Strafrecht overig

Babbeltrucs. Bewezenverklaring oplichtingen en diefstallen door middel van een valse sleutel. Aan de…

Rechtbank Rotterdam, 17 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 17 augustus 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
17 augustus 2026
Datum publicatie
17 augustus 2026
Zaaknummer
10-005726-26 en 10-158143-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:10215
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Babbeltrucs. Bewezenverklaring oplichtingen en diefstallen door middel van een valse sleutel.

Aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummers: 10-005726-26 en 10-158143-25

Datum uitspraak: 17 augustus 2026

Datum zitting: 3 augustus 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

gedetineerd in [detentielocatie] .

Advocaat van de verdachte: mr. J.W. Vedder

Officier van justitie: mr. T. van den Bergh

Benadeelde partijen: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5]

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij betrokken is bij acht babbeltrucs waarvan bejaarde mensen het slachtoffer zijn. Het gaat er
- samengevat - om dat hij samen met anderen vijf oplichtingen heeft gepleegd en drie diefstallen door te pinnen met passen die door zo’n babbeltruc waren verkregen. Voor de leesbaarheid zijn de feiten van de twee dagvaardingen in dit vonnis doorgenummerd.

De volledige tenlastelegging houdt in dat

1.

hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een

dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een telefoon en/of een of meerdere bankpassen, door

- zich naar de woning van die [slachtoffer 1] te bewegen,

- zich voor te doen als medewerker van de politie,

- die [slachtoffer 1] te vertellen dat haar telefoon gestolen was en te vertellen dat hij deze gevonden had,

- de woning van die [slachtoffer 1] te betreden,

- die [slachtoffer 1] naar haar pincode te vragen en/of

- een of meerdere bankpassen en/of de telefoon van die [slachtoffer 1] mee te nemen;

2.

hij op of omstreeks 21 juli 2025 te Leiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een tablet en/of een of meerdere bankpassen, door

- die [slachtoffer 2] te bellen en/of zich (vervolgens) voor te doen als medewerker van de ING bank,

- die [slachtoffer 2] te vertellen dat er verdachte activiteiten omtrent de bankrekening van die [slachtoffer 2] plaatsvonden,

- die [slachtoffer 2] te vertellen dat zij haar pinpas diende te blokkeren,

- die [slachtoffer 2] te vertellen dat iemand van de ING naar haar woning zou komen,

- zich naar de woning van die [slachtoffer 2] te bewegen en/of (vervolgens) de woning van die [slachtoffer 2] te betreden,

- die [slachtoffer 2] te vertellen dat haar bankpas en tablet gescand dienden te worden en/of

- die [slachtoffer 2] te bewegen haar bankpas en/of tablet af te geven en deze mee te nemen;

3.

hij op of omstreeks 8 december 2025 te Wageningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een trouwring en/of een bankpas, door

- die [slachtoffer 3] te bellen en/of zich (vervolgens) voor te doen als medewerker van de ASN bank,

- die [slachtoffer 3] te vertellen dat er verdachten waren aangehouden door de politie en dat bij deze personen een briefje met de gegevens van die [slachtoffer 3] waren aangetroffen,

- zich naar de woning van die [slachtoffer 3] te bewegen en/of zich voor te doen als medewerker van de politie en/of een politienummer aan die [slachtoffer 3] door te geven,

- de woning van die [slachtoffer 3] te betreden en/of

- een trouwring en/of bankpas van die [slachtoffer 3] mee te nemen;

4.

hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Oldekerk, gemeente Westerkwartier, althans

in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een of meerdere bankpassen, door

- die [slachtoffer 4] te bellen en/of zich (vervolgens) voor de te doen als medewerker van de ABN AMRO Bank,

- die [slachtoffer 4] te vertellen dat er criminelen rondlopen in het dorp Oldekerk en dat er geprobeerd was om geld van de rekening van die [slachtoffer 4] af te schrijven,

- zich naar de woning van die [slachtoffer 4] te bewegen en/of zich voor te doen als medewerker van de politie en/of een dienstnummer aan die [slachtoffer 4] door te geven,

