Strafrecht overig

Vrijspraak medeplegen van gijzeling en medeplegen poging tot afpersing.

Rechtbank Rotterdam, 31 januari 2025

Zaakgegevens

Op 31 januari 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
31 januari 2025
Datum publicatie
4 februari 2025
Zaaknummer
10/236305-22
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2025:1357
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak medeplegen van gijzeling en medeplegen poging tot afpersing.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/236305-22

Datum uitspraak: 31 januari 2025

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2025.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De feiten kunnen wettig en overtuigend worden bewezen. Het is de verdachte die het slachtoffer naar de woning van de medeverdachte heeft gebracht. Daar is het slachtoffer door anderen vanwege een conflict in het criminele milieu gekneveld en vastgehouden. In ruil voor zijn vrijheid moest het slachtoffer een geldbedrag betalen. De verdachte heeft de telefoon van het slachtoffer meegenomen naar zijn eigen woning. De verdachte is tijdens de gijzeling meerdere keren in de woning van de medeverdachte geweest. Hij nam eten mee, voerde overleg met ‘ [naam] ’ en speelde voor tolk voor de andere mannen als het over geld ging. De rol van de verdachte is die van tussenpersoon.

4.1.2.

Standpunt verdediging

De feiten kunnen niet wettig en overtuigend worden bewezen. De verdachte dient te worden vrijgesproken.

4.1.3.

Beoordeling

De rechtbank is -anders dan de officier van justitie- van oordeel dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen.

Vast staat dat het slachtoffer met de verdachte naar de woning van de medeverdachte is gekomen en dat het slachtoffer daar op enig moment door anderen is vastgebonden en de mond is afgeplakt. In ruil voor zijn vrijheid moest het slachtoffer een geldbedrag betalen. Het slachtoffer is in staat gesteld om met zijn telefoon veelvuldig contact te hebben met personen in Frankrijk. Uit de spraakberichten en geschreven berichten volgt dat er kennelijk problemen waren over een auto zonder papieren en dat er geld overgemaakt moest worden.

In het dossier is geen bewijs te vinden dat de verdachte een van de tenlastegelegde uitvoeringshandelingen heeft verricht. Niet blijkt dat de verdachte geweldshandelingen tegen het slachtoffer heeft begaan en evenmin dat de verdachte het slachtoffer heeft belet de woning te verlaten. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, kan aan de hand van de gegevens over de GPS-fixes van de telefoon van het slachtoffer ook niet met de vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte die telefoon mee naar huis heeft genomen. Er zijn aanwijzingen dat de verdachte meerdere keren in de woning waar het slachtoffer verbleef is geweest en dat hij heeft getolkt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de handelingen van de verdachte echter van onvoldoende gewicht om van medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing te spreken. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken.

4.1.4.

Conclusie

De verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

5 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

6 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Lange, voorzitter,

en mrs. R.H. Kroon en J.C. Oord, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is

vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in de periode van 9 september 2022 tot en met 16 september 2022 te Rotterdam,

gemeente Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of

beroofd gehouden door;

- die [slachtoffer 1] in een auto mee te nemen en naar het huis aan de [adres 2] te

rijden, en/of

- die [slachtoffer 1] in dat huis te knevelen, en/of

- de mond van die [slachtoffer 1] af te plakken, en/of

- die [slachtoffer 1] tegen zijn wil op te sluiten en opgesloten te houden in de badkamer,

en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of zijn vriend(en) te zeggen dat het geld voor 16 september

2022 om 14:30 betaald moet zijn, anders zullen er mensen komen om die [slachtoffer 1]

te mishandelen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of zijn vrienden te zeggen dat 16 september 2022 om 14:30

uur de deadline is om te betalen, en dat 50.000 euro voldoende is om vrij te komen

en dat 30.000 euro later betaald kan worden, althans woorden van gelijke strekking,

en/of

- die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: “je zal worden omgebracht als het geld

niet betaald wordt”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

een en ander met het oogmerk om [slachtoffer 1] en/of (een) ander(en), te weten [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] , te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten een

geldbedrag van 80.000 euro af te geven.

(art 282a lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in de periode van 9 september 2022 tot en met 16 september 2022 te Rotterdam,

gemeente Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn/haar mededader(s) voorgenomen

misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1]

heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 80.000 euro, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan

verdachten en/of zijn mededader(s):

- die [slachtoffer 1] in een auto heeft meegenomen en naar het huis aan de [adres 2]

is gereden, en/of

- die [slachtoffer 1] in dat huis heeft gekneveld, en/of

- de mond van die [slachtoffer 1] heeft afgeplakt, en/of

- die [slachtoffer 1] tegen zijn wil heeft opgesloten en opgesloten heeft gehouden in de

badkamer, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of zijn vriend(en) heeft gezegd dat het geld voor 16

september 2022 om 14:30 betaald moest zijn, anders zouden er mensen komen om

die [slachtoffer 1] te mishandelen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of zijn vrienden heeft gezegd dat 16 september 2022 om

14:30 uur de deadline is om te betalen, en dat 50.000 euro voldoende zou zijn om

vrij te komen en dat 30.000 euro later betaald kon worden, althans woorden van

gelijke strekking, en/of

- die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: “je zal worden omgebracht als het geld

niet betaald wordt”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht,

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)