat de toezichthouder de belangen die met het nastreven van deze vier doelen worden gediend, moet betrekken in zijn beoordeling van de evenwichtigheid tussen enerzijds de mate van schade die een niet-geanonimiseerde openbaarmaking voor de betrokkene met zich brengt en anderzijds het belang dat in het concrete geval met openbaarmaking wordt gediend.

38. De AFM was ten tijde van het publicatiebesluit nog niet bekend met de uitspraken van het CBb van 25 februari 2025 en 15 juli 2025, maar heeft in haar besluitvorming de evenwichtigheidsbeoordeling wel verricht en het juiste criterium gehanteerd. De AFM heeft immers de vier doelen die volgens de wetgever met de openbaarmaking worden nagestreefd en de belangen die daarmee worden gediend blijkens het openbaarmakingsbesluit (paragraaf 11.4 van het primaire besluit) betrokken bij haar beoordeling en afgewogen tegen het belang van eiseres dat haar overtreding niet bekend wordt.

38.1.

Vroegtijdige publicatie is echter tegengehouden door de indiening (en toewijzing) van een verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het besluit tot openbaarmaking van het boetebesluit geschorst, omdat hij – kort

gezegd – heeft gewezen op de omstandigheden die een snelle publicatie op dat moment relativeerden en hij in die fase van de procedure niet evident kon vaststellen dat sprake van medeplegen door eiseres was. Daarna heeft de AFM het besluit heroverwogen op grond van de ingediende bezwaargronden en een beslissing op bezwaar genomen. De beslissing op bezwaar is door de AFM nog niet gepubliceerd.

38.2.

In onderhavige uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat eiseres gelet op alle feiten en omstandigheden als medepleger kan worden aangemerkt van de door [de onderneming] begane overtreding.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:85, tweede lid, onder c, van de Awb vervalt met deze uitspraak de getroffen voorlopige voorziening en dient de AFM gelet op het bepaalde in artikel 1:97 van de Wft het boetebesluit in principe zo spoedig mogelijk te publiceren.

Ook zal de AM een beslissing moeten nemen over publicatie van de beslissing op bezwaar.

39. Zoals de AFM terecht heeft opgemerkt, dient de openbaarmaking het maatschappelijk belang om de markt te informeren en/of te waarschuwen. In dit geval hebben de voormalige klanten of de klanten via wie eiseres eventueel in de toekomst in financiële instrumenten zou handelen belang geïnformeerd te zijn over de door haar begane overtreding.

Het informeren is daarnaast van belang voor de generale preventieve werking, omdat marktpartijen daardoor worden ingelicht over het handhavend optreden van de toezichthouder en de mogelijke gevolgen van een overtreding van de vergunningplicht voor het verlenen van beleggingsdiensten. Wat eiseres heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat er sprake is van schade die in verhouding tot deze belangen van dien aard is dat de openbaarmaking gelet op het bepaalde in artikel 1:98, eerste lid, van de Wft verder uitgesteld moet worden of de publicatie geanonimiseerd moeten plaatsvinden.

40. Wel ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening met een beperkte duur te treffen, in die zin dat het primaire besluit - voor zover dit ziet op de openbaarmaking van de boeteoplegging - wordt geschorst. De rechtbank bepaalt, gelet op artikel 1:97, tweede lid, van de Wft, dat de openbaarmaking niet eerder plaatsvindt dan nadat twee weken na verzending van deze uitspraak zijn verstreken, teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen om een voorlopige voorziening te verzoeken bij het CBb als zij hoger beroep instelt tegen deze uitspraak.

40.1.

Daarbij merkt de rechtbank op dat als binnen twee weken geen voorlopige voorziening wordt ingediend hangende hoger beroep de AFM bij publicatie van het boetebesluit expliciet het door de rechtbank vastgestelde (gematigde) boetebedrag en de reden daarvan dient te vermelden.

De AFM dient daarbij tevens het persbericht aan te passen naar aanleiding van het door de rechtbank vastgestelde (gematigde) boetebedrag en de reden daarvan.

Conclusie en gevolgen

41. Het beroep van eiseres is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit in zoverre te herroepen en de hoogte van de boete vast te stellen op een bedrag van € 142.500,-.

42. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal de AFM het door eiseres betaalde griffierecht dienen te vergoeden.

43. De rechtbank veroordeelt de AFM in de door eiseres in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.801,-. Deze kosten bestaan uit 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt in bezwaar van € 666,- en in beroep van € 934,- en wegingsfactor 1,5 vanwege het gewicht van de zaak.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;

- verklaart het bezwaar gegrond voor zover het de hoogte van de boete betreft, herroept het primaire besluit in zoverre, stelt de hoogte van de boete vast op € 142.500,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- treft de voorlopige voorziening dat publicatie van het primaire besluit niet eerder plaatsvindt dan nadat twee weken na verzending van deze uitspraak zijn verstreken;

- draagt de AFM op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt de AFM in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.801,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en mr. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 5:1

  1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

  2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

Artikel 5:51

1. Indien van een overtreding een rapport is opgemaakt, beslist het bestuursorgaan omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete binnen dertien weken na de dagtekening van het rapport.