- de woning van die [slachtoffer 4] te betreden en/of

- een of meerdere bankpassen van die [slachtoffer 4] mee te nemen;

5.

hij in of omstreeks de periode van 14 januari 2026 tot en met 15 januari 2026 te Krommenie, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een of meer bankpassen en/of een of meer geldbedragen van 1.850 euro en/of 6.000 euro en/of 2.600 euro, door

- die [slachtoffer 5] te bellen en/of zich (vervolgens) voor te doen als medewerker van de ING bank,

- die [slachtoffer 5] te vertellen dat er geprobeerd zou zijn om geld van haar rekening te halen,

- die [slachtoffer 5] te bewegen geldbedragen van 1.850 euro en/of 6.000 euro over te maken naar een bankrekening op naam van [persoon A] ,

- zich naar de woning van die [slachtoffer 5] te bewegen en/of zich voor te doen als medewerker van de politie en/of die [slachtoffer 5] een codewoord te geven,

- de woning van die [slachtoffer 5] te betreden en/of

- een of meer bankpassen en/of een geldbedrag van 2.600 euro van die [slachtoffer 5] mee te nemen;

6.

hij op of omstreeks 27 januari 2025 te Dordrecht een geldbedrag (van 490 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van de pinpas van die [slachtoffer 6] en/of met de pinpas van die [slachtoffer 6] een of meerdere malen (contactloos) te pinnen;

7.

hij op of omstreeks 19 februari 2025 te Rotterdam een geldbedrag (van 790 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van de pinpas van die [slachtoffer 7] en/of met de pinpas van die [slachtoffer 7] een of meerdere malen (contactloos) te pinnen;

8.

hij op of omstreeks 20 februari 2025 te Rotterdam een geldbedrag (van 100 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van de pinpas van die [slachtoffer 8] en/of met de pinpas van die [slachtoffer 8] een of meerdere malen (contactloos) te pinnen.

2 Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte veroordeelt voor alle feiten.

Conclusie van de verdediging

De verdachte bekent alle ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft zich voor alle feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte:

1.

hij op 23 juli 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een bankpas, door

- zich voor te doen als medewerker van de politie,

- die [slachtoffer 1] te vertellen dat haar telefoon gestolen was en te vertellen dat hij deze gevonden had,

- de woning van die [slachtoffer 1] te betreden;

2.

hij op 21 juli 2025 te Leiden tezamen en in vereniging met een of meer anderen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een bankpas, door

- die [slachtoffer 2] te bellen en zich vervolgens voor te doen als medewerker van de ING bank,

- die [slachtoffer 2] te vertellen dat er verdachte activiteiten omtrent de bankrekening van die [slachtoffer 2] plaatsvonden,

- die [slachtoffer 2] te vertellen dat zij haar pinpas diende te blokkeren,

- die [slachtoffer 2] te vertellen dat iemand van de ING naar haar woning zou komen,

- vervolgens de woning van die [slachtoffer 2] te betreden,

- die [slachtoffer 2] te vertellen dat haar bankpas en tablet gescand dienden te worden;

3.

hij op 8 december 2025 te Wageningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een bankpas, door

- die [slachtoffer 3] te bellen en zich vervolgens voor te doen als medewerker van de ASN bank,

- die [slachtoffer 3] te vertellen dat er verdachten waren aangehouden door de politie en dat bij deze personen een briefje met de gegevens van die [slachtoffer 3] waren aangetroffen,

- zich voor te doen als medewerker van de politie en een politienummer aan die [slachtoffer 3] door te geven,

- de woning van die [slachtoffer 3] te betreden;

4.

hij op 15 januari 2026 te Oldekerk, gemeente Westerkwartier, tezamen en in vereniging met een of meer anderen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten bankpassen, door

- die [slachtoffer 4] te bellen en zich vervolgens voor de te doen als medewerker van de ABN AMRO Bank,

