Strafrecht overig
Veroordeling voor het laten ontploffen van twee Cobra’s in de voordeur van een woning tot een gevangenisstraf…
Rechtbank Rotterdam, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:15217 · Rechtbank Rotterdam · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-15217
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 2 november 2026
- Zaaknummer
- 10-033696-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:15217
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor het laten ontploffen van twee Cobra’s in de voordeur van een woning tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk. Verplichting betaling van € 4.668,50 aan schadevergoeding.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-033696-26
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
Datum zitting: 14 oktober 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1997 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. J.V. van Blitterswijk
Officier van justitie: mr. B.M. van Heemst
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. M. van Keulen
Kern van het vonnis
De verdachte heeft in de voordeur van de woning van het slachtoffer twee Cobra’s laten ontploffen. De rechtbank legt daarom een gevangenisstraf op voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.
1 Tenlastelegging
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
hij op of omstreeks 29 januari 2026 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht in/aan een woning, gelegen aan [adres 2] , door open vuur in aanraking te brengen met een Cobra 6, in elk geval een stuk zwaar vuurwerk, en/of die Cobra, althans dat stuk zwaar vuurwerk, nabij/tegen/in (de voordeur van) die woning te plaatsen / leggen / gooien, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten die woning en/of de inboedel van die woning en/of (de inboedels van) belendende woningen te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner van die woning (zijnde [slachtoffer] ) en/of bewoners van (die) belendende woningen te duchten was.
2 Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft partieel vrijspraak bepleit voor het tweede gedachtestreepje van het feit (levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel). De verdediging heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat:
hij op 29 januari 2026 te [plaats] opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in een woning, gelegen aan [adres 2] , door open vuur in aanraking te brengen met een Cobra 6 en die Cobra in de voordeur van die woning te plaatsen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en de inboedel van die woning te duchten was en
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner van die woning (zijnde [slachtoffer] ) te duchten was.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik was die dag kwaad op [slachtoffer] . Ik wist dat zij thuis was omdat ik eerder die avond al bij haar woning ben geweest en haar toen achter het raam heb zien staan. Ik wilde haar bang maken en laten schrikken. Ik heb die nacht twee Cobra’s geklemd tussen haar brievenbus en deze gebruikt. Ik schrok van de ontploffing. Die was veel krachtiger dan ik had verwacht.
2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer]
Op 29 januari 2026 werd ik wakker van een hele harde knal in mijn woning aan [adres 2] in [plaats] . Toen ik in de hal kwam zag ik dat de ruit en deur helemaal kapot waren. Het alarm van de rookmelder ging af en de hal stond vol rook. Ik wist gelijk dat dit [verdachte] geweest moest zijn.
3. Proces-verbaal van de politie, ter plaatse
Wij kwamen ter plaatse op het adres [adres 2] te [plaats] . Ik zag dat het gehele trottoir bezaaid lag met glasscherven. Tussen de glasscherven zag ik papiersnippers liggen welke ik herkende als resten van afgestoken vuurwerk. Ik herkende de letters op de papiersnippers als dezelfde letters als die op een Cobra 6 staan.
Bewijsmotivering
Vaststelling van de feiten
Op basis van de bewijsmiddelen wordt vastgesteld dat verdachte op 29 januari 2026 twee Cobra’s 6 tussen de brievenbus van de woning aan [adres 2] te [plaats] heeft geklemd en aangestoken. Op dat moment was het slachtoffer [slachtoffer] in de woning aanwezig en dat wist de verdachte ook. Het slachtoffer werd wakker van een enorme knal. Door de ontploffing zijn de voordeur en ruiten (waaronder die van de tussendeur en badkamerdeur), zwaar beschadigd, lag er op verschillende plaatsen glas in de woning en is de rookmelder afgegaan.
De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of door de ontploffing levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Daarvoor dient te worden beoordeeld of dat gevaar ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest.
