Strafrecht overig
Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren…
Rechtbank Rotterdam, 18 augustus 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:11529 · Rechtbank Rotterdam · 18 augustus 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2022-11529
Zaakgegevens
Op 18 augustus 2022 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2022
- Datum publicatie
- 4 januari 2023
- Zaaknummer
- 10-277566-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2022:11529
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor het opzettelijk telen van 50 hennepplanten
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10-277566-21
Datum uitspraak: 18 augustus 2022
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte01] ,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1963,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres01] , [postcode01] [plaats01] ,
raadsman mr. W.B.M. Bos, advocaat te Oud-Beijerland.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2022.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. S.S.S. Heinerman heeft gevorderd:
-
bewezenverklaring van het ten laste gelegde, te weten het medeplegen van het opzettelijk telen en aanwezig hebben van hennepplanten;
-
veroordeling van de verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,-.
4. Verweer vormverzuim
4.1.1. Standpunt verdediging
Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte op basis van de informatie die is verkregen uit een BVH-melding die kennelijk dateert uit 2018, niet als verdachte had kunnen worden aangemerkt. Ook had aan de verdachte de cautie gegeven moeten worden, voordat aan hem door de medewerker van Stedin werd gevraagd of de meterkast in de woning van de verdachte mocht worden gecontroleerd in verband met een onderzoek naar hennep. Ditzelfde geldt voor de vraag die door verbalisant [verbalisant01] werd gesteld, te weten of de verdachte een hennepkwekerij in zijn woning had. Nu er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, dient de verklaring die door de verdachte is afgelegd op 1 december 2020 van het bewijs uitgesloten te worden.
Dit dient vervolgens tot de conclusie te leiden dat al hetgeen het gevolg was van de hiervoor genoemde verklaring van de verdachte, te weten het binnentreden op basis van een machtiging die anders niet zou zijn afgegeven, de ontdekking van en het onderzoek aan de hennepkwekerij en de verklaring van de verdachte van 6 mei 2021, ook moet worden uitgesloten van het bewijs. De verdachte dient - gelet op het voorgaande - te worden vrijgesproken.
4.1.2. Beoordeling en conclusie
De verbalisanten en een medewerker van Stedin hebben op 1 december 2020 naar aanleiding van een BVH-melding dat de bewoner van het adres [adres01] in Hoogvliet Rotterdam eerder voedings- en groeimiddelen ten behoeve van de kweek van hennep had gekocht, een onderzoek ingesteld naar een mogelijke overtreding van de Opiumwet. Na de vraag aan de verdachte van de medewerker van Stedin of hij een meting in de meterkast mocht doen in verband met een onderzoek naar hennep, verklaarde de verdachte dat dit geen probleem was en dat men de woning mocht betreden. Na deze meting bleek de meterkast warm te zijn. Hierop heeft verbalisant [verbalisant01] aan de verdachte gevraagd of er een hennepkwekerij in de woning van de verdachte aanwezig was. De verdachte heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Op basis hiervan - en dus niet slechts op basis van de BVH-melding - is de verdachte vervolgens als verdachte van overtreding van de Opiumwet aangemerkt. Ten tijde van het stellen van de vragen was hiervan nog geen sprake, zodat de verbalisant - anders dan de verdediging stelt - aan de verdachte op dat moment nog niet de cautie hoefde te geven. Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van (een) vormverzuim(en), is er geen aanleiding voor bewijsuitsluiting van enig bewijsmiddel. Het verweer wordt verworpen. De resultaten van het onderzoek kunnen dan ook voor het bewijs worden gebruikt.
5. Waardering van het bewijs
Op basis van de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk telen van hennepplanten.
De rechtbank is - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte niet is komen vast te staan. Daarom zal de verdachte van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij in de periode van 22 oktober 2020 tot en met 1 december 2020 te
Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam opzettelijk heeft geteeld ,
in een pand aan de [adres01] , 50 hennepplanten , zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
6. Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod .
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
7. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
8. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft een kwekerij met hennepplanten gehad in zijn woning. Hij hield zich naar eigen zeggen al sinds 2010 bezig met de hennepteelt en de verkoop van hennep, omdat het zijn passie en hobby is. Verdovende middelen en de illegale handel daarin vormen echter een bedreiging voor de samenleving, in die zin dat zij de volksgezondheid bedreigen en criminaliteit bevorderen. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij hieraan heeft bijgedragen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 juni 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de strafoplegging in soortgelijke zaken is in dit geval in beginsel het opleggen van een geldboete passend. De rechtbank zal hiervan echter afzien, gelet op de slechte financiële situatie van de verdachte. De verdachte is blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie in 2019 eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. Aan de verdachte is toen een taakstraf opgelegd, welke taakstraf door de verdachte is verricht. De oplegging van een taakstraf behoort daardoor, gelet op het zogenaamde taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, niet meer tot de mogelijkheden voor strafoplegging. De verdachte is na verwijdering van de hennepkwekerij in een depressie dan wel burn-out geraakt. Rekening houdend met het voorgaande acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand passend en geboden. Deze voorwaardelijke straf dient er onder meer toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
10 .Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand
;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.A. Hut, voorzitter,
mr. K.A. Baggerman en mr. E. IJspeerd, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Sengezken, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 18 augustus 2022.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij in of omstreeks de periode van 22 oktober 2020 tot en met 1 december 2020 te
Hoogvliet Rotterdam , gemeente Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de Gebberweg 5)
een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer
80 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in
elk
geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,
zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;