- die [slachtoffer 4] te vertellen dat er criminelen rondlopen in het dorp Oldekerk en dat er geprobeerd was om geld van de rekening van die [slachtoffer 4] af te schrijven,

- zich voor te doen als medewerker van de politie en een dienstnummer aan die [slachtoffer 4] door te geven,

- de woning van die [slachtoffer 4] te betreden;

5.

hij in de periode van 14 januari 2026 tot en met 15 januari 2026 te Krommenie, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten bankpassen en geldbedragen van 1.850 euro en 6.000 euro, door

- die [slachtoffer 5] te bellen en zich vervolgens voor te doen als medewerker van de ING bank,

- die [slachtoffer 5] te vertellen dat er geprobeerd zou zijn om geld van haar rekening te halen,

- die [slachtoffer 5] te bewegen geldbedragen van 1.850 euro en 6.000 euro over te maken naar een bankrekening op naam van [persoon A] ,

- zich voor te doen als medewerker van de politie en die [slachtoffer 5] een codewoord te geven,

- de woning van die [slachtoffer 5] te betreden;

6.

hij op 27 januari 2025 te Dordrecht een geldbedrag van 490 euro dat aan [slachtoffer 6] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van de pinpas van die [slachtoffer 6] ;

7.

hij op 19 februari 2025 te Rotterdam een geldbedrag van 970 euro dat aan [slachtoffer 7] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van de pinpas van die [slachtoffer 7] ;

8.

hij op 20 februari 2025 te Rotterdam een geldbedrag van 100 euro dat aan [slachtoffer 8] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van de pinpas van die [slachtoffer 8] .

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het geldbedrag in feit 7 een voor iedereen kenbare verschrijving betrof.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom noemt de rechtbank voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel, maar schrijft zij die niet uit.

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 1]

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2]

4. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 3]

5. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 4]

6. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 5]

7. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 6]

8. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 7]

9. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 8]

3 Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

1.

medeplegen van oplichting;

2.

medeplegen van oplichting;

3.

medeplegen van oplichting;

4.

medeplegen van oplichting;

5.

medeplegen van oplichting;

6.

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

7.

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

8.

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de geëiste straf flink te matigen en een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft samen met anderen vijf personen opgelicht door middel van babbeltrucs en hij heeft van drie personen geld gestolen door te pinnen met pinpassen die bij babbeltrucs afhandig waren gemaakt. Bij de oplichtingen gaf de verdachte instructies aan de persoon die zich voordeed als medewerker van de bank of de politie en die de slachtoffers thuis bezocht en hen vertelde dat ze gevaar liepen om bestolen te worden en daarom hun waardevolle goederen en bankpassen beter konden afgeven. In alle acht gevallen gaat het om bejaarde slachtoffers en soms ook om fysiek of mentaal kwetsbare slachtoffers. Van het vertrouwen dat deze slachtoffers hadden in bankmedewerkers en politieambtenaren is misbruik gemaakt om hun bankpassen of geldbedragen afhandig te maken. Uit de aangiften en de toelichtingen op de vorderingen van de benadeelde partijen blijkt dat het handelen van de verdachte grote impact heeft gehad op de levens van de slachtoffers. Naast de hinder die zij hebben ondervonden doordat bankpassen zijn afgenomen, hebben zij psychische gevolgen opgelopen. De slachtoffers zijn angstig en wantrouwend geworden richting anderen en zij verwijten zichzelf dat zij in de babbeltruc zijn getrapt. De verdachte heeft puur uit financieel gewin gehandeld en heeft geen rekening gehouden met de gevolgen voor de slachtoffers. De rechtbank sluit zich aan bij wat de verdachte zelf en de officier van justitie daarover hebben gezegd: het zijn laffe feiten.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapport van de reclassering

In het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 24 maart 2026 staat dat de leefgebieden financiën en het psychosociaal functioneren als eventuele risicoverhogende factoren zijn aan te merken. Bij psychosociaal functioneren kan worden gedacht aan het maken van verkeerde keuzes en het onvoldoende nadenken over zijn handelen en de gevolgen daarvan. Als beschermende factoren worden zijn steunende sociaal netwerk en de huisvesting genoemd. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Er wordt geadviseerd om aan de verdachte de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht bij de Reclassering, zich inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk en meewerken aan het aflossen van zijn schulden.

