Strafrecht overig

Veroordeling voor tweemaal poging tot zware mishandeling, door met een mes te steken. Er was sprake van…

Rechtbank Rotterdam, 5 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 5 augustus 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Datum publicatie
17 augustus 2026
Zaaknummer
10-105166-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:10216
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor tweemaal poging tot zware mishandeling, door met een mes te steken. Er was sprake van uitgaansgeweld. Overwegingen over de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Vrijspraak poging tot doodslag. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 68 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf voor de duur van 240 uren. Overwegingen over de vorderingen van de benadeelde partijen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-105166-26

Datum uitspraak: 5 augustus 2026

Datum zitting: 22 juli 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2004 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland 1] ),

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats.

Advocaat van de verdachte: mr. S. Yaprak

Officier van justitie: mr. T. van den Bergh

Benadeelde partij 1: [slachtoffer 1]

Benadeelde partij 2: [slachtoffer 2]

Advocaat van benadeelde partij 2: mr. C. Bagci

Kern van het vonnis

De verdachte heeft geprobeerd twee slachtoffers zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hen (meermaals) met een mes te steken. De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. De verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 120 dagen, waarvan 68 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren. Hierbij worden bijzondere voorwaarden aan de verdachte opgelegd. Daarnaast wordt aan de verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van 240 uren. De vorderingen van de benadeelde partijen worden (gedeeltelijk) toegewezen.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen en [slachtoffer 2] van het leven te beroven, dan wel zwaar te mishandelen, door hen (meermalen) met een mes te steken.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1. primair

hij op 15 maart 2026 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] ,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een mes in de arm, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair

hij op 15 maart 2026 te Rotterdam

[slachtoffer 1] heeft mishandeld,

door met een mes in de arm, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te steken en/of snijden;

2

hij op 15 maart 2026 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (aan) een ander, te weten [slachtoffer 2] ,

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

meermalen met een mes in borst, arm en/of hand, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Bewijs / Vrijspraak

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 primair (poging tot zware mishandeling [slachtoffer 1] ) en 2 impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling [slachtoffer 2] ), en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2 impliciet primair (poging tot doodslag [slachtoffer 2] ).

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit voor de tenlastegelegde feiten. Subsidiair heeft de verdediging in ieder geval vrijspraak bepleit voor de feiten 1 primair (poging tot zware mishandeling [slachtoffer 1] ) en 2 impliciet primair (poging tot doodslag [slachtoffer 2] ), omdat geen sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, respectievelijk op de dood. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Vrijspraak (feit 2 impliciet primair)

De beschuldiging onder 2 impliciet primair (poging tot doodslag [slachtoffer 2] ) is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

2.3.2.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen (feiten 1 primair en 2 impliciet subsidiair)

Bewezen is dat de verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar te mishandelen door hen (meermaals) te steken met een mes (feiten 1 primair en 2 impliciet subsidiair). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Op 15 maart 2026 was ik samen met vijf anderen bij [café] te Rotterdam. Ik ben ietsje later bij de groep gekomen, nadat mijn vriendin [persoon A] mij erbij had gevraagd. De anderen waren [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] . Daarna liepen we op de Lijnbaan. [persoon A] heeft mij vervolgens thuisgebracht.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 1]

Op 15 maart 2025, omstreeks 01.00 uur, liep ik door het centrum van Rotterdam. Ik was samen met [persoon E] en [slachtoffer 2] . Ik had een pet op.

Ik liep over het Stadhuisplein naar de Lijnbaan. Ik zag dat er meerdere jongens en meiden waren. Ik zag dat een jongen een mes trok. Hij stak mij in mijn linker bovenarm. Ik voelde iets in mijn arm en liep weg in de richting van de Korte Lijnbaan. Ik liep weg richting het Centraal Station van Rotterdam. Ik liep terug omdat mijn arm aan het bloeden was. Op de kruising van het Schouwburgplein en het Kruisplein kwam ik een politieagent tegen. De politieagent heeft een tourniquet om mijn arm gebonden. De ambulance heeft mij meegenomen naar het Sint Franciscus ziekenhuis. Hier ben ik gehecht aan mijn verwondingen en heb ik medicatie gekregen.