Wet op het financieel toezicht (Wft)

Artikel 1:1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voorzover niet anders is bepaald, verstaan onder:

(…)

verlenen van een beleggingsdienst:

a. in de uitoefening van een beroep of bedrijf ontvangen en doorgeven van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten;

b. in de uitoefening van beroep of bedrijf voor rekening van die cliënten uitvoeren van orders met betrekking tot financiële instrumenten;

c. beheren van een individueel vermogen;

d. in de uitoefening van beroep of bedrijf adviseren over financiële instrumenten;

e. in de uitoefening van beroep of bedrijf overnemen of plaatsen van financiële instrumenten bij aanbieding ervan als bedoeld in de prospectusverordening met plaatsingsgarantie;

f. in de uitoefening van beroep of bedrijf plaatsen van financiële instrumenten bij aanbieding ervan als bedoeld in de prospectusverordening zonder plaatsingsgarantie;

(…)

beheren van een individueel vermogen:

in de uitoefening van een beroep of bedrijf, anders dan als beheerder van een beleggingsinstelling of beheerder van icbe, op discretionaire basis voeren van het beheer over financiële instrumenten die toebehoren aan een persoon dan wel over aan deze persoon toebehorende middelen ter belegging in financiële instrumenten op grond van een door deze persoon gegeven opdracht.

Artikel 1:97

  1. De toezichthouder maakt een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie ingevolge deze wet of artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht openbaar. De openbaarmaking geschiedt zodra het besluit onherroepelijk is geworden. Indien tegen het besluit bezwaar, beroep of hoger beroep is ingesteld, maakt de toezichthouder de uitkomst daarvan tezamen met het besluit openbaar.

  2. (…)

  3. In afwijking van het eerste lid maakt de toezichthouder een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete zo spoedig mogelijk openbaar, indien het een bestuurlijke boete betreft ter zake overtreding van:

a. een voorschrift dat op grond van artikel 1:81 is gerangschikt in de derde categorie;

b. (…).

4. (…).

5. De toezichthouder maakt de indiening van een bezwaar of de instelling van een beroep of hoger beroep tegen een besluit als bedoeld in het derde of vierde lid, alsmede de beslissing op bezwaar en de uitkomst van dat beroep of hoger beroep, zo spoedig mogelijk openbaar, tenzij het besluit op grond van artikel 1:98 niet openbaar is gemaakt.

Artikel 1:98

1. Openbaarmaking op grond van artikel 1:97 wordt uitgesteld of geschiedt in zodanige vorm dat de openbaar te maken gegevens niet herleidbaar zijn tot afzonderlijke personen, voor zover:

a. die gegevens herleidbaar zijn tot een natuurlijk persoon en bekendmaking van zijn persoonsgegevens onevenredig zou zijn;

b. betrokken partijen in onevenredige mate schade zou worden berokkend;

c. een lopend strafrechtelijk onderzoek of een lopend onderzoek door de toezichthouder naar mogelijke overtredingen zou worden ondermijnd; of

d. de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar zou worden gebracht.

2 Openbaarmaking op grond van artikel 1:97 blijft achterwege, indien openbaarmaking overeenkomstig het eerste lid:

a. onevenredig zou zijn gezien de geringe ernst van de overtreding, tenzij het een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete betreft;

b. niet in overeenstemming is met het doel van de opgelegde bestuurlijke sanctie, tenzij het een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete betreft; of

c. de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar zou brengen.

Artikel 2:96

  1. Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten.

  2. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel, het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.

Zie dossierstuk 037 [Memo AFM betreffende gespreksverslagen melders [de onderneming] , 3 november 2021] Zie bijvoorbeeld CRvB 18 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0267. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4026. Zie Kamerstukken II 29 708, nr. 19, p. 465. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716. CBb 20 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:315, CBb 21 september 2017, ECLI:NL:CBB:2017:312 en CBb 17 februari 2026 ECLI:NL:CBB:2026:57. Zie bijvoorbeeld dossierstuk 083.1 en bankafschriften. Zie bijvoorbeeld dossierstuk 083.05. Vergelijk bijvoorbeeld HR van 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972. Zie bijvoorbeeld p. 81 bip. Zie bijvoorbeeld p. 71 bob. Dossierstuk 060.1, bijlage. Dossierstuk 083.01, reactie op aanvullende vragen. Dossierstukken 062.01, bijlage, reacties van eiseres van 25 augustus en 12 december 2020 onder blog “ [naam blog] ” op website [naam website] en “ [naam blog] – update maart 2021. Dossierstuk 0185.57, gespreksleidraad. Zie bijvoorbeeld dossierstuk 047. Beslissing op bezwaar, p. 57, noot 97. Zie bijvoorbeeld dossierstuk 040. Dossierstuk 048. Dossierstuk 059. Zie bijvoorbeeld dossierstuk 053. Dossierstuk 0134. Dossierstuk 0186. Bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694. Dossierstuk 01, gespreksverslag 10 september 2021. Dossierstuk 05, e-mails 27 september 2021 tot en met 5 oktober 2021. Zie arrest HR 21 januari 2021, ECLI:HR:2021:1. CBb 21 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:206. CBb 4 april 2023, ECLI:NL:CBB:2023:172. CBb 30 april 2024, ECLI:NL:CBB:2024:316. Zie CBb 25 februari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:102 en CBb 30 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:353.