Overige persoonlijke omstandigheden

Op de zitting heeft de verdachte de feiten bekend en hij noemt zijn handelen laf. Hij heeft verklaard dat het hem spijt en dat hij zijn verantwoordelijkheid wil nemen. Hij was zijn baan kwijtgeraakt en had snel geld nodig. De verdachte heeft veel nagedacht in detentie. Hij heeft verklaard een nieuw leven te willen opbouwen aan de andere kant van Nederland met zijn vrouw en zijn kind. Hij wil een vaste baan, zodat hij op een eerlijke manier geld kan verdienen voor zijn gezin en zijn kinderen. Hij heeft verklaard dat hij aan alle bijzondere voorwaarden wil meewerken en ook bereid is de schade aan de slachtoffers te vergoeden.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen

van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur

daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd.

Als strafverzwarend weegt de rechtbank mee dat de verdachte over een langere periode van ongeveer een jaar deelnam aan deze babbeltrucs. Hij begon als degene die het geld van de rekeningen van de slachtoffers stal door met hun bankpassen te pinnen, maar na enige tijd klom hij naar eigen zeggen op binnen de groep mededaders en werd hij degene die anderen aanstuurde en naar de slachtoffers stuurde en hen instructies gaf.

In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat hij welgemeende spijt heeft geuit over wat hij heeft gedaan, dat hij het kwalijke daarvan inziet en dat hij concrete stappen wil zetten om weg te komen uit de omgeving die hem naar eigen zeggen tot criminaliteit kan verleiden. Tot slot is rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank komt alles afwegende uit op een gevangenisstraf van 24 maanden. De ernst van het bewezenverklaarde komt daarmee voldoende tot uiting. Van die straf legt de rechtbank 8 maanden voorwaardelijk op. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt en zij biedt de verdachte de kans om zijn leven echt anders in te richten. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

5 Vorderingen van de benadeelde partijen

De vordering van [benadeelde 1]

heeft als benadeelde partij voor feit 2 een vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

Primair wordt verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat het totaalbedrag niet is ingevuld en de vordering niet is ondertekend. Subsidiair kan de vordering worden toegewezen.

Standpunt officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.

Oordeel rechtbank

De benadeelde partij heeft op het document verzoek tot schadevergoeding het onderdeel materiële schade ingevuld en daaraan een bedrag gekoppeld van € 155,-. Zij heeft de machtiging om die schade te vorderen ondertekend. Hieruit leidt de rechtbank af dat de benadeelde partij een vordering heeft willen indienen. De benadeelde partij is ontvankelijk in de vordering.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De rechtbank wijst de vordering daarom toe. Dit betekent dat de verdachte € 155,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

De vordering van [benadeelde 2]

heeft als benadeelde partij voor feit 3 € 1.230,- als vergoeding voor materiële schade en € 2.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de materiële schade. Ten aanzien van de immateriële schade moet de vordering worden afgewezen.

Standpunt officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan voor de materiële schade worden toegewezen en ten aanzien van de immateriële schade wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De rechtbank wijst de vordering daarom toe. Dit betekent dat de verdachte € 1.230,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

De verdediging heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade betwist. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering om vast te stellen of en zo ja, in hoeverre, sprake is van immateriële schade in de vorm van aantasting in de persoon als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek en de rechtspraak van de Hoge Raad. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van [benadeelde 3]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een verzoek tot schadevergoeding.

Standpunt verdediging

Primair wordt verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat bij de immateriële schade geen bedrag is ingevuld en subsidiair moet de vordering worden afgewezen.

Standpunt officier van justitie

Op de vordering van de benadeelde partij is bij de immateriële schade een omschrijving gegeven, maar is geen bedrag ingevuld. De rechtbank wordt verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.