Levensgevaar
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat ten tijde van het plaatsen van de Cobra’s personen zodanig in (directe) nabijheid ervan aanwezig waren, dat daarvan levensgevaar te duchten was. Verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
Uit de vakbijlage van het NFI over de gevaarzetting van een Cobra 6 dat in het procesdossier is gevoegd blijkt dat een voorwerp waar een Cobra 6 direct tegenaan ontploft, vrijwel altijd zal beschadigen. In paragraaf 4.2 van de vakbijlage staat dat er sprake is van een nog grotere gevaarzetting, wanneer een Cobra 6 gelijktijdig ontploft met een andere Cobra 6. Aangenomen wordt dat iemand die door scherven en/of brokstukken wordt geraakt, ernstig lichamelijk letsel op kan lopen. Ook kan de drukgolf tot op enkele meters afstand van de explosie tot permanente gehoorschade zoals trommelvliesbreuk leiden. Tot op tientallen meters afstand kan deze drukgolf ook nog tot andere vormen van (tijdelijke) gehoorschade leiden. Gevaar voor dodelijk letsel bestaat als er (vrijwel) direct contact van een Cobra 6 met een hoofd, nek of romp van een onbeschermd persoon ontstaat.
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat er voorzienbaar gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor het slachtoffer bestond. Verdachte heeft de Cobra’s rond 01:00 uur ‘s nachts in de brievenbus van de woning gedaan en aangestoken. Verdachte heeft eerder die dag gezien dat het slachtoffer thuis was. Het was dan ook voorzienbaar dat zij op dat moment in de nabijheid van de hal (bijvoorbeeld op het toilet in de badkamer) aanwezig zou kunnen zijn. Het is bovendien niet ongebruikelijk dat iemand bij het horen van gerommel aan de deur aanstalten zou maken om te kijken wat er aan de hand is.
Zoals in de vakbijlage wordt beschreven, had het slachtoffer door de drukgolf van de ontploffing gehoorschade en door scherven en brokstukken ander ernstig lichamelijk letsel kunnen oplopen. Het slachtoffer heeft ook verklaard dat zij een enorme knal hoorde waarvan zij wakker werd. De voordeur, de badkamerdeur en de tussendeur waren zwaar beschadigd en er lag glas op verschillende plaatsen in de woning, waaronder de hal en de badkamer. Gelet op voorgaande was het naar het oordeel van de rechtbank naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat door de ontploffing gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor het in de woning aanwezige slachtoffer zou ontstaan.
Algemeen gevaar voor goederen
Dat er gemeen gevaar voor goederen heeft bestaan door de ontploffing wordt niet door de verdediging betwist en staat op grond van de bewijsmiddelen vast.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een ontploffing teweeg heeft gebracht door twee Cobra’s in de brievenbus van de woning te klemmen en aan te steken, terwijl daardoor gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] te duchten was.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf en maatregel
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en met oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel. De bijzondere voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit om de gevorderde straf te verminderen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft twee Cobra’s 6 laten ontploffen in de voordeur van het slachtoffer. Door de ontploffing is de woning flink beschadigd en zijn diverse goederen in de hal vernield. Daarnaast is er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten geweest voor de bewoonster. De bewoonster is zich rot geschrokken en uit haar slachtofferverklaring op zitting komt duidelijk naar voren dat deze aanslag haar niet in de koude kleren is gaan zitten. De verdachte heeft op geen enkele manier stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen en de (psychische) schade die hij mogelijk daardoor zou kunnen aanrichten.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 10 september 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapporten van de reclassering
In de rapporten van Reclassering Nederland van 24 maart 2026 en 22 mei 2026 en staat het volgende.
De reclassering beschrijft de verdachte als een man die, vanwege zijn moeizame en traumatische jeugd, niet geleerd heeft hoe hij om moet gaan met zijn emoties. Geschat wordt dat een opeenstapeling van ervaringen en frustraties, in combinatie met een negatief zelfbeeld en hechtingsproblematiek, heeft geleid tot (impulsief) controleverlies. De reclassering is van mening dat verdachte psychologisch onderzocht en intensief behandeld moet worden om hem emotioneel stabiel en weerbaar te krijgen. In geval van een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling met mogelijkheid tot een kortdurende opname, een contactverbod en een locatieverbod.
