Strafrecht overig
Vordering tot verlenging van de periode van voorwaardelijke invrijheidstelling. Die vordering was gebaseerd…
Rechtbank Rotterdam, 5 november 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:11528 · Rechtbank Rotterdam · 5 november 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2021-11528
Zaakgegevens
Op 5 november 2021 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 5 november 2021
- Datum publicatie
- 25 november 2021
- Zaaknummer
- 22/002062-19 en 10/75113-18 / VI-99/000819-37
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2021:11528
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vordering tot verlenging van de periode van voorwaardelijke invrijheidstelling. Die vordering was gebaseerd op een advies van de reclassering. Op zitting heeft de reclasseringswerker, gelet op recente ontwikkelingen, echter het advies gewijzigd in die zin dat een verlenging niet (meer) noodzakelijk wordt geacht. De officier van justitie heeft vervolgens geconcludeerd tot afwijzing van zijn vordering. De rechtbank is daarin meegegaan. De vordering is afgewezen.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
VI-zaaknummer: 99/000819-37
Parketnummers: 22/002062-19 en 10/75113-18
Datum uitspraak: 5 november 2021
Tegenspraak
Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak betreffende de veroordeelde
[naam veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteplaats veroordeelde] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres veroordeelde] , [postcode veroordeelde] te [woonplaats veroordeelde] ,
raadsman mr. T. Scheffer, advocaat te Amsterdam.
1. Procesverloop
Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2020 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd van 36 maanden met aftrek van voorarrest.
Bij beslissing van 12 november 2020 is de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
De proeftijd van voorwaardelijke invrijheidstelling bedraagt 365 dagen. De veroordeelde is op 10 december 2020 feitelijk in vrijheid gesteld en zijn v.i.-periode loopt af op 10 december 2021.
2. Vordering
Op 8 oktober 2021 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor een periode van180 dagen.
3. Onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van
5 november 2021.
De officier van justitie mr. R.P.L. van Loon en de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman zijn gehoord.
Voorts is als getuige [naam getuige] , reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, gehoord.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van zijn vordering.
De raadsman heeft eveneens afwijzing bepleit.
4. Beoordeling
Getuige [naam getuige] van de reclassering heeft op zitting verklaard dat zij, anders dan in haar advies van 27 september 2021 geadviseerd, geen noodzaak meer ziet om de proeftijd te verlengen. De reden van genoemd advies was dat de veroordeelde eerder aangaf dat hij last had van irritaties en dat daarom een behandeling bij De Waag passend leek. De behandeling die voor ogen werd gestaan, gaat echter niet door en een andere passende behandeling is niet gevonden. Gelet op deze toelichting is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de vordering tot verlenging van de voorwaardelijke invrijheidstelling dient te worden afgewezen.
5. Beslissing
De rechtbank:
wijst af de vordering tot verlenging van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Deze beslissing is genomen door
mr. V.F. Milders, voorzitter,
en mr. G.P. van de Beek en mr. B. Vaz, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T.W. Veldhoen-Flier, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 november 2021.
De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.