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2]

Op 14 maart 2026 ging ik in Rotterdam uit met [persoon E] en [slachtoffer 1] . Op 15 maart 2026 tussen 01:00 en 02:00 uur liepen wij vanaf het Stadhuisplein richting de Korte Lijnbaan. Vanuit het niets werd er ruzie met ons gezocht door een groep jongens met een Turks of Marokkaans uiterlijk. Plotseling zag ik dat een jongen op mij afkwam met een mes en steekbewegingen naar mij maakte. Ik weerde mij af. Ik voelde op dat moment nog niks vanwege de adrenaline. Pas toen ik naar de grond keek en bloed zag druppelen besefte ik dat ik gestoken was. Ik had nog niet door hoe erg ik verwond was. De politie wilde me niet zo naar huis laten gaan, mijn kleding en schoenen zaten namelijk helemaal onder het bloed. Ik ben meegenomen door de politie. Op het politiebureau zijn mijn verwondingen gehecht door een arts. Ik had veel pijn aan mijn verwondingen. Ik had een steekwond in mijn rechter pink, een steekwond onder mijn rechterborst, bij de zijkant van mijn ribben en een steekwond in mijn rechter onderarm.

4. Proces-verbaal van de politie

Op 15 maart 2026 omstreeks 01:25 uur reed ik, [verbalisant] , met de fiets op het Stadhuisplein in de richting van de Lijnbaan in Rotterdam. Ik hoorde geschreeuw en zag een groepje mensen bij elkaar staan. Ik zag een opstootje met meerdere mensen. Ik reed naar het groepje toe en werd aangesproken door een man. Deze man bleek later te zijn: [persoon E] , geboren [geboortedatum 2] 1994 te [geboorteland 2] . Vanaf nu te noemen [persoon E] .

Ik hoorde [persoon E] zeggen: ‘Ik ben net bedreigd met een mes door die mensen’. Hij wees hierbij naar een groepje van drie personen. Het groepje wat hij aanwees bestond uit drie personen welke later bleken te zijn:

- [persoon C] , geboren op [geboortedatum 3] 2003 te [geboorteplaats 2] . Hierna te noemen [persoon C] . [persoon C] kan ik als volgt omschrijven: man, licht getint, zwart haar in een knot, Burberry jas, en donkere broek;

- [persoon B] , geboren op [geboortedatum 4] 2008 te [geboorteplaats 3] . Hierna te noemen [persoon B] ;

- [persoon D] , geboren op [geboortedatum 5] 2005 te [geboorteplaats 4] ( [geboorteland 1] ). Hierna te noemen [persoon D] . [persoon D] kan ik als volgt omschrijven: man, licht getint, donkere puffer jas van het merk Airforce, en donkere broek.

Ik sprak met een man welke op de Lijnbaan stond. Deze man bleek te zijn: [persoon F] , geboren [geboortedatum 6] 2004 te [geboorteplaats 5] . Ik hoorde [persoon F] zeggen: “Die man is net bedreigd met een mes, ik zag dat een man met een knot dit deed. Dit was niet de man met de knot met de Burberry jas. Ik zag dat de man een mes in zijn hand had en dat hij deze daarna aan zijn vriendin gaf. Ik zag dat hij weg liep toen hij politie zag. Hij zou [voornaam verdachte] heten”.

Ter hoogte van het Kruisplein trof ik een man. Deze man bleek later te zijn: [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum 7] 2003 te [geboorteplaats 6] . Vanaf nu te noemen
[slachtoffer 1] . Ik zag dat [slachtoffer 1] een compleet bebloede linkerarm had. Ik zag dat zijn witte sneakers rood waren geworden van de rode druppels. Ik zag dat [slachtoffer 1] langzaam liep en zwalkte. Ik zag dat hij een wond in zijn linker bovenarm had. Ik kan de wond als volgt omschrijven:

- 2 centimeter lang;

- halve centimeter breed;

- wond stond open.