Oplegging straf en maatregel
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden opgelegd.
De gevangenisstraf wordt gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegd, omdat het van belang is voor de verdachte en de samenleving dat de verdachte wordt behandeld en onder toezicht blijft van de reclassering.
Van deze gevangenisstraf worden 9 maanden voorwaardelijk opgelegd.
De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf een deel van de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. Deze bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De bijzondere voorwaarden zijn:
- Meldplicht bij de reclassering
- Ambulante behandeling
Gelet op het reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dan ook dadelijk uitvoerbaar. Het locatieverbod en het contactverbod zal de rechtbank in het kader van de bijzondere voorwaarden afwijzen en opleggen als vrijheidsbeperkende maatregel.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
Om de maatschappij te beveiligen en om strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van 3 jaren. Deze maatregel houdt in:
- een gebiedsverbod voor [plaats] ; en
- een contactverbod met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1997.
Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van 2 weken, met een totale duur van maximaal 6 maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar, omdat er gelet op het reclasseringsrapport ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen ten aanzien van het slachtoffer. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
5 Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 28 mei 2026 geschorst.
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen dan wel de schorsing door te laten lopen. De gronden en ernstige bezwaren die hebben geleid tot de voorlopige hechtenis zijn nog aanwezig. De rechtbank ziet geen reden om de voorlopige hechtenis op te heffen. De reclassering heeft ter zitting verklaard dat verdachte goed meewerkt, zodat de rechtbank de schorsing laat doorlopen.
6 Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
[slachtoffer] heeft als benadeelde partij voor het feit € 2.480,86 als vergoeding voor materiële schade en € 7.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.480,86, als vergoeding voor materiële schade en € 5.000,- als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen. De gevorderde kosten voor medicatie en de reiskosten zijn onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering voor die posten. De gevorderde immateriële schade moet worden gematigd.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering tot € 2.168,50 niet betwist. Dit deel van de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de medicatiekosten (€ 145,96) en de reiskosten (€ 166,40), is door de verdediging wel gemotiveerd betwist. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert daarmee een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan alleen nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Conclusie:
De verdachte moet € 2.168,50 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij betalen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk en psychisch letsel opgelopen.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Ook is rekening gehouden met paragraaf 19.3 van de Rotterdamse Schaal, waarin smartengeld wordt omschreven voor bedreigende situaties door ontploffing. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen, met niet-ontvankelijkverklaring van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd. Dit deel van de vordering kan alleen nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Conclusie:
De verdachte moet een bedrag van € 2.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 29 januari 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 46 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
7 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
8 Beslissingen
De rechtbank:
Straf en maatregel
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 9 maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. Meldplicht bij reclassering
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
2. Ambulante behandeling
de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra er plaats is bij de zorgverlener en zij bepalen de wijze van behandeling. De behandeling zal gericht zijn op nader onderzoek betreffende zijn psychische gesteldheid, emotionele stabiliteit opbouwen en weerbaarheid. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1 en 2 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
-
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
-
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de onder nummers 1 en 2 genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
legt de verdachte voor op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaar, inhoudende dat de verdachte:
1. zich niet bevindt in [plaats] , gedurende 3 jaar na de datum van dit vonnis;
2. op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1997, gedurende 3 jaar na de datum van dit vonnis;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 weken, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden;
beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen een bedrag van € 4.668,50 (zegge: vierduizend zeshonderdachtenzestig euro en vijftig eurocent), bestaande uit € 2.168,50 als vergoeding van materiële schade en € 2.500.- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 29 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering alleen nog kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat € 4.668,50 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 29 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 46 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
9 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.M. Derijks, voorzitter,
en mrs. J.A. Terstegge en E. Laanen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.B. Şahin, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 28 oktober 2026.
Mrs. Terstegge en Laanen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.