Oordeel rechtbank

De benadeelde partij heeft het verzoek tot schadevergoeding ingevuld en daaraan geen bedrag gekoppeld. Uit het indienen en invullen van het verzoek tot schadevergoeding leidt de rechtbank af dat de benadeelde partij een vordering heeft willen indienen. De beoordeling van de vordering vraagt echter om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering om vast te stellen of en zo ja, in hoeverre, sprake is van immateriële schade in de vorm van aantasting in de persoon als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek en de rechtspraak van de Hoge Raad. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij dus niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van [benadeelde 4]

heeft als benadeelde partij voor feit 6 € 490,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.

Standpunt officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 6 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De rechtbank wijst de vordering daarom toe. Dit betekent dat de verdachte € 490,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

De vordering van [benadeelde 5]

heeft als benadeelde partij voor feit 7 € 7.850,- (totaal € 14.820,- min reeds vergoed € 6.970,-) als vergoeding voor materiële schade en € 3.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard. De gevorderde materiele schade en immateriële schade zijn geen rechtstreekse schade van het strafbare feit diefstal. Het gestolen geldbedrag zou toewijsbaar zijn, maar de bank heeft dit al vergoed. Subsidiair moet de immateriële schade worden afgewezen.

Standpunt officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan worden toegewezen voor het gepinde bedrag van € 970.- en voor het resterende deel moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade wordt de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.

Oordeel rechtbank

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 7 bewezen verklaarde feit. Bewezen is verklaard dat de verdachte een bedrag van € 970,- heeft gestolen. Uit de vordering blijkt dat de bank dit bedrag al heeft vergoed. Voor het resterende deel van de gevorderde schade, zowel materieel als immaterieel, is het rechtstreekse verband met het strafbare feit, diefstal, onvoldoende komen vast te staan. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Hoofdelijke veroordeling

De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededader(s) gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader(s) de schadevergoeding (voor een deel) heeft of hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan die benadeelde partij te betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe bij [benadeelde 1] vanaf 21 juli 2025, bij [benadeelde 2] vanaf 8 december 2025 en bij [benadeelde 4] vanaf 27 januari 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 4] hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vordering van die benadeelde partijen (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

De rechtbank veroordeelt de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 5] in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van in totaal maximaal 17 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 8 maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

  1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

  2. de verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk met een vaste structuur, zo nodig met hulp van een daartoe aangewezen organisatie, dit ter beoordeling van de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van die organisatie;

  3. de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden, zolang de reclassering dat nodig vindt, ook als dit inhoudt het treffen van afbetalingsregelingen of het meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp). De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1, 2 en 3 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 2) te betalen een bedrag van € 155,-, bestaande uit materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 21 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de Staat € 155,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 21 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft/hebben vergoed;

Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 3), te betalen een bedrag van € 1.230,-, bestaande uit materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 december 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 3 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de Staat € 1.230,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 12 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft/hebben vergoed;

Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 5);

bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0;

Vordering benadeelde partij [benadeelde 4]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), aan de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 6), te betalen een bedrag van € 490,-, bestaande uit materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 27 januari 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 6 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] aan de Staat € 490,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 27 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 4 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft/hebben vergoed;

Vordering benadeelde partij [benadeelde 5]

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 7);

bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.J.P. van Essen, voorzitter,

en mrs. M.J.C. Spoormaker en F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 17 augustus 2026.

Mr. Van Laanen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Verklaard tijdens de zitting van 3 augustus 2026. [nummer proces-verbaal 1] , onderzoek [dossiernaam] . [nummer proces-verbaal 2] , onderzoek [dossiernaam] . [nummer proces-verbaal 3] 3, onderzoek [dossiernaam] . [nummer proces-verbaal 4] , onderzoek [dossiernaam] . [nummer proces-verbaal 5] , onderzoek [dossiernaam] . [nummer proces-verbaal 6] , eindPV 10-158143-25. [nummer proces-verbaal 7] , eindPV 10-158143-25. [nummer proces-verbaal 8] , eindPV 10-158143-25.