Ik herkende de wond als een steekwond.

5. Proces-verbaal van de politie, verklaring [persoon B]

Op 15 maart 2026 omstreeks 01:10 uur was ik met [persoon C] , [persoon D] , [persoon A] en de vriend van [persoon A] . De vriend van [persoon A] is de jongen die heeft gestoken.

Wij liepen naar de Lijnbaan te Rotterdam. Die vriend van [persoon A] trok ineens een mes en ik zag dat die lange jongen en een wat dikkere jongen met een pet werden gestoken. Ik zag toen dat die vriend van [persoon A] keihard aan kwam rennen en begonnen in te steken op die lange jongen. Die dikke jongen stond ernaast. Ik zag dat die dikke jongen werd geraakt. Ik zag dat die vriend van [persoon A] bleef steken. [persoon A] en haar vriend zijn toen weggelopen.

6. Proces-verbaal van de politie, verklaring [persoon D]

Op 15 maart 2026 omstreeks 01:10 uur was ik samen met een vriend van mij in Rotterdam. Toen zei een van de meisjes die ons meevroeg dat ze haar ex ook zou laten komen. Toen kwam haar ex. De ex heet [voornaam verdachte] . Daarna kreeg die ex buiten ruzie met iemand anders. Blijkbaar had hij een mes. Toen heeft [voornaam verdachte] gestoken.

7. Schriftelijk stuk

Letselbeschrijving op verzoek van de recherche Rotterdam, naar aanleiding van een lichamelijk onderzoek en behandeling door [naam arts] , forensisch arts, op 15 maart 2026 te politiebureau Doelwater.

Objectieve bevindingen:

Er werd geconstateerd:

1. Aan de buitenzijde van de rechter pink bevond zich een scherp begrensde, lijnvormige, open huidverwonding, met actief bloeden, van geschat 3,0 cm lang.

2. Ter hoogte van de rechterelleboog bevond zich een scherp begrensde, lijnvormige, open huidverwonding, met actief bloeden, van gechat 2,0 cm lang.

3. Aan de rechterzijde van de borstkas, geschat 5 cm naar de buitenzijde toe vanaf de rechter tepel, bevond zich een scherp begrensde open huidverwonding, met actief bloeden, onderhuids vetweefsel zichtbaar, ovaalvormig, van geschat 3,0 cm bij 1,5 cm.

Bijkomende gegevens:

De huidverwondingen bij de rechterpink en rechterelleboog werden gehecht met vier hechtingen.

De huidverwonding aan de rechterzijde van de borstkas werd gehecht met vijf hechtingen.

Bovengenoemde bevindingen zouden kunnen passen bij een snij- dan wel een steekverwonding.

De geschatte genezingsduur bedraagt bij een ongecompliceerd beloop ongeveer één tot twee weken met littekenvorming.

2.3.3.

Nadere bewijsmotivering

Door de verdediging is bepleit dat ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde geen sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel en aldus vrijspraak dient te volgen voor het primair tenlastegelegde feit.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen als gevolg van het handelen van verdachte. De verdachte is in/na een woordelijke confrontatie tussen personen uit twee verschillende groepen hard op [slachtoffer 1] afgerend en heeft stekende bewegingen gemaakt met een mes in zijn handen richting van het bovenlichaam van [slachtoffer 1] . De verdachte heeft [slachtoffer 1] hierbij met het mes in zijn linker bovenarm geraakt. Het handelen van verdachte is, naar de uiterlijke verschijningsvorm beoordeeld, gericht geweest op en geschikt tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de kans reëel is geweest dat [slachtoffer 1] geraakt zou worden op plaatsen in het bovenlichaam waar zich pezen, zenuwen en bloedvaten bevinden, die bij beschadiging zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer kunnen opleveren.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor omschreven wijze waarop door de verdachte is gestoken naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het gevolg – zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer – dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

2.3.4.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Feit 1 primair

hij op 15 maart 2026 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] ,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een mes in de arm van die [slachtoffer 1] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 impliciet subsidiair

hij op 15 maart 2026 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan een ander, te weten [slachtoffer 2] ,

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met een mes in borst, arm en hand van die [slachtoffer 2] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair en feit 2 impliciet subsidiair

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.

