Strafrecht overig
De verdachte heeft een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het verweer tot ontbreken van de…
Rechtbank Rotterdam, 16 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:12130 · Rechtbank Rotterdam · 16 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-12130
Zaakgegevens
Op 16 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Datum publicatie
- 16 september 2026
- Zaaknummer
- 10-039149-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:12130
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte heeft een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het verweer tot ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid wordt verworpen. De verdachte wordt veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-039149-26
Datum uitspraak: 16 september 2026
Datum zitting: 2 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1976 in [plaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [woonadres] .
Advocaat van de verdachte: mr. J.I.T. Lankhorst, waarnemend voor mr. J. Vermaat
Officier van justitie: mr. X.C. van Balen
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
hij op of omstreeks 31 januari 2026 te Dordrecht een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk BBM type Olympic 38 kaliber .22 en munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de Categorie III, te weten 4 kogelpatronen, merk Aquila, kaliber .22 voorhanden heeft gehad.
2 Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde feit.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie
3. Proces-verbaal van de politie
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat
hij op 31 januari 2026 te Dordrecht een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk BBM type Olympic 38 kaliber .22 en munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de Categorie III, te weten 4 kogelpatronen, merk Aquila, kaliber .22 voorhanden heeft gehad.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
de eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Beroep op rechtvaardigingsgrond
De verdachte heeft weliswaar het vuurwapen en de munitie voorhanden gehad, maar dat was slechts met het voornemen om deze voorwerpen – die hij kort voorafgaand aan een reis naar Marokko op straat had gevonden – direct na terugkomst uit Marokko bij de politie in te leveren. De verdachte vreesde dat als hij meteen naar de politie zou gaan, hij zijn vlucht naar Marokko zou missen. De verdachte handelde aldus vanuit een juiste intentie, maar heeft niet de kans gekregen om zijn intentie uit te voeren omdat zijn vrouw het vuurwapen in de meterkast vond en daarvan melding maakte bij de politie. Daarmee ontbreekt de materiële wederrechtelijkheid aan zijn handelen en dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Oordeel van de rechtbank
Bewezen is dat de verdachte het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad.
Uitgaande van de door de verdachte afgelegde verklaring, die overigens niet is onderbouwd en ook niet kan worden geverifieerd, geldt dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte geen andere keus had dan het wapen en de munitie mee naar huis te nemen en daar te verstoppen tot na zijn terugkomst uit Marokko. Zo had de verdachte bijvoorbeeld ook het vuurwapen met munitie kunnen laten liggen en een anonieme melding kunnen doen over de locatie van het vuurwapen of zijn vrouw kunnen vragen om het vuurwapen naar de politie te brengen.
De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van haar verweer nog gewezen op het arrest van het gerechtshof Arnhem van 6 april 2009 (ECLI:GHARN:2009:BI1487). De vergelijking met dit arrest gaat in deze zaak niet op. In de Arnhemse zaak ging het om het verwijt van opzetheling, een andersoortig strafbaar feit dan het onderhavige voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.
Het verweer tot ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid slaagt dus niet. Nu er overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden zijn die de strafbaarheid van het feit en van de verdachte uitsluiten, zijn het feit en de verdachte strafbaar.
4 Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 119 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod. Wat betreft de bijzondere voorwaarden moet de dadelijke uitvoerbaarheid worden bevolen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie.
Het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Tegen onbevoegd vuurwapenbezit dient krachtig te worden opgetreden. Het stijgend aantal slachtoffers van vuurwapengeweld in de samenleving onderstreept de noodzaak hiervan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 29 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapporten van deskundige en de reclassering
In het rapport van de psychiater [naam psychiater] van 4 mei 2026 staat onder meer het volgende. De verdachte lijdt aan psychische stoornissen in de vorm van een stoornis in het gebruik van cocaïne, eerdere psychotische stoornissen door cocaïne in remissie en aan een aanpassingsstoornis met ook posttraumatische klachten, bij zwakbegaafdheid. Deze stoornissen waren ten tijde van het bewezen feit aanwezig en beïnvloedden de gedragskeuzes van de verdachte. Het risico op recidive wordt als matig verhoogd ingeschat.
Bij veroordeling van de verdachte wordt geadviseerd het recidiverisico te beperken door ambulante behandeling van de verdachte voor de stoornis in het gebruik van cocaïne en de posttraumatische klachten door een forensische polikliniek of forensisch FACT, in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel, onder toezicht van en met maatschappelijke begeleiding door de reclassering.
Op basis van het rapport van de psychiater stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit beïnvloedde. Het feit wordt daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
Fivoor Verslavingsreclassering rapporteert op 26 mei 2026, voor zover hier van belang, het volgende. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt als laag ingeschat. Bij veroordeling van de verdachte wordt geadviseerd aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen:
-
meldplicht bij de reclassering;
-
ambulante behandeling met mogelijk kortdurende opname;
-
ambulante begeleiding;
-
contactverbod; en
-
beheersing middelengebruik.
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. Daarom wordt een gevangenisstraf opgelegd van 180 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de hiervoor genoemde, door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod. Genoemd verbod staat in een te ver verwijderd verband tot het bewezenverklaarde feit. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (de rechtbank gaat hierbij, anders dan de officier van justitie, uit van 60 dagen aftrek in verband met de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten). Dat betekent dat de verdachte in het kader van deze strafzaak niet terug hoeft naar de gevangenis. Het voorwaardelijke strafdeel heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Anders dan door de officier van justitie is geëist worden de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaard. Een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde bijzondere voorwaarden kan alleen worden gegeven indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake.
5 In beslag genomen voorwerpen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen vuurwapen en de in beslag genomen munitie worden onttrokken aan het verkeer.
Oordeel van de rechtbank
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank beslist dat het in beslag genomen vuurwapen en de in beslag genomen munitie worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet. Het strafbare feit is met deze voorwerpen gepleegd.
6 Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 7 april 2026 geschorst tot aan de einduitspraak in eerste aanleg. De rechtbank heft, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor omtrent de op te leggen straf is overwogen, het bevel tot voorlopige hechtenis op.
7 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
8 Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals onder 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het onder 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 120 (honderdtwintig) dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
2. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor GGZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en middelenproblematiek, agressiebeheersing en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/ observatie/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
3. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat begeleiden op het gebied van praktische zaken. De begeleiding dient gericht te zijn op de praktische zaken en het vergroten van de zelfredzaamheid (huisvesting, hulp bij financiën, vinden/behouden van dagbesteding);
4. de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik, en om het gebruik te leren beheersen, van alcohol of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II softdrugs en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 4 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
-
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
-
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
In beslag genomen voorwerpen
verklaart voor het bewezen feit onttrokken aan het verkeer:
-
het vuurwapen, te weten een revolver van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22, geregistreerd onder goednummer [registratienummer 1] ;
-
de vier kogelpatronen van het merk Aquila, kaliber .22, geregistreerd onder
goednummer [registratienummer 2] ;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.
9 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,
en mrs. M. Timmerman en L. den Teuling, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Meulendijk griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 september 2026.