Strafrecht overig
Mega Ridderkerk. ZD [schip 1]: vrijspraak medeplegen van witwassen ZD [schip 2]: veroordeling in verband met…
Rechtbank Rotterdam, 14 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:10423 · Rechtbank Rotterdam · 14 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-10423
Zaakgegevens
Op 14 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Datum publicatie
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- 10.133623.22
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:10423
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Mega Ridderkerk. ZD [schip 1]: vrijspraak medeplegen van witwassen ZD [schip 2]: veroordeling in verband met medeplegen van witwassen meermalen gepleegd tot een geldboete van EUR 50.000,-
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10.133623.22
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:
[verdachte rechtspersoon]
gevestigd op het adres: [adres] , [postcode] [vestigingsplaats] ,
op de terechtzitting vertegenwoordigd door [verdachte] ,
raadsvrouw mr. S. Kegreisz, advocaat te Rotterdam.
1 Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 28 mei en 14 juli 2026.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. S. Sondermeijer heeft gevorderd:
-
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
-
veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 350.000,-.
4 Waardering van het bewijs
Vrijspraak feit 2 zaaksdossier [schip 1]
Standpunt officier van justitie
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte rechtspersoon samen met anderen een geldbedrag van € 275.000,- en het motorschip “ [schip 1] ” heeft witgewassen.
Beoordeling
De officier van justitie heeft op de zitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van medeplegen van witwassen zonder brondelict, aangezien de herkomst van het geld voor de financiering van het motorschip onbekend is. Dit betekent dat het dossier geen bewijs bevat voor een concreet gronddelict waaruit een criminele herkomst kan worden afgeleid. Om alsnog tot bewezenverklaring van witwassen te kunnen komen, dienen de volgende stappen te worden doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht aan de verdenking heeft geboden of dat hij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.
Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Overwegingen
De door de officier van justitie aangedragen feiten en omstandigheden volgen uit het dossier en bieden grondslag voor de conclusie dat sprake is van een vermoeden van witwassen ten aanzien van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag van € 275.000,- en het motorschip “ [schip 1] ”.
[verdachte] , zijnde Ultimate Beneficial Owner (hierna UBO ) van [verdachte rechtspersoon] (hierna: [verdachte rechtspersoon] ), heeft bij de FIOD namens [verdachte rechtspersoon] een verklaring afgelegd over de herkomst van de gelden, namelijk dat hij voor het bedrijf [bedrijf] B.V. te [plaats] onderdelen inkocht in China en dat hij hiervoor ruim negen ton (€ 900.000,-) ontving. De marge voor zijn diensten lag tussen 20% en 50%, hetgeen neerkomt op een bedrag van minimaal € 180.000,- en € 250.000,-. Deze verklaring is niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Aangezien [verdachte] slechts eenmaal is verhoord door de FIOD, gaat de stelling van het Openbaar Ministerie dat hij wisselend heeft verklaard niet op. Verder wordt de verklaring van [verdachte] in zijn verhoor op dat punt concreet en verifieerbaar gemaakt door zijn latere schriftelijke verklaring van 26 september 2023. Hierin heeft hij een toelichting gegeven op de transacties met [bedrijf] B.V. en heeft hij verklaard dat de bankafschriften van [verdachte rechtspersoon] , waarop de hiervoor bedoelde geldstromen te zien zouden zijn, in het bezit zijn van het Openbaar Ministerie, hetgeen door het Openbaar Ministerie niet is betwist. Dat [verdachte rechtspersoon] geen onderliggende stukken (zoals facturen) heeft kan vraagtekens oproepen, maar maakt niet dat de verklaring op zichzelf niet verifieerbaar is.
In het licht van het voorgaande had het op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om nader onderzoek te doen bij in ieder geval [bedrijf] B.V., en bij andere bedrijven zoals die uit de bankafschriften blijken, ter verificatie van de door [verdachte] afgelegde verklaringen. Een dergelijk onderzoek heeft echter nooit plaatsgevonden, ondanks dat het Openbaar Ministerie hiervoor voldoende tijd heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank kan bij deze stand van zaken niet worden uitgesloten dat het geldbedrag van
€ 275.000,-, dat is gebruikt voor de aankoop van het motorschip “ [schip 1] ”, een legale herkomst heeft. Er kan daarom niet worden gezegd dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Conclusie
Het ten laste gelegde witwassen van gelden en het motorschip “ [schip 1] ” is niet wettig en overtuigend bewezen. [verdachte rechtspersoon] wordt daarvan vrijgesproken.
Bewijswaardering feit 1 zaaksdossier [schip 2]
Standpunt verdediging
Het ten laste gelegde medeplegen van witwassen van geldbedragen en van het motorschip “ [schip 2] ” kan niet bewezen worden verklaard omdat er geen bewijs is dat de voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Evenmin is er bewijs van verhullingshandelingen. De door [verdachte] afgelegde verklaring over de legale herkomst van de voorwerpen is concreet en verifieerbaar en is niet weerlegd door het Openbaar Ministerie. De verdachte rechtspersoon dient daarom te worden vrijgesproken.
Beoordeling
- Vrijspraak geldbedragen € 350.000,-, € 65,000,- en € 21.010,36 en motorschip “ [schip 2] ”
De data waarop [verdachte rechtspersoon] de (deel)betalingen die zij op haar bankrekening had ontvangen, heeft doorgestort naar [medeverdachte vennootschap] C.V. (hierna: [medeverdachte vennootschap] ) vallen buiten de ten laste gelegde periode. Om die reden kan niet worden bewezen dat [verdachte rechtspersoon] de voornoemde geldbedragen samen met anderen heeft witgewassen in de ten laste gelegde periode. Daarom kan evenmin worden bewezen dat [verdachte rechtspersoon] in de ten laste gelegde periode het motorschip “ [schip 2] ” heeft witgewassen. In zoverre zal zij worden vrijgesproken.
- Geldbedragen € 95.010,-, € 82.500,-, € 12.500,- en € 2.362,50
De overige bedragen op de tenlastelegging vallen binnen de ten laste gelegde periode. Aangezien het dossier, zoals hiervoor in paragraaf 4.1.2 is overwogen, geen bewijs bevat van een concreet gronddelict waaruit de criminele herkomst van de geldbedragen kan worden afgeleid, zal de rechtbank ook hier de stappen zetten zoals bedoeld in die paragraaf.
De rechtbank gaat uit van de volgende witwastypologieën.
- Witwastypologieën
[verdachte rechtspersoon] is gevestigd in [land] , een zogenoemd belastingparadijs. Op dat adres vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats en uit niets blijkt dat [verdachte rechtspersoon] actief is in de scheepvaart. Desondanks doet [verdachte rechtspersoon] vanaf haar bankrekening betalingen aan [medeverdachte vennootschap] voor diensten met betrekking tot de exploitatie van het motorschip “ [schip 2] ”. Omdat zij daarbij geen partij was, ligt het niet in de rede dat [verdachte rechtspersoon] die kosten voor haar rekening zou nemen. Bovendien strookten de omschrijvingen op de aangetroffen facturen niet met die op de bankafschriften.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
- Verklaring [verdachte]
De verklaring die [verdachte] namens [verdachte rechtspersoon] met betrekking tot deze geldbedragen heeft afgelegd op de terechtzitting, te weten dat hij heeft betaald op verzoek van [medeverdachte 1] en van [medeverdachte 2] , zijnde de bestuurder van [medeverdachte vennootschap] en [medeverdachte rechtspersoon] B.V. (hierna: [medeverdachte rechtspersoon] ), dat hij niet wist waarvoor hij betaalde en dat hij pas bij ontvangst van de facturen zag dat de omschrijvingen niet strookten met de omschrijvingen van de bankafschriften, is niet concreet, niet verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk. Uit hetgeen [verdachte] heeft verklaard over het ten laste gelegde witwassen van het bedrag van € 275.000,- en het motorschip “ [schip 1] ” (feit 2) blijkt immers dat hij betrokken was bij de bedrijfsvoering van [verdachte rechtspersoon] , wist wat er gebeurde en goed op de hoogte was van de geldstromen die hierin omgingen. Dit betekent dat [verdachte] er namens [verdachte rechtspersoon] niet in is geslaagd het vermoeden van witwassen te weerleggen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van het geld kan gelden en dat [verdachte rechtspersoon] dit wist. De gedragingen van [verdachte] hebben plaatsgevonden in het kader van de normale bedrijfsuitoefening van [verdachte rechtspersoon] . Aldus kunnen die gedragingen aan [verdachte rechtspersoon] worden toegerekend.
Conclusie
Wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte rechtspersoon] zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de hiervoor genoemde geldbedragen. [verdachte rechtspersoon] heeft hierbij nauw en bewust samengewerkt met andere natuurlijke personen en vennootschappen. De verweren worden verworpen.
Bewezenverklaring
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte rechtspersoon het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
Zaaksdossier [schip 2]
zij in de periode van 13 november 2017 tot en met 27 december 2018 te Ridderkerk, en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, voorwerpen, te weten van een geldbedrag van in totaal EUR 95.010,--, (2102180900.D15 p. 753) en
een geldbedrag van in totaal EUR 82.500,--, (2102180900.D16 p. 754) en
een geldbedrag van in totaal EUR 12.500,--, (2102180900.D20 p. 758) en
een geldbedrag van in totaal EUR 2.362,50, althans enig geldbedrag,
heeft verhuld wie de rechthebbende was en heeft overgedragen terwijl zij wist dat die
voorwerpen, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk en/of middellijk, afkomstig waren uit enig misdrijf.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [verdachte rechtspersoon] moet ook daarvan worden vrijgesproken.
De overtuiging dat [verdachte rechtspersoon] het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
5 Strafbaarheid feiten
Het bewezen feit levert op:
medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6 Strafbaarheid verdachte rechtspersoon
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte rechtspersoon uitsluit.
De verdachte rechtspersoon [verdachte rechtspersoon] is dus strafbaar.
7 Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan [verdachte rechtspersoon] wordt opgelegd is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de draagkracht van de verdachte rechtspersoon. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straf is gebaseerd
[verdachte rechtspersoon] heeft samen met anderen grote geldbedragen witgewassen. [verdachte] heeft [verdachte rechtspersoon] daarbij als witwasvehikel gebruikt door vanaf haar bankrekening geld over te maken naar [medeverdachte vennootschap] en [medeverdachte rechtspersoon] . Om die overschrijvingen te verantwoorden en te verhullen dat met dat geld een motorschip werd aangekocht, werden valse facturen en vrachtbrieven opgemaakt. Dergelijke witwaspraktijken vormen een bedreiging voor het reguliere handels- en betalingsverkeer en tasten de integriteit daarvan ernstig aan. [verdachte rechtspersoon] heeft zich kennelijk niet bekommerd om de gevolgen van haar gedragingen voor de samenleving binnen en buiten Nederland. De rechtbank rekent dit [verdachte rechtspersoon] aan.
Omstandigheden van de verdachte rechtspersoon
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 maart 2026, waaruit blijkt dat [verdachte rechtspersoon] niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Straftoemeting
Gelet op de ernst van het feit en de oriëntatiepunten van de LOVS bij fraude, dient hierop te worden gereageerd met het opleggen van een forse geldboete. Bij de bepaling van de hoogte ervan heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM, Verder heeft de rechtbank slechts één feit (gedeeltelijk) bewezen verklaard. De rechtbank zal daarom een lagere geldboete opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.
8 In beslag genomen voorwerpen
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag van € 459.263,06 terug te geven aan [verdachte rechtspersoon] .
De rechtbank kan geen oordeel geven over het beslag op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), maar zal een bevel geven tot opheffing van het beslag op grond van artikel 94 Sv en met een last tot teruggave aan [verdachte rechtspersoon] . Dit laat onverlet dat het beslag op grond van artikel 94a Sv onverminderd kan voortduren.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 23, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
10 Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11 Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte rechtspersoon het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte rechtspersoon het onder 1 ten laste gelegde feit zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte rechtspersoon meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar;
veroordeelt de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 50.000,00 (vijftigduizend euro);
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan verdachte rechtspersoon van een bedrag van € 459.263,06.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Feraaune, voorzitter,
en mrs. A.S. Flikweert en J. van de Klashorst, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 14 juli 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte rechtspersoon wordt ten laste gelegd dat
1
Zaaksdossier [schip 2]
zij in de periode van 13 november 2017 tot en met 27 december 2018 te Ridderkerk en/of Rotterdam,
in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal één of meerdere voorwerpen, te weten
- ( een) of meer (contant) geldbedrag(en) een geldbedrag van in totaal EUR 350.000,--, (althans $ 50.000,--), ( EUR 42.015,15)) en/of
een geldbedrag van in totaal EUR 95.010,--, (2102180900.D15 p. 753) en/of
een geldbedrag van in totaal EUR 82.500,--, (2102180900.D16 p. 754) en/of
een geldbedrag van in totaal EUR 12.500,--, (2102180900.D20 p. 758) en/of
een geldbedrag van in totaal EUR 65.000,--, en/of
een geldbedrag van in totaal EUR 21.010,35 en/of
een geldbedrag van in totaal EUR 2.362,50, althans enig geldbedrag,
en/of
- een motorschip, m/v [schip 2] , met IMO registratienummer [nummer 1] , althans een
motorschip,
de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of vervreemding en/of de
verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of
verhuld wie de rechthebbende was en/of heeft verworven en/of voorhanden heeft
gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp c.q. die
voorwerpen, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk en/of middellijk, afkomstig was c.q. waren uit enig misdrijf en/of uit enig eigen misdrijf;
2
Zaaksdossier [schip 1]
zij in de periode van 30 november 2018 tot en met 17 december 2018 te Ridderkerk, en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal één of meerdere voorwerpen, te weten
- een (contant) geldbedrag van in totaal EUR 275.000,--, althans enig geldbedrag,
en/of
- een motorschip, m/v [schip 1] , met IMO registratienummer [nummer 2] , althans
een motorschip,
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of
heeft omgezet en/of gebruik van heeft gemaakt, terwijl zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk en/of middellijk, afkomstig was c.q. waren uit enig misdrijf en/of uit enig eigen misdrijf.