3.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straffen

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 1 primair en 2 impliciet subsidiair worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan het restant voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Hieraan moeten de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering, met toevoeging van een contactverbod met slachtoffer [slachtoffer 2] . De bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak dient er geen straf te worden opgelegd aan de verdachte. Bij een bewezenverklaring moet de verdachte een gevangenisstraf worden opgelegd zoals dit is voorgesteld door de officier van justitie. De door de officier van justitie geëiste taakstraf moet gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte worden verlaagd naar hooguit 120 uren.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft geprobeerd twee personen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hen (meermaals) met een mes te steken. Het ene slachtoffer heeft hierbij een messteek in zijn bovenarm opgelopen en het andere slachtoffer is gestoken in zijn borst, arm en hand. De verdachte mag van geluk spreken dat het letsel nog relatief beperkt is gebleven. De verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hen pijn, letsel, schade en overlast bezorgd. Dit feit heeft zich gedurende de nachtelijke uren op de openbare weg in een gebied met diverse uitgaansgelegenheden afgespeeld. Hiermee heeft verdachte niet alleen de slachtoffers een gevoel van onveiligheid toegebracht, maar ook de omstanders. Dergelijk zinloos uitgaansgeweld veroorzaakt ook een algemeen gevoel van onveiligheid binnen de samenleving. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 18 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Reclassering Nederland van 9 juli 2026 staat het volgende.

De reclassering ziet verschillende risicoverhogende factoren. Ten tijde van het ten laste gelegde was sprake van middelengebruik en stress. Daarnaast is sprake van een instabiele huisvestingssituatie. Vanuit de voormalige begeleiding zijn signalen ontvangen dat de verdachte beïnvloedbaar lijkt en nog niet volledig zelfredzaam is. Zelfstandig wonen wordt op dit moment niet haalbaar geacht. Tevens is op dit moment nog onvoldoende zicht op eventuele psychische, cognitieve en/of persoonlijkheidsfactoren die van invloed kunnen zijn op het delictgedrag. Daarnaast zijn er aandachtspunten op het gebied van dagbesteding en financiën. Daartegenover staan op dit moment beperkte beschermende factoren, waaronder het ontbreken van eerdere veroordelingen, de start van de inburgeringscursus en de toekomstgerichte opleidingswensen van de verdachte.

De reclassering acht de verdachte voldoende responsief voor een reclasseringstoezicht. De ingezette verdiepingsdiagnostiek dient meer inzicht te geven in eventuele onderliggende problematiek, waarna kan worden bepaald of behandeling noodzakelijk is en welke behandeling het meest passend is.

Op basis van de huidige beschikbare informatie schat de reclassering het risico op recidive in als gemiddeld. Deze inschatting is mede gebaseerd op de ernst van het ten laste gelegde feit, het middelengebruik ten tijde van het incident, de instabiele leefomstandigheden en het nog onvolledige beeld van eventuele onderliggende problematiek. Ook het risico op letsel en het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld.

Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.

4.3.3.

Oplegging straffen

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Uit de oriëntatiepunten blijkt dat voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) het opleggen van een gevangenisstraf van 7 maanden gebruikelijk is. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling door de slachtoffers met een mes te steken.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het belang van de aan de verdachte op te leggen door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling, acht de rechtbank het echter passender dat aan de verdachte een langdurige taakstraf wordt opgelegd dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Daarom wordt aan de verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van 240 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest.

Van deze gevangenisstraf worden 68 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 3 jaren. De rechtbank acht het van belang dat de verdachte de ondersteuning en begeleiding krijgt die hij nodig heeft. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.

De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, inspanningsverplichting dagbesteding, meewerken beheersing middelengebruik en contactverbod met [slachtoffer 2] .

Gelet op het reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.

5 Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 28 mei 2026 geschorst tot aan de inhoudelijke zitting in deze strafzaak op 22 juli 2026. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 22 juli 2026 opnieuw geschorst tot aan de einduitspraak in eerste aanleg in de strafzaak tegen de verdachte.

Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf, wordt het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, te weten met ingang van 5 augustus 2026.

6 Vordering van de benadeelde partijen

6.1.

Vorderingen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

[slachtoffer 1] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 290,- als vergoeding voor materiële schade en € 7.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[slachtoffer 2] heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 1.633,06 als vergoeding voor materiële schade, € 3.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 1.000,- als vergoeding voor toekomstige schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van [benadeelde partij 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 290,- ten aanzien van de materiële schade en € 1.500,- ten aanzien van de immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering kan voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

De vordering van [benadeelde partij 2] kan ten aanzien van de materiële en immateriële schade integraal worden toegewezen tot een bedrag van € 4.633,06, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor zover de vordering ziet op toekomstige schade kan de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

6.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan hetgeen door de officier van justitie naar voren is gebracht.

6.4.

Oordeel van de rechtbank

6.4.1.

Beoordeling vordering [benadeelde partij 1]

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte
€ 290,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in zijn persoon aangetast.

Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel van de benadeelde partij. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 15 maart 2026.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 17 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6.4.2.

Beoordeling vordering [benadeelde partij 2]

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte
€ 1.633,06 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 2 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in zijn persoon aangetast.

Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 3.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel van de benadeelde partij. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van
€ 3.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Nader te onderbouwen schade

De nader te onderbouwen schade betreft mogelijk toekomstige schade, gevorderd voor een eventuele hoger beroep procedure. Dit onderdeel van de vordering is niet onderbouwd en gelet daarop zal de benadeelde partij op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 15 maart 2026.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 46 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 2 impliciet primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 impliciet subsidiair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 68 dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

2. de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan diagnostisch onderzoek. Indien uit dit onderzoek blijkt dat behandeling geïndiceerd is, laat de verdachte zich ambulant behandelen bij Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Hij houdt zich aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling worden gegeven;

3. de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt verblijft bij Humane Zorg of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

4. de verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het verkrijgen of behouden een zinvolle dagbesteding, dan wel het volgen en positief afronden van een opleiding;

5. de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) in de Opiumwet. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

6. de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met het slachtoffer [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 8] 1996;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 6 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

beveelt dat de onder nummers 1 tot en met 6 genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, te weten met ingang van 5 augustus 2026;

Vorderingen benadeelde partijen

veroordeelt de verdachte aan [benadeelde partij 1] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.790,- , bestaande uit € 290,- als vergoeding van materiële schade en € 1.500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 15 maart 2026 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering
(feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de staat € 1.790,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 15 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 17 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

veroordeelt de verdachte aan [benadeelde partij 2] (feit 2), te betalen een bedrag van € 4.633,06 , bestaande uit € 1.633,06 als vergoeding van materiële schade en
€ 3.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf
15 maart 2026 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering
(feit 2); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de staat € 4.633,06 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 15 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 46 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

9 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. J.C. Oord en E. Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 5 augustus 2026.

Mr. E. Laanen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] (pagina’s 1 tot en met 122). Verklaard tijdens de zitting van 22 juli 2026. Pagina’s 65 tot en met 68. Pagina’s 106 tot en met 109 en het fotoblad bij proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] . Pagina’s 69 tot en met 72 en het fotoblad bij proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] . Pagina’s 78 tot en met 81. Pagina’s 86 tot en met 89. Forensisch medische letselrapportage van 20 juli 2026, opgesteld door forensisch arts [naam arts] , betreffende [slachtoffer 2] .