Strafrecht overig
Tussenuitspraak uitleveringszaak. Toetsing juridische grondslag uitleveringsverzoek ter uitvoering van in…
Rechtbank Rotterdam, 8 december 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:10727 · Rechtbank Rotterdam · 8 december 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2022-10727
Zaakgegevens
Op 8 december 2022 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 8 december 2022
- Datum publicatie
- 8 december 2022
- Zaaknummer
- UTL-I-2022010484
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2022:10727
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Tussenuitspraak uitleveringszaak. Toetsing juridische grondslag uitleveringsverzoek ter uitvoering van in Chili opgelegde gevangenisstraf van 5 jaar ter zake van fraude door een overheidspersoon. Nadere informatie Chileense autoriteiten gewenst. Betreft het uitleveringsverzoek een overeenkomstig het VN Corruptieverdrag strafbaar gesteld feit? Geldt het genoemde artikel 239 van het Chileense Wetboek van Strafrecht als een strafbaar feit, zoals bedoeld in artikel 17 van dit verdrag? Behandeling van het uitleveringsverzoek wordt aangehouden voor maximaal drie maanden.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Lurisnummer: UTL-I-2022010484
Datum uitspraak: 8 december 2022
Tussenuitspraak van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op het verzoek van de autoriteiten van Chili tot uitlevering van:
[naam],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
van Chileense nationaliteit,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, [detentieadres],
verder te noemen: de opgeëiste persoon,
raadsvrouw mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam.
Procedure
De Chileense autoriteiten hebben bij brief van 30 maart 2022 aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek gedaan tot uitlevering met als doel de tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf en daartoe stukken overgelegd.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft bij brief van 12 juli 2022 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de officier van justitie bij het Landelijk Parket te Rotterdam gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 14 juli 2022 gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen.
De rechtbank heeft hierna ontvangen:
-
een brief van de raadsvrouw van 28 oktober 2022, met bijlagen;
-
een brief van de Chileense autoriteiten van 2 november 2022, en een Engelse vertaling daarvan.
Op 17 november 2022 heeft de rechtbank op de besloten zitting gehoord:
-
de officier van justitie, mr. M.A. van der Laan;
-
de opgeëiste persoon en haar raadsvrouw mr. T.M.D. Buruma.
De officier van justitie heeft op deze zitting geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering.
Toepasselijk verdrag
Van toepassing is het Verdrag van de Verenigde Naties tegen Corruptie (Trb. 2004, 11), verder te noemen: het Verdrag.
Beoordeling
De uitlevering wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een uitspraak (vonnis) van de Strafrechtelijke rechtbank van Antofagasta op 18 januari 2021 in de zaak met zaaknummer RUC 1700480634-4 en intern nummer van de rechtbank RIT 147-2020, welke vonnis door de Hoge Raad van Chili bij arrest van 23 maart 2022 na cassatieberoep is bekrachtigd.
De opgeëiste persoon is bij voornoemde uitspraak veroordeeld ter zake van het als overheidspersoon bij deelname aan processen uit hoofde van zijn of haar werkzaamheden, frauderen of ermee instemmen dat fraude gepleegd wordt bij de overheid, de gemeenten of openbare onderwijs- en liefdadigheidsinstellingen, hetgeen leidt tot verlies of ontneming van rechtmatige winst, dat strafbaar is gesteld bij artikel 239 van het Chileense Wetboek van Strafrecht. Aan haar zijn een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en één dag en bijkomende straffen opgelegd.
De vraag die voorligt is of deze uiteenzetting van de feiten met de daarop gegeven toelichting van de autoriteiten van Chili, voldoende is om de toelaatbaarheid van de uitlevering te kunnen beoordelen. De rechtbank zal in dat kader onder meer dienen te beoordelen of er sprake is van een verdragsbasis voor de verzochte uitlevering.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat artikel 44 van het Verdrag een grondslag biedt voor uitlevering, maar uitsluitend voor de overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten. Het uitleveringsverzoek benoemt artikel 17 van het Verdrag, waarin het gaat om de strafbaarstelling van verduistering, onrechtmatig gebruik of ander misbruik van goederen door een overheidsfunctionaris. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 17 van het Verdrag niet is geïmplementeerd in artikel 239 van het Chileense Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft ter onderbouwing van haar standpunt een overzicht overgelegd van de Legal Library van de Verenigde Naties, waarin staat dat artikel 17 van het Verdrag geïmplementeerd is in de artikelen 233 tot en met 238 van het Chileense Wetboek van Strafrecht.
De Chileense autoriteiten hebben het Verdrag aangemerkt als grondslag voor het uitleveringsverzoek en hebben daarbij ook verwezen naar onder meer artikel 17 van het Verdrag. De rechtbank stelt echter vast dat uit de door de Chileense autoriteiten overgelegde stukken niet blijkt in welke vorm artikel 17 van het Verdrag is geïmplementeerd in de strafwetgeving, en meer in het bijzonder of artikel 239 van het Chileense Wetboek van Strafrecht moet gelden als een implementatie van het Verdrag. Uit de inhoud van deze stukken volgt dan ook niet uitdrukkelijk dat het uitleveringsverzoek betrekking heeft op een overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feit, zoals in artikel 44 eerste lid van dit verdrag als voorwaarde wordt gesteld voor uitlevering op basis van dit verdrag.
Gelet hierop is de thans door de Chileense autoriteiten verschafte informatie vooralsnog onvoldoende om de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering te kunnen beoordelen.
De rechtbank beslist daarom tot heropening van het onderzoek ter zitting en aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek. De rechtbank acht het noodzakelijk om van de Chileense autoriteiten informatie te ontvangen gericht op de volgende punten:
-
een nadere onderbouwing dat het uitleveringsverzoek betrekking heeft op een overeenkomstig het Verdrag strafbaar gesteld feit, als bedoeld in artikel 44 van het Verdrag;
-
beantwoording van de vraag of artikel 239 van het Chileense Wetboek van Strafrecht heeft te gelden als een strafbaar feit als bedoeld in artikel 17 van het Verdrag.
Beslissing
De rechtbank beslist als volgt:
De rechtbank heropent het onderzoek.
De stukken worden in handen gesteld van de officier van justitie, met de opdracht aan haar om de Chileense autoriteiten te verzoeken nadere informatie te verstrekken ten aanzien van de hiervoor gevraagde informatie.
Het onderzoek op de zitting wordt geschorst voor onbepaalde tijd, waarbij de termijn van de schorsing op maximaal drie maanden wordt gesteld, in afwachting van de door de Chileense autoriteiten te verstrekken nadere informatie.
De officier van justitie wordt verzocht, na ontvangst van de verzochte informatie, tijdig (zo mogelijk een week) voor de volgende zitting schriftelijk een nader standpunt kenbaar te maken naar aanleiding van de verkregen informatie.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Tegen de nadere zitting dienen te worden opgeroepen:
- de opgeëiste persoon, met verstrekking van een afschrift van de oproeping aan de raadsvrouw;
- de officier van justitie (mr. M.A. van der Laan).
- een tolk in de Spaanse taal.
Aan de officier van justitie wordt verzocht zorg te dragen voor het vervoer van de opgeëiste persoon tegen de nadere zitting.
Deze beslissing is genomen door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
en mrs. J.L.M. Boek en D. van Putten,
in tegenwoordigheid van mr. F.H. Frerichs, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 8 december 2